Home

Gerechtshof Amsterdam, 18-05-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1402, 19/01663

Gerechtshof Amsterdam, 18-05-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1402, 19/01663

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18 mei 2021
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2021:1402
Zaaknummer
19/01663

Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslag IB/PVV. In geschil is of door belanghebbende de (in materiële zin) vereiste aangifte IB/PVV is gedaan en of terecht inkomen uit aanmerkelijk belang is bijgeteld. Het Hof oordeelt evenals de rechtbank dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Dit leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast. Anders dan belanghebbende betoogt (die een vergelijking maakt met de informatiebeschikking) geldt dit voor de volledige aanslag. Belanghebbende is er niet in geslaagd overtuigend aan te tonen dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

Uitspraak

kenmerk 19/01663

18 mei 2021

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende], wonende te [plaats], belanghebbende,

gemachtigde: mr. I. de Roos (Van Bavel Advocaten te Amsterdam),

tegen de uitspraak van 16 oktober 2019 in de zaak met kenmerk HAA 18/3539 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De inspecteur heeft met dagtekening 23 december 2014 aan belanghebbende voor het jaar 2011 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € nihil en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 183.362. Gelijktijdig is bij afzonderlijke beschikking een bedrag van € 4.021 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 4 juli 2018, de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld.

1.3.

De rechtbank heeft in haar uitspraak van 16 oktober 2019 het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen (per fax) op 25 november 2019, aangevuld bij brief van 24 december 2019. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Op 12 maart 2021 is een nader stuk ontvangen van belanghebbende. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2021. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak van [X], kenmerk 19/01662, echtgenoot van belanghebbende. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld (belanghebbende is hierin aangeduid als ‘eiseres’, de inspecteur als ‘verweerder’):

“1. De echtgenoot van eiseres is afgestudeerd in een technische studierichting. Begin jaren 90 van de vorige eeuw heeft de echtgenoot van eiseres een vertaalbureau opgezet in de vorm van een eenmanszaak. Sedertdien heeft hij met werkzaamheden als tolk/vertaler in zijn levensonderhoud voorzien.

2. In 1999 is de eenmanszaak van eiseres echtgenoot fiscaal geruisloos ingebracht in een B.V. genaamd [Y] B.V. (hierna: [Y] B.V), oprichtingsdatum 29 maart 1999. Bij oprichting zijn 95 aandelen van ieder ƒ 1.000 nominaal uitgegeven aan de echtgenoot. Hij is steeds enig aandeelhouder van [Y] B.V. geweest en heeft daarin dus een aanmerkelijk belang gehad.

3. Uit de aangifte vennootschapsbelasting (hierna: vpb) 2004 van [Y] B.V. blijkt dat sprake is geweest van een zogeheten geruisloze inbreng. Het fiscaal gestorte kapitaal € 9.076 bedraagt en wijkt derhalve af van het civielrechtelijk geplaatste kapitaal van € 43.109 (= ƒ 95.000). In de uitspraak op bezwaar is van deze gegevens uitgegaan en is de verkrijgingsprijs van de echtgenoot voor zijn aanmerkelijk belang in [Y] B.V. op € 9.076 gesteld.

4. De fiscale winstreserves van [Y] B.V. bedroegen volgens de aangifte vpb 2010

ultimo 2010 € 314.868.

5. Volgens opgaaf van de gemachtigde bedroeg de rekening-courantschuld van de echtgenoot van eiseres aan [Y] B.V. per 1 januari 2011 € 216.256. De aangifte vpb 2010 van [Y] B.V. vermeldt per ultimo 2010 een bedrag van € 232.257 aan ‘vorderingen op groepsmaatschappijen’.

6. Over de rekening-courantschuld van de echtgenoot van eiseres aan [Y] B.V. is in ieder geval na 2000 nimmer rente berekend.

7. Op 17 januari 2011 mailt de echtgenoot van eiseres aan zijn toenmalige adviseur [de toenmalig adviseur] dat hij eind 2010 gelden van privérekeningen heeft overgemaakt om, aldus de echtgenoot van eiseres, “mijn schulden bij de BV deels terug te betalen.” Wat later, op 26 januari 2011, mailt hij in dit verband: “Ik had schulden bij de BV. Nu is een deel afgelost.” De aflossing uit 2010 blijkt ook uit de bijlage 1 bij het beroepschrift.

8. Verder had [Y] B.V. een pensioenverplichting jegens de echtgenoot van eiseres met een fiscale boekwaarde ultimo 2010 van € 52.699. Van deze pensioenverplichting is nooit een schriftelijke al dan niet ondertekende vastlegging overgelegd.

9. In 2011 was eiseres gehuwd met [X] en was sprake van fiscaal partnerschap.

10. In de zomer van 2011 is eiseres vanuit Curaçao naar Nederland geremigreerd; volgens opgave van de Gemeentelijke Basisadministratie is zij op 10 oktober 2011 ingeschreven.

11. Eiseres en haar echtgenoot hebben tijdens de periode van hun verblijf te Curaçao de woning aan de [adres] aangehouden. Het laatste adres voor vertrek naar Curaçao is gelijk aan het adres na terugkomst naar Nederland.

12. Op 19 december 2011 heeft de echtgenoot van eiseres al zijn aandelen in [Y] B.V. verkocht voor een bedrag van € 419.425 aan [Z] ; een derde. De koopsom werd voor een bedrag groot € 419.424 voldaan door overname door de koper van de rekening-courantschuld die eiser op dat moment aan [Y] B.V. had.

13. [Y] B.V. heeft in 2011 geen inkomsten meer gegenereerd.

14. Niet gebleken is dat ten tijde van de overdracht van de aandelen enige nadere afspraak met de koper is gemaakt over de naleving door [Y] B.V. van de jegens de echtgenoot van eiseres bestaande pensioenverplichting.

15. [Y] B.V. heeft geen aangiften vennootschapsbelasting ingediend over de jaren 2011 en daarna.

16. Over de inkomens- en vermogenspositie van de echtgenoot van eiseres kan nog het volgende worden opgemerkt. In 2008 heeft hij onroerende zaken in Curaçao gekocht. In zijn aangifte IB/PVV 2012 maakt hij melding van bezit van onroerende zaken te Curaçao voor een waarde van € 175.000 zonder enige daarmee corresponderende schuld. Volgens dezelfde aangifte heeft de echtgenoot van eiseres in 2012 een winstinkomen van bijna € 48.000 gegenereerd. In 2015 heeft hij, blijkens de tot de gedingstukken behorende berichten via e-mailverkeer, ten behoeve van de ontvanger een bankgarantie van € 70.000 af te geven. Uit de door de echtgenoot van eiseres ingediende aangifte IB/PVV over het jaar 2016 blijkt dat de echtgenoot van eiseres in 2016 ruim € 92.000 winst heeft genoten, blijkt hij samen met eiseres over een overwaarde in de eigen woning te beschikken en eveneens samen met zijn fiscale partner aangifte te doen van een belastbaar vermogen in box 3 van meer dan € 380.000.”

De hiervoor vermelde feiten zijn tussen partijen niet in geschil, zodat ook het Hof daarvan zal uitgaan, behoudens de kwalificatie van de geldopnamen door de echtgenoot van belanghebbende van [Y] B.V. (hierna: [Y] BV) als rekening-courantschuld in de uitspraak van de rechtbank, omdat belanghebbende in hoger beroep heeft gesteld dat deze opnamen niet op een verstrekking ten titel van rekening-courantkrediet berustten. Het Hof vult de feiten als volgt aan.

2.2.

Belanghebbende is in 2008 met haar gezin naar Curaçao verhuisd.

2.3.

In de akte van levering van de aandelen in [Y] BV door de echtgenoot van belanghebbende aan de [Z] is onder meer het volgende vermeld:

“B. Koopsom(…)3. Een gedeelte van de koopsom ten bedrage van (…) € 419.424,00 (…) wordt voldaan door overneming van de schuld in rekening-courant die de verkoper heeft aan de vennootschap ten bedrage van (…) € 419.424,00 (…).”

2.4.

In een e-mail van de echtgenoot van belanghebbende van 26 januari 2011 aan zijn toenmalige belastingadviseur is onder meer het volgende vermeld:

“Ik had schulden bij de BV. Nu is een deel afgelost (68000). Ik moet nu een balans opmaken hoeveel schulden ik heb. Vervolgens een leningcontract opmaken met een zachte rente voor die schulden en ook voor de rest van het tegoed, dat ik in de loop van 2011 nodig heb voor de bouw (…).”

2.5.1.

In een brief van de inspecteur aan belanghebbende van 22 december 2014 is onder meer het volgende vermeld:

“Reden om een navorderingsaanslag op te leggen(…)Uit verstrekte informatie blijkt dat uw echtgenoot op 19 december 2011 uw 100% belang in [[Y] BV] heeft verkocht aan [Z]. De prijs voor aandelen bedroeg € 419.425. Dat bedrag zou betaald moeten worden door overname van de vordering ad € 419.424 van [[Y] BV] op uw echtgenoot en daarnaast betaling van € 1.(…)Uit de verstrekte balans van [[Y] BV] blijkt dat er op het moment van verkoop sprake is van een rekening courant met de directeur grootaandeelhouder (met uw echtgenoot) ter grootte van € 419.424. daarnaast heeft de B.V. nog een pensioenverplichting op de balans staan van 52.699. Uit de pensioenbrief blijkt dat uw echtgenoot de verzekerde persoon is.(…)

Inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2)Ondanks dat (…) uw echtgenoot zijn aandelen [[Y] BV] heeft verkocht voor een prijs van € 419.425 heeft hij in zijn aangifte geen melding gemaakt van een aanmerkelijk belangwinst.De aanmerkelijk belangwinst heb ik vastgesteld op € 366.725, zijnde het verkoopbedrag verminderd met het bedrag dat wordt aangemerkt als afkoop pensioen.Nu uw fiscale partner [X] en u geen keuze hebben gemaakt om eventuele gezamenlijke inkomensbestanddelen aan een van beiden toe te delen,

Zal het inkomen uit aanmerkelijk belang gelijkelijk verdeeld worden over beiden.Dit houdt in dat u een correctie inkomen uit aanmerkelijk belang krijgt van € 183.362.

2. BerekeningBelastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2)Het aangegeven voordeel uit aanmerkelijk belang € 0Totaalbedrag van de afwijking(en) € +183.362Vastgesteld belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang € 183.362”

2.5.2.

De verkrijgingsprijs van de aandelen in [Y] BV bedraagt € 9.076.

2.6.1.

In het beroepschrift is onder meer het volgende vermeld:

“10. Vanaf de oprichting van [Y] BV in 1999 nam [de echtgenoot van belanghebbende], in overleg met zijn toenmalig adviseur, gelden op uit [[Y] BV] voor privédoeleinden. Deze opgenomen gelden werden zowel bij [de echtgenoot van belanghebbende] als bij [[Y] BV] als rekening courant geadministreerd.”

2.6.2.

In het hogerberoepschrift is onder meer het volgende vermeld:

“14. In de jaren 1999 t/m 2005 is de administratie verzorgd door (…). Dit betrof zowel de administratie van [Y] BV als de administratie van [de echtgenoot van belanghebbende] persoonlijk. Zowel in de aangiften vennootschapsbelasting van [Y] BV als in de aangiften inkomstenbelasting van [de echtgenoot van belanghebbende] zijn de opgenomen gelden geadministreerd als rekening courant schuld van [de echtgenoot van belanghebbende] aan [Y] BV.(…)18. In de jaarstukken van [Y] BV alsmede in de door [de toenmalig adviseur] verzorgde aangiften vennootschapsbelasting (vanaf 2006) staan de opgenomen gelden geadministreerd als “vordering aandeelhouder”.”

2.7.

In het verweerschrift in eerste aanleg is onder meer het volgende vermeld:

“Uit het door gemachtigde ingenomen standpunt volgt dat niet in geschil is dat belanghebbende en (…) [X] in 2011 in de binnenlandse periode inkomsten uit aanmerkelijk belang hebben genoten welke ten onrechte niet in enige aangifte IB/PVV over 2011 zijn verantwoord. Deze inkomsten bestaan volgens gemachtigde dan uit opnamen in rekening-courant gedaan in de binnenlandse periode van 2011.

Volgens gemachtigde bedraagt de omvang van deze niet-aangegeven inkomsten uit aanmerkelijk belang € 28.039. Daarvan is op grond van artikel 2.17 lid 3 Wet inkomstenbelasting 2001 in beginsel de helft toerekenbaar aan belanghebbende, dus € 14.019. De hiermee samenhangende belasting bedraagt € 3.504, Zelfs als rekening wordt gehouden met het bedrag van de algemene heffingskorting ad € 1.987 (…), resteert nog een netto-belastingbelang van € 1.507.”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In geschil is of door belanghebbende voor het jaar 2011 de (in materiële zin) vereiste aangifte ib/pvv 2011 is gedaan en – indien dat niet het geval is – of dat dan voor de volledige aanslag heeft te leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast.

3.2.

Tevens is in geschil of de inspecteur ter zake van de door de echtgenoot van belanghebbende van [Y] BV opgenomen gelden terecht – al dan niet met omkering en verzwaring van de bewijslast – inkomen uit aanmerkelijk belang heeft bijgeteld.

4 Oordeel van de rechtbank

5 Beoordeling van het geschil

6 Kosten

7 Beslissing