Home

Gerechtshof Amsterdam, 11-05-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1565, 20/00363

Gerechtshof Amsterdam, 11-05-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1565, 20/00363

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11 mei 2021
Datum publicatie
2 juni 2021
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2021:1565
Zaaknummer
20/00363

Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslag IB/PVV 2013. Belanghebbende is niet geslaagd in de op haar rustende bewijslast om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die het oordeel rechtvaardigen dat aan belanghebbende recht op aftrek toekomt. Geen sprake van handelen in strijd met het verbod op willekeur of het gelijkheidsbeginsel door de inspecteur. Vermindering van de proceskostenvergoeding; geen vergoeding als bezwaar volledig in stand is gebleven.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 20/00363

11 mei 2021

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en het incidenteel hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: M. Collij)

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 19/168 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 16 september 2017 aan belanghebbende een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2013 opgelegd (hierna: IB/PVV), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.259.

1.2.

Bij uitspraak van 9 november 2018 heeft de inspecteur het daartegen gemaakte bezwaar door belanghebbende afgewezen en de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij uitspraak van 3 juni 2020 (waarin belanghebbende wordt aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’) als volgt beslist:

“De rechtbank:

-

verklaart het beroep ongegrond;

-

veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade van eiseres tot een bedrag van € 1.000;

-

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 786;

-

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiseres te vergoeden.”

1.4.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank door de inspecteur ingestelde hoger beroep heeft het Hof ontvangen op 17 juni 2020. Belanghebbende heeft op 28 juli 2020 een verweerschrift ingediend. In hetzelfde geschrift heeft zij incidenteel hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft de zienswijze van de inspecteur over het incidenteel hoger beroep ontvangen op 28 september 2020. Belanghebbende heeft op 14 april 2021 nadere stukken ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2021. Aldaar is verschenen de gemachtigde van belanghebbende, voornoemd. Namens de inspecteur zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] . Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in deze uitspraak is het belastbaar inkomen uit werk en woning aangeduid als ‘biww’).

“1. Op 13 november 2014 heeft eiseres haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2013 ingediend en daarbij een biww aangegeven van € 30.160, bestaande uit een inkomen uit vroegere dienstbetrekking van € 17.771, een resultaat uit overige werkzaamheden (ROW) van € 14.939 en een aftrek voor specifieke zorgkosten van € 2.550. Het ROW bestaat uit € 15.979 aan baten en € 1.040 kosten.

2. Met dagtekening 10 december 2014 heeft verweerder eiseres de aanslag opgelegd. Conform de aangifte is de aanslag berekend naar een biww van € 30.160.

3. De gemachtigde van eiseres is werkzaam bij Werkkollektief Hoorn (hierna: WKH). Verweerder is in 2015 begonnen aan een onderzoek dat in april 2015 leidde tot de conclusie dat er een verhoogd risico was op onjuistheden in de door WKH ingediende aangiften IB/PVV. Als gevolg hiervan is er een steekproef gedaan en zijn op 30 juni 2015 vragenbrieven gezonden in 173 zaken. Naar aanleiding van de resultaten van deze vragenbrieven is geconcludeerd dat het onderzoek moest worden uitgebreid en is besloten alle digitaal door WKH ingediende aangiften waarbij de aftrekposten boven een bepaald bedrag uitkwamen te onderzoeken.

4. In het kader van het in 3 vermelde onderzoek heeft verweerder eiseres per brief van 14 maart 2017 gevraagd om informatie over het door haar aangegeven ROW en de in aftrek gebrachte specifieke zorgkosten.

5. Per brief van 29 juni 2017 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat hij voornemens was haar een navorderingsaanslag op te leggen omdat zij geen informatie had verstrekt over de kosten van het ROW en de aftrek specifieke zorgkosten. De navorderingsaanslag zou worden opgelegd naar een biww van € 33.750 (€ 30.160 + € 2.550 + € 1.040).

6. Per e-mailbericht van 2 augustus 2017 heeft eiseres gereageerd op de brief van verweerder van 29 juni 2017. Per brief van 30 augustus 2017 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij recht had op aftrek kosten ROW van € 150 en aftrek specifieke zorgkosten van € 341.

7. Met dagtekening 16 september 2017 heeft verweerder eiseres de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd en de rentebeschikking gegeven. De navorderingsaanslag is berekend naar een biww van € 33.259 (€ 33.750 -/- € 150 -/- € 341). Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder de navorderingsaanslag en de rentebeschikking gehandhaafd.”

2.2.

Nu voormelde door de rechtbank vastgestelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. Daarnaast stelt het Hof de volgende feiten vast.

2.3.

Bij het vaststellen van de navorderingsaanslag is een bedrag van € 150 in aanmerking genomen voor reis- en telefoonkosten (ter bepaling van het resultaat uit overige werkzaamheden), en een aftrek specifieke zorgkosten van € 341.

3 Geschil voor het Hof

3.1.

In het principale hoger beroep is in geschil of de rechtbank de inspecteur terecht heeft veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende in de bezwaarfase. In het incidenteel hoger beroep is in geschil of belanghebbende recht heeft op aftrek reiskosten overeenkomstig haar aangifte en de primitieve aanslag, dan wel of navordering in zoverre op basis van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur achterwege had dienen te blijven.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4 Beoordeling van het geschil in het incidenteel hoger beroep

5 Beoordeling van het geschil in het principaal hoger beroep

6 Kosten

7 Beslissing