Home

Gerechtshof Amsterdam, 23-03-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1128, 19/01337 tot en met 19/01339

Gerechtshof Amsterdam, 23-03-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1128, 19/01337 tot en met 19/01339

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23 maart 2021
Datum publicatie
28 april 2021
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2021:1128
Formele relaties
Zaaknummer
19/01337 tot en met 19/01339

Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Bron van inkomen.

Uitspraak

kenmerken 19/01337 tot en met 19/01339

23 maart 2021

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

tegen de uitspraak van 22 juli 2019 in de zaken met kenmerken HAA 18/2742 tot en met HAA 18/2744 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 21 december 2017 voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.352.

1.1.2.

Aan belanghebbende is met dagtekening 23 februari 2018 voor het jaar 2015 een aanslag in de IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.648.

1.1.3.

Aan belanghebbende is met dagtekening 9 maart 2018 voor het jaar 2016 een aanslag in de IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.902.

1.2.

Na tegen de hiervoor vermelde belastingaanslagen gemaakte bezwaren heeft de inspecteur bij (in één geschrift vervatte) uitspraken op bezwaar (d.d. 14 mei 2018) die aanslagen gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 22 juli 2019 heeft de rechtbank de tegen voormelde uitspraken op bezwaar door belanghebbende ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 4 september 2019, aangevuld bij brief van 2 oktober 2019. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 25 november 2019 een conclusie van repliek ingediend, de inspecteur heeft op 24 december 2019 een conclusie van dupliek ingediend.

1.5.

Beide partijen hebben het Hof toestemming verleend tot het achterwege laten van het onderzoek ter zitting als bedoeld in artikel 8:56 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet. Hierop heeft het Hof het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

“1. Eiseres verricht sinds 2006 activiteiten ten name van [v.o.f.] (hierna ook: de v.o.f.). De firmanten zijn eiseres en de heer [Y] . De v.o.f. is gevestigd op het adres [...] te [Z] , tevens het woonadres van eiseres en de heer [Y] . De activiteiten bestaan volgens de beschrijving in de Kamer van Koophandel uit “schrijven en overige scheppende kunst en winkel in schilderijen, prenten, kunstvoorwerpen en religieuze artikelen”.

2. Tot en met het jaar 2015 zijn de resultaten in de aangiften ib/pvv van de firmanten aangegeven als resultaat uit overige werkzaamheden; vanaf het jaar 2016 zijn de resultaten aangegeven als winst uit onderneming.

3. Verweerder heeft met ingang van 4 oktober 2017 een boekenonderzoek ingesteld bij de v.o.f. en de beide firmanten naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting respectievelijk inkomstenbelasting over de jaren 2014 tot en met 2016.

4. Blijkens de aangiften ib/pvv van beide firmanten heeft de v.o.f. in de jaren 2009 tot en met 2016 de volgende resultaten behaald:

Jaar

Omzet

Resultaat v.o.f.

2009

€ 984

€ 555

2010

€ 856

€ 728

2011

€ 54

€ 54

2012

€ 1.133

-/- € 15.011

2013

€ 300

-/- € 7.388

2014

€ 120

-/- € 6.520

2015

€ 184

-/- € 13.026

2016

€ 496

-/- € 19.878

Totaal

€ 4.127

-/- € 60.486

5. In de aangifte ib/pvv over 2017 is een resultaat van de v.o.f. vermeld van -/- € 1.908.

6. Eiseres was in 2014 in loondienst bij [Stichting A] en [Stichting B] . In 2015 en in 2016 was eiseres alleen in loondienst bij [Stichting B] . Het bruto-inkomen bedroeg in 2015 € 51.661 en in 2016 € 56.624.”

2.2.

Nu voormelde door de rechtbank vastgestelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan.

2.3.

Daarnaast stelt het Hof vast dat in de tot de gedingstukken behorende aangifte IB/PVV van belanghebbende voor het jaar 2016 een aftrekbaar bedrag aan uitgaven voor specifieke zorgkosten is vermeld van € 1.556 (rubriek 33). Verder is in de aangifte een aftrekbaar bedrag voor scholingsuitgaven vermeld van € 3.447 (rubriek 35). In de aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 van de fiscale partner van belanghebbende, de heer [Y] , zijn dezelfde bedragen te vinden (zie de uitspraak van het Hof van heden in de zaken met kenmerken 19/01340 tot en met 19/01342). Van het totale bedrag van de persoonsgebonden aftrek die in de aangiften van beide partners is opgenomen, is in de aangifte van belanghebbende € 3.447 in mindering gebracht op het inkomen in box 1 (gelijk het bedrag van de geclaimde aftrek voor scholingsuitgaven; rubriek 56). In de aangifte van de heer [Y] is de resterende € 1.556 in mindering gebracht op zijn inkomen in box 1 (gelijk het bedrag aan de geclaimde aftrek voor uitgaven voor specifieke zorgkosten; zie de uitspraak van het Hof van heden in de zaken met kenmerken 19/01340 tot en met 19/01342).

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In hoger beroep is in geschil of de activiteiten ten name van [v.o.f.] (hierna: de vof) een bron van inkomen opleveren, en in het bijzonder of belanghebbende met die activiteiten in 2014, 2015 en 2016 redelijkerwijs kon verwachten voordeel te behalen (objectieve voordeelsverwachting).

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

5 Kosten

6 Beslissing