Home

Gerechtshof Amsterdam, 23-11-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:3794, 20/00622

Gerechtshof Amsterdam, 23-11-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:3794, 20/00622

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23 november 2021
Datum publicatie
7 februari 2022
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2021:3794
Formele relaties
Zaaknummer
20/00622

Inhoudsindicatie

IB/PVV. Overeenkomst Rijnvarenden. Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Overeenkomst Rijnvarenden is de Nederlandse wetgeving van toepassing, zodat belanghebbende in Nederland verzekerd en premieplichtig is voor de volksverzekeringen.

Uitspraak

kenmerk 20/00622

23 november 2021

uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. J.H. Weermeijer)

tegen de uitspraak van 28 september 2020 in de zaak met kenmerk HAA 19/3499 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft bij beschikking van 6 juni 2018 belanghebbendes verzoek om ambtshalve vermindering van de aan belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2012 afgewezen.

1.2.

Belanghebbende heeft hiertegen op 19 juli 2018 bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 14 juni 2019, het bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Bij uitspraak van 28 september 2020 heeft de rechtbank het beroep als volgt beslist:

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eiser geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 525; en

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.”

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen bij faxbericht van 21 oktober 2020, en nader aangevuld bij faxbericht van 20 november 2020. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Van de zijde van belanghebbende zijn op 17 januari 2021 en 20 januari 2021 bij de griffie van het Hof nadere stukken ingekomen. Een kopie hiervan is aan de wederpartij gezonden.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2021. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

“Feiten

1. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit. In 2012 woonde eiser in Nederland.

2. Eiser is het gehele belastingjaar 2012 in dienstbetrekking werkzaam geweest bij [naam 1] , gevestigd te Luxemburg ( [naam 1] ).

3. Eiser heeft in de periode van 1 januari tot en met 31 mei 2012 vanwege ziekte een uitkering ontvangen van de Caisse Nationale de Santé in Luxemburg (CNS). In verband met de uitkering zijn in Luxemburg inkomstenbelasting en premies voor sociale verzekeringen betaald.

4. Eiser heeft in de periode van 1 juni tot en met 31 december 2012 voor zijn Luxemburgse werkgever werkzaamheden verricht aan boord van een binnenschip, te weten het motortankschip [naam 2] ( [naam 2] ) [Het Hof: hierna ook wel aangeduid als ‘het schip’]. De werkzaamheden zien op het internationaal vervoer over Europese binnenwateren. [naam 2] is voorzien van een certificaat als bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte. [naam 2] is ook voorzien van een Rijnvaartverklaring met dagtekening 14 april 2008. In deze verklaring is opgenomen dat de eigenaar van het motortankschip [naam 2] in 2012 de heer [naam 3] is. Voorts is in deze verklaring opgenomen dat de exploitant van het motortankschip [naam 2] in 2012 is de heer [naam 3] , handelend onder de naam [naam 4] te [plaats] . Eiser heeft voor deze werkzaamheden loon ontvangen waarover in Luxemburg inkomstenbelasting en premies voor sociale verzekeringen zijn geheven.

5. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2012 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen met dagtekening 17 oktober 2014 (de aanslag) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.490. Tegelijk met de aanslag heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 327 aan belastingrente in rekening gebracht. Bij de berekening van de verschuldigde belasting is een aftrek elders belast van € 762 in aanmerking genomen vanwege de door eiser in 2012 ontvangen uitkering van CNS.

6. Bij brief van 8 december 2017 heeft eiser tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Deze brief is mede aangemerkt als verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag.”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof voegt hier nog het volgende aan toe.

2.3.

Belanghebbende heeft in hoger beroep een tweetal e-mailberichten overgelegd.

Deze e-mailberichten luiden - voor zover relevant - als volgt:

* E-mailbericht van [naam 5] gericht aan de gemachtigde van belanghebbende d.d. 17 januari 2021:

“Hierbij verklaar ik [naam 5] , voormalig eigenaar van [naam 1] vele jaren Rijnvaarders te hebben ingezet op de MTS [naam 2] welk schip toendertijd toebehoorde aan de heer [naam 3] .

Ik weet niet anders dan dat in die jaren de heer [naam 3] alleen werkte voor [naam 6]

(…)”

* E-mailbericht van [naam 3] gericht aan de gemachtigde van belanghebbende d.d. 19 januari 2021:

“Hierbij verklaar ik [naam 3] eigenaar van het motortankschip mts [naam 2] dit ik jaren diverse personeelsleden via [naam 1] op het schip hebben gewerkt

Mede eigenaar is [naam 6] die het schip onderbracht bij [naam 7] die het schip bevrachte, vanaf 2017 varen we weer voor de [naam 6] (…)”

2.4.

Voorts heeft belanghebbende in hoger beroep een uitspraak op bezwaar met datum 16 november 2020 overgelegd. Deze uitspraak ziet op een andere zaak betreffende een andere cliënt van de gemachtigde. Uit deze uitspraak volgt onder meer dat die cliënt in het jaar 2016 in dienstbetrekking werkzaam was op een schip, niet zijnde de [naam 2] (zie hiervoor onder 4. van de rechtbankuitspraak).

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In geschil is of de uitspraak van de rechtbank juist is.

3.2.

Belanghebbende heeft in hoger beroep een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel onder verwijzing naar de onder 2.4. vermelde uitspraak op bezwaar.

4 Het oordeel van de rechtbank

5 Beoordeling van het geschil

6 Kosten

7 Beslissing