Home

Gerechtshof Amsterdam, 29-04-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1391, 20/00187

Gerechtshof Amsterdam, 29-04-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1391, 20/00187

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29 april 2021
Datum publicatie
19 mei 2021
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2021:1391
Zaaknummer
20/00187

Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslag IB/PVV 2013 is terecht opgelegd door de inspecteur; geen sprake van een ambtelijk verzuim. Ook geen sprake van handelen in strijd met het correctiebeleid van de Belastingdienst.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 20/00187

29 april 2021

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: M. Collij)

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 19/2163 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

belanghebbende.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2013 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd (hierna: IB/PVV), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.983.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag deels gehandhaafd. Het belastbaar inkomen van belanghebbende is verminderd naar € 19.966.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij uitspraak van 4 februari 2020 (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’) als volgt beslist:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade van eiseres tot een bedrag van € 500;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 525;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiseres te vergoeden.”

1.4.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep heeft het Hof ontvangen op 16 maart 2020. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Het Hof heeft nadere stukken ontvangen van belanghebbende op 31 maart 2021.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2021. Aldaar is verschenen de gemachtigde van belanghebbende, voornoemd. Namens de inspecteur zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] . Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld.

“1. Op 25 maart 2014 heeft eiseres de aangifte IB/PVV voor het jaar 2013 ingediend. In deze aangifte heeft eiseres – voor zover van belang – een bedrag van -/- € 6.556 als inkomsten uit eigen woning aangegeven, en een bedrag van € 5.350 als persoonsgebonden aftrek voor specifieke zorgkosten in aanmerking genomen. Bij het doen van deze aangifte heeft eiseres gebruik gemaakt van de hulp van haar gemachtigde, M. Collij.

2. Verweerder heeft op 14 april 2015 de aanslag IB/PVV 2013 vastgesteld overeenkomstig de aangifte van eiseres.

3. De Belastingdienst heeft in de periode 2013-2015 een onderzoek ingesteld naar het functioneren van de gemachtigde als belastingconsulent.

4. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft verweerder bij brief van 14 maart 2017

– voor zover van belang – eiseres verzocht de in aftrek gebrachte rente in verband met de eigen woning en de aftrekpost specifieke zorgkosten nader te onderbouwen. Eiseres heeft naar aanleiding hiervan nadere gegevens aan de Inspecteur verstrekt.

5. Verweerder heeft bij het vaststellen van de navorderingsaanslag de aftrek voor specifieke zorgkosten gecorrigeerd met een bedrag van € 1.034 en het inkomen uit eigen woning met een bedrag van € 1.186.

6. Eiseres heeft tegen de navorderingsaanslag bezwaar gemaakt. Verweerder heeft in de uitspraak op bezwaar de correctie met betrekking tot het inkomen uit eigen woning gehandhaafd en de correctie met betrekking tot de specifieke zorgkosten verminderd tot een bedrag van € 17.

7. In de aangifte, de navorderingsaanslag en de uitspraak op bezwaar gaat het voor wat betreft de aftrek specifieke zorgkosten om de volgende bedragen:

Aangifte

Navordering

UOB

Kosten medicijnen

€ 268

€ 229

€ 229

Uitgaven voor hulpmiddelen

€ 1.418

€ 803

€ 1451

Uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit

€ 300

€ 300

€ 300

Extra uitgaven voor kleding en beddengoed

€ 310

€ 310

€ 310

Genees- en heelkundige hulp

€ 856

€ 1215

€ 852

+

Grondslag specifieke zorgkosten

€ 3.152

€ 2.857

€ 3.142

Verhoging specifieke zorgkosten

€ 2.595

€ 1.856

€ 2.588

+

Totaal uitgaven specifieke zorgkosten

€ 5.747

€ 4.713

€ 5.730

Drempel specifieke zorgkosten

€ 397

€ 397

€ 397

-

Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten

€ 5.350

€ 4.316

€ 5.333”

2.2.

Nu voormelde door de rechtbank vastgestelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. Hieraan voegt het Hof de volgende feiten toe.

2.3.

De gemachtigde van belanghebbende is werkzaam bij Werkkollektief Hoorn (WKH). Het kantoor van de gemachtigde van belanghebbende is onderwerp (geweest) van (strafrechtelijk) onderzoek. Tot de gedingstukken behoort een proces-verbaal (documentcode [nummer 1] ) van een verhoor van [naam 3] dat op 24 januari 2017 heeft plaatsgevonden. Het proces-verbaal vermeldt onder meer:

Vraag verbalisanten

Wat is uw functie bij de Belastingdienst?

Antwoord gehoorde

Ik ben nu zo’n 4,5 jaar Regiocoördinator bij de Belastingdienst. Sinds april 2015 werk ik

hier in Amsterdam. Daarvoor werkte ik in Amersfoort en voerde ik dezelfde functie uit. De

regio coördinator is aanspreekpunt voor de medewerkers van het PDB fraudeteam. PDB

staat voor Particulieren Dienstverlening Bezwaar. Ik bepaal de werkwijze binnen dit team

op de specifieke kenmerken van systeemfraudezaken. In de functie van regio coördinator

houd ik mij tevens bezig met de risicoanalyse van systeem fraudesignalen in de breedste

zin van het woord.

(…)

Vraag verbalisanten

Wat kunt u verklaren over het onderzoek, en de aanleiding hiertoe, van de

Belastingdienst naar Maatschap Werkkollektief Hoorn (hierna WKH)?

Antwoord gehoorde

In 2015 is WKH opgevallen bij het CAF door het door hun hoge percentage ingediende

aangiften IH waarin aftrek zorgkosten voor hun belastingplichtige klanten was opgevoerd.

Het percentage lag ongeveer 4 maal hoger dan op basis van het landelijk gemiddelde

mocht worden verwacht.

(…)

Naar aanleiding van de correcties die blijken uit de blauwdruk is voor een gedeelte van

de klanten van WKH in 2015 een afwijkende behandeling ingebracht zodat de aangiften

IH niet geautomatiseerd zouden worden behandeld. Voor een groot gedeelte van de

klanten van WKH waren de aanslagen IH 2014 en eerder al definitief vastgesteld. Voor

een ander gedeelte van de klanten welke persoonsgebonden aftrek hadden opgevoerd in

de aangiften IH 2014 is dus de afwijkende behandeling toegepast en zijn vragenbrieven verstuurd Dit om de juistheid van de opgevoerde aftrekposten te kunnen controleren.

(…).”

2.4.

Tot de gedingstukken behoort nog een ambtsedige verklaring van [naam 3] van 21 december 2018. In het stuk is onder meer opgenomen:

“Ik, [naam 3] , regiocoördinator systeemfraude IH, verklaar, op de belofte bij de aanvang mijner bediending afgelegd, het volgende.

Begin 2015 is door de Belastingdienst een analyse uitgevoerd voor aangiften inkomstenbelasting die onder vermelding van een beconnummer werden ingestuurd. Hierbij viel het beconnummer [nummer 2] van Maatschap Werkcollectief Hoorn (hierna: WKH) op vanwege het hoge percentage aangiften met zorgkosten. Via dit beconnummer werden veel meer aangiften met een aftrek zorgkosten ingestuurd dan op basis van het landelijk gemiddelde zou mogen worden verwacht. (…) Met dagtekening 30 juni 2015 zijn daartoe 173 vragenbrieven verstuurd voor aangiften IH 2014 van WKH waarin een aftrek zorgkosten was opgevoerd en waarvoor nog geen definitieve aanslag was vastgesteld. Het grootste deel van de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekering 2012 tot en met 2014 was op dat moment echter al geautomatiseerd vastgesteld.

Naar aanleiding van de bevindingen bij de behandeling van deze aangiften, is begin 2016 vervolgens een signalering ingebracht, die er voor zorgde dat de aangiften die vanaf dat moment zouden worden ingediend onder beconnummer van WKH, zouden worden uitgeworpen voor inhoudelijke beoordeling van de aangifte. Op het moment van inbrengen van de signalering was nog niet duidelijk in hoeverre de bevindingen bij de behandeling van de 173 aangiften, representatief waren voor het aangiftegedrag van WKH. Ten tijde van het inbrengen van de signalering gold een algemene ondergrens van (…).

Tijdens de behandeling van deze aangiften wordt duidelijk dat slechts een beperkt gedeelte van de in aftrek gebrachte bedragen in de aangiften van WKH aannemelijk kan worden gemaakt. Dit leidt tot het op 9 november 2016 indienen van de preweeg waarin WKH wordt voorgedragen voor een strafrechtelijk onderzoek. Op 17 november 2016 is besloten het strafrechtelijk onderzoek in te stellen.

Met dagtekening 14 maart 2017 zijn via een zogenaamde centrale mailing 1.853 verzoeken om informatie over de aangiften 2012 tot en met 2015 verstuurd aan de klanten van WKH. Het overgrote deel van deze vragenbrieven was naar aanleiding van aangiften die zijn ingediend onder vermelding van beconnummer [nummer 2]. (…) Naar aanleiding van deze vragenbrieven zijn in veel gevallen navorderingsaanslagen opgelegd, omdat de opgevoerde zorgkosten niet aannemelijk gemaakt konden worden.”

2.5.

Tot de gedingstukken behoort ook een stuk getiteld ‘Correctiebeleid Belastingdienst 30 maart 2011’. In het stuk is onder meer als volgt opgenomen:

1. Context

In de visie van de Belastingdienst past het niet om aan belastingplichtige naar aanleiding van positieve correcties (op de grondslag) op te leggen, die slechts een “gering bedrag” aan te betalen belasting inhoudt.

(…)

2 Correctiebeleid

Een bedrag van niet meer dan € 225 kan als een “gering bedrag” beschouwd worden. Op basis hiervan geldt het volgende correctiebeleid:

1. Een te hanteren bedrag aan (minimaal) te betalen belasting naar aanleiding van correcties van € 225 per individuele belastingaanslag, dus per middel en belastingplichtige;

2. (…)

3. Het te hanteren bedrag bij een inkomenscorrectie bedraagt € 500;

4. Het te hanteren bedrag bij een navordering bedraagt € 450 (c.q. € 1.000 inkomen), behoudens in gevallen waarin sprake is van kwade trouw of repeterende onjuistheden. (…)”

3 Geschil voor het Hof

4 Overwegingen van de rechtbank

5 Beoordeling van het geschil

6 Kosten

7 Beslissing