Home

Gerechtshof Amsterdam, 25-08-2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2994, 19/00648

Gerechtshof Amsterdam, 25-08-2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2994, 19/00648

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25 augustus 2020
Datum publicatie
24 maart 2021
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2020:2994
Zaaknummer
19/00648

Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslag IB; geen ambtelijk verzuim; nieuw feit

Uitspraak

kenmerk 19/00648

25 augustus 2020

uitspraak van de veertiende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: J.A. Klaver)

tegen de uitspraak van 8 maart 2019 in de zaak met kenmerk HAA 18/2504 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de het jaar 2014 een navorderingsaanslag

inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd (hierna: IB), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 0 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 37.946. De navorderingsaanslag vermeldt een nog te verrekenen verlies uit werk en woning (excl. ondernemingsverlies) van € 10.981 en een nog te verrekenen ondernemingsverlies van € 4.238. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is belastingrente in rekening gebracht ten bedrage van € 30.

1.2.

Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 17 mei

2018, afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft dit beroep

in haar uitspraak van 8 maart 2019 ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep van belanghebbende is bij het Hof

ingekomen op 23 april 2019 en is aangevuld bij brief van 15 mei 2019. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2020. Van het verhandelde

ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (daarin wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

“1. Namens eiseres heeft haar gemachtigde op 9 december 2015 aangifte IB/PVV 2014 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 0 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 36.796. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is als volgt opgebouwd:

Voordeel uit sparen en beleggen € 37.946

Af: studiekosten € 1.150 -/-

Totaal € 36.796

2. Overeenkomstig de ingediende aangifte heeft verweerder op 12 februari 2016 – geautomatiseerd – een voorlopige aanslag IB/PVV 2014 aan eiseres opgelegd. Op de voorlopige aanslag staat een te betalen bedrag van € 9.198.

3. De daarop gevolgde definitieve aanslag IB/PVV 2014 is, op 9 april 2016, ook overeenkomstig de ingediende aangifte van eiseres opgelegd. Op de aanslag staat een te betalen bedrag van € 0.

4. Met dagtekening 14 maart 2017 heeft verweerder eiseres een vragenbrief gestuurd. In de brief is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Wij hebben onderzoek gedaan naar het aangifte gedrag van degene die uw aangifte inkomstenbelasting over 1 of meerdere van de jaren 2012 tot en met 2015 heeft ingediend. Daaruit is gebleken dat diegene voor meerdere personen aangiften met onjuiste aftrekposten heeft gedaan. Mogelijk geldt dat ook voor uw aangifte. Ik zal uw aangifte over 2014 nader beoordelen. Daarvoor heb ik meer informatie van u nodig. Daarom vraag ik u mij een aantal gegevens op te sturen.”

5. Eiseres heeft hierop gereageerd per brief van 5 juni 2017, ontvangen door verweerder op 26 juni 2017.

6. Verweerder heeft eiseres per brief van 3 juli 2017 aangekondigd een navorderingsaanslag IB/PVV 2014 op te leggen. In de brief is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“Ik ben van plan om u een navorderingsaanslag op te leggen, omdat is gebleken dat u ten onrechte een aftrek voor studiekosten (€ 1.150) hebt geclaimd.

U kunt de studiekosten van uw dochters niet aftrekken.

Middels een navorderingsaanslag zal alsnog de juiste aanslag aan u opgelegd worden.

2014:

Vastgesteld belastbaar inkomen box 1 [de rechtbank begrijpt box 3]

volgens de aanslag € 36.796

Gecorrigeerd belastbaar inkomen € 37.946”

7. Eiseres heeft schriftelijk laten weten het hiermee niet eens te zijn.

8. Met dagtekening 5 augustus 2017 is de onderhavige navorderingsaanslag aan eiseres opgelegd. Op de navorderingsaanslag staat een te betalen bedrag van € 375.

9. Namens eiseres heeft haar gemachtigde hiertegen bezwaar gemaakt.

10. Middels een brief van verweerder van 12 december 2017 is (de gemachtigde van) eiseres in de gelegenheid gesteld vóór 1 januari 2018 de door eiseres gemaakte studiekosten aannemelijk te maken aan de hand van stukken. In de brief is eiseres tevens in de gelegenheid gesteld het bezwaarschrift mondeling toe te lichten. Van die gelegenheid heeft zij gebruik gemaakt.

11. Op 30 maart 2018 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden op het kantoor van verweerder. Van dit gesprek is een verslag opgemaakt dat op 13 april 2018 aan de gemachtigde van eiseres is verzonden.

12. Met dagtekening 17 mei 2018 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan waarbij het bezwaar van eiseres is afgewezen.”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. In aanvulling hierop voegt het Hof nog de volgende feiten toe.

2.3.

Tot de stukken van het geding behoort een stuk getiteld CORRECTIEBELEID,

Versie 2.1. (hierna: het correctiebeleid) en voorzien van de datum 30 maart 2011.

Dat stuk heeft onder meer de volgende inhoud (waarbij de voetnoten niet zijn geciteerd):

1. Context

In de visie van de Belastingdienst past het niet om aan belastingplichtige een belastingaanslag naar aanleiding van positieve correcties (op de grondslag) op te leggen, die slechts een “gering bedrag” aan te betalen belasting inhoudt. Hier kan gesproken worden van een bepaalde irritatiegrens bij belastingplichtige die invloed ken hebben op zijn compliant gedrag. Zeker als het “bedrag” voor de belastingplichtige in geen verhouding staat tot de administratieve gevolgen van de correcties.

Tevens moet ook in ogenschouw worden genomen, de verhouding tussen de kosten van het

opleggen van een aanslag sec en de opbrengst. Hier zou kunnen worden tegengeworpen dat dit in strijd is met het rechtvaardigheids- en gelijkheidsbeginsel. Het rechtvaardigheidsbeginsel kan worden weerlegd met een verwijzing naar artikel 9.4 Wet IB 2001 waarin wettelijk is geregeld dat voor specifiek omschreven situaties, gekoppeld aan een bepaald bedrag, ook geen aanslag wordt opgelegd.

Een “correctiebeleid” dat uitsluitend uitgaat van een te betalen minimum bedrag aan belasting als resultante van een besluitvormingsproces, ongeacht de belastingplichtige/-schuldige, wordt niet in strijd geacht met het gelijkheidsbeginsel. Wel moet dat bedrag, ongeacht het middel, gekoppeld zijn aan een bepaald tijdvak.

2 Correctiebeleid

Een bedrag van niet meer dan € 225 kan als een “gering bedrag” beschouwd worden. Op basis hiervan geldt het volgende correctiebeleid:

1. Een te hanteren bedrag aan (minimaal) te betalen belasting naar aanleiding van correcties van €225 per individuele belastingaanslag, dus per middel en belastingplichtige;

2. Negatieve correcties in het voordeel van belastingplichtige worden altijd aangebracht.

3. Het te hanteren bedrag bij een inkomenscorrectie bedraagt € 500;

4. Het te hanteren bedrag bij een navordering bedraagt € 450 (c.q. € 1.000 inkomen), behoudens in gevallen waarin sprake is van kwade trouw of repeterende onjuistheden. Dit conform de toezegging in 2009 aan de Tweede Kamer in het kader van de discussie over het ‘nieuw feit’;

(…)

7. Boven de € 225,- kan sprake zijn van een correctie van relatief geringe omvang. Op grond van zijn professional judgement bepaalt de (controle)medewerker of hiervan sprake is en of het achterwege laten van de correctie past binnen de doelstellingen van de Belastingdienst, zoals het voorkomen van irritaties. De medewerker pleegt daartoe collegiaal overleg met een M1’er of een door deze M1’er aangewezen ter zake deskundige gesprekspartner en legt dit overleg traceerbaar vast;

8. Op grond van zijn professional judgement beoordeelt de medewerker of zodra in één van de behandelde jaren de correctiegrens wordt overschreden, ook de andere behandelde jaren

gecorrigeerd moeten worden. Een correctie van relatief geringe omvang kan in dit geval een argument zijn om de correctie achterwege te laten;

9. In die gevallen dat belastingplichtige inspéelt op dit interne correctiebeleid is het mogelijk dat hiervan afgeweken kan worden. Bijvoorbeeld dat de belastingplichtige door het verstrekken van onjuiste gegevens inspeelt op het correctiebeleid.

In een werkinstructie zal bovenstaand correctiebeleid zoveel mogelijk nader uitgewerkt

worden voor de verschillende middelen.”

3 Geschil in hoger beroep

4 Overwegingen van de rechtbank

5 Beoordeling van het geschil

6 Kosten

7 Beslissing