Home

Gerechtshof Amsterdam, 14-12-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:4312, 20/00614

Gerechtshof Amsterdam, 14-12-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:4312, 20/00614

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14 december 2021
Datum publicatie
23 februari 2022
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2021:4312
Zaaknummer
20/00614

Inhoudsindicatie

Naheffing van BPM. Van welke CO2-uitstoot dient te worden uitgegaan bij de berekening van de verschuldigde belasting?

Uitspraak

Kenmerk 20/00614

14 december 2021

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof)

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 20/2100 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft in juli 2018 een bedrag van € 631 aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) op aangifte voldaan ter zake van de registratie van een BMW 550i.

1.2.

De inspecteur heeft met dagtekening 11 oktober 2019 aan belanghebbende

een naheffingsaanslag bpm opgelegd van € 11.247, vermeerderd met een bedrag van € 322 aan belastingrente.

1.3.

Na tegen de hiervoor gemelde naheffingsaanslag door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 5 maart 2020 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.4.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft in haar uitspraak

van 14 september 2020 als volgt op het beroep beslist (belanghebbende en de inspecteur worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’ respectievelijk ‘verweerder’):

“De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een bedrag van € 7.985, vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.572;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178 aan eiser te vergoeden.”

1.5.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 20 oktober 2020. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2021. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld, waarbij belanghebbende wordt aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’:

Feiten

1. Op 2 juli 2018 heeft eiser BPM-aangifte gedaan ter registratie van een [auto]

.

2. De auto heeft een datum eerste toelating 21 maart 2013. De kilometerstand op het

moment van aangifte bedraagt 90.446.

3. Eiser heeft de aangifte gedaan met gebruikmaking van een in zijn opdracht opgemaakt taxatierapport van [A] . Hierbij is de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat bepaald aan de hand van koerslijst XRay op € 23.328. De auto heeft volgens eiser schade ten bedrage van € 21.806. Eiser heeft daarom de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat verminderd met 100% van de schade en bepaald op € 1.522. De alsdan verschuldigde bpm bedraagt € 631.

4. Op 5 juli 2018 heeft verweerder verzocht de auto voor controle van de aangegeven waarden te tonen op [B] te [C] .

5. Op 9 juli 2018 heeft eiser de auto getoond bij [B] en heeft het onderzoek waardebepaling plaatsgevonden. [B] is hierbij tot de conclusie gekomen dat de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld dient te worden op € 23.725. Hierbij is rekening gehouden met een waardevermindering ten gevolge van schade van € 358, zijnde 80% van de totale schade die door [B] is geconstateerd.

6. Met dagtekening 22 mei 2019 heeft verweerder een verzoek om informatie gestuurd en op 17 juni 2019 heeft verweerder dienaangaande een rappel gestuurd. Eiser heeft hierop niet gereageerd.

7. Met dagtekening 12 augustus 2019 heeft verweerder de kennisgeving naheffingsaanslag bpm verstuurd en op 17 september 2019 heeft verweerder de mededeling naheffingsaanslag bpm aan eiser toegezonden.

8. Met dagtekening 11 oktober 2019 heeft verweerder de naheffingsaanslag bpm opgelegd en vastgesteld op € 11.569. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 322.

9. Op 25 oktober 2019 heeft verweerder eisers bezwaar tegen de opgelegde naheffingsaanslag ontvangen.

10; Op 20 februari 2020 heeft het hoorgesprek naar aanleiding van het bezwaar plaatsgevonden. Hiervan is een verslag opgemaakt.

11. Met dagtekening 5 maart 2020 heeft verweerder uitspraak op het bezwaarschrift gedaan en verzonden. Het bezwaar is ongegrond verklaard.”

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag nog verder dient te worden verminderd. Meer in het bijzonder houdt partijen verdeeld van welke CO2-uitstoot dient te worden uitgegaan bij de berekening van de verschuldigde belasting.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Het oordeel van de rechtbank

5 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

6 Kosten

7 Beslissing