Home

Gerechtshof Amsterdam, 19-01-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:57, 19/00863 en 19/00864

Gerechtshof Amsterdam, 19-01-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:57, 19/00863 en 19/00864

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19 januari 2021
Datum publicatie
3 februari 2021
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2021:57
Zaaknummer
19/00863 en 19/00864

Inhoudsindicatie

Douane. Antidumpingheffing. Verzoek terugbetaling terecht afgewezen.

Uitspraak

kenmerken 19/00863 en 19/00864

19 januari 2021

uitspraak van de meervoudige douanekamer

op het hoger beroep van

[X] , gevestigd te [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. M. Ouwehand)

tegen de uitspraak van 21 mei 2019 in de zaken met kenmerken HAA 14/216 en HAA 14/218 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

Belanghebbende heeft op 22 december 2011 een verzoek om terugbetaling ingediend ten bedrage van € 18,89 aan antidumpingrechten. Bij beschikking van 29 juli 2013 heeft de inspecteur het verzoek afgewezen.

1.1.2.

Belanghebbende heeft op 22 december 2011 een verzoek om terugbetaling ingediend ten bedrage van € 12,83 aan antidumpingrechten. Bij beschikking van 29 juli 2013 heeft de inspecteur het verzoek afgewezen.

1.2.

Na daartegen gemaakte bezwaren heeft de inspecteur bij uitspraken op bezwaar, gedagtekend 3 december 2013, de beschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij beslissing van 5 december 2014 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie), betreffende de geldigheid van Verordening (EG) 1472/2006. Dit verzoek is door het Hof van Justitie geregistreerd onder zaaknummer C‑571/14.

1.4.

Op 4 februari 2016 heeft het Hof van Justitie arrest gewezen in de gevoegde zaken

C-659/13 en C-34/14 (C & J Clark International Ltd. en Puma SE, ECLI:EU:C:2016:74, hierna: Clark I). Het Hof heeft in dit arrest de verordeningen 1472/2006 en 1294/2009 – waarbij een definitief antidumpingrecht is ingesteld op schoeisel van oorsprong uit China en Vietnam – ongeldig verklaard, voor zover in strijd met het bepaalde in artikel 2, lid 7, onder b, en artikel 9, lid 5, van de Basisverordening 384/96 niet is beslist op verzoeken om behandeling als marktgerichte onderneming (bmo) en verzoeken om individuele behandeling (ib) van niet in de streekproef opgenomen Chinese en Vietnamese producten-exporteurs. De griffie van het Hof van Justitie heeft de rechtbank dit arrest toegezonden en gevraagd of zij, in het licht van dit arrest, haar verzoek van 5 december 2014 wilde handhaven. De rechtbank heeft het verzoek daarop ingetrokken. Bij beschikking van 11 april 2016 heeft de president van het Hof van Justitie bepaald dat zaak C‑571/14 wordt doorgehaald in het register van het Hof (ECLI:EU:C:2016:274).

1.5.

Bij uitspraak van 5 december 2016 heeft de rechtbank vragen voorgelegd aan het Hof van Justitie, ditmaal betreffende de geldigheid van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1647 van de Commissie van 13 september 2016 en Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1731 van de Commissie van 28 september 2016. Dit verzoek is door het Hof van Justitie geregistreerd onder zaaknummer C‑631/16.

1.6.

Op 15 maart 2018 heeft het Hof van Justitie arrest gewezen in de zaak C-256/16, Deichmann SE, ECLI:EU:C:2018:187(hierna: het Deichmann-arrest). De griffie van het Hof van Justitie heeft de rechtbank dit arrest toegezonden en gevraagd of zij, in het licht van dit arrest, haar verzoek van 5 december 2016 wilde handhaven. De rechtbank heeft het verzoek daarop ingetrokken. Bij beschikking van 17 april 2018 heeft de president van het Hof van Justitie bepaald dat zaak C‑631/16 wordt doorgehaald in het register van het Hof (ECLI:EU:C:2018:312).

1.7.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 21 mei 2019 de beroepen ongegrond verklaard.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof – vervat in twee separate hogerberoepschriften – ingekomen op 3 juli 2019 en nader gemotiveerd bij brieven van 23 juli 2019 (zaak 19/00863) en 27 augustus 2019 (zaak 19/00864). De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2020. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

“1. Op 7 juli 2005 heeft de Commissie via een bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie (2005/C 166/06) de inleiding aangekondigd van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Vietnam.

2. Met Verordening (EG) nr. 553/2006 van 23 maart 2006 heeft de Commissie een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Vietnam.

3. De Raad heeft op 5 oktober 2006 Verordening (EG) nr. 1472/2006, Publicatieblad nr. L275/1, 6 oktober 2006, uitgevaardigd tot instelling van een definitief antidumpingrecht en definitieve inning van het voorlopige recht op schoeisel met bovendeel van leder uit de Volksrepubliek China en Vietnam (hierna: Verordening 1472/2006). In artikel 3 van Verordening 1472/2006 is bepaald dat zij gedurende twee jaar van kracht is vanaf de dag volgende op die van bekendmaking in het Publicatieblad.

4. Bij een in het Publicatieblad van de Europese Unie van 3 oktober 2008 (PB C 251, blz. 21) bekendgemaakt bericht heeft de Commissie de inleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaald schoeisel met bovendeel van leder uit de Volksrepubliek China en Vietnam aangekondigd.

5. De Raad heeft op 22 december 2009 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 1294/2009, Publicatieblad L 352/1 van 30 december 2009, uitgevaardigd tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaald schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit Vietnam en van oorsprong uit de Volksrepubliek China, zoals uitgebreid tot bepaald schoeisel met bovendeel van leder verzonden vanuit de SAR Macau, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de SAR Macau, naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad (hierna: Uitvoeringsverordening 1294/2009. In artikel 2 van Verordening 1294/2009 is bepaald dat zij gedurende 15 maanden van kracht is vanaf de dag volgende op die van bekendmaking in het Publicatieblad.

6. Met Uitvoeringsverordening (EU) 2016/223 van 17 februari 2016, Publicatieblad L 41/3 van 18 februari 2016, heeft de Commissie een procedure vastgesteld voor de beoordeling van bepaalde verzoeken om behandeling als marktgerichte onderneming en verzoeken om individuele behandeling van producenten-exporteurs uit China en Vietnam en tot uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken C-659/13 en

C-34/14.

7. Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1647 van de Commissie van 13 september 2016 betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op schoeisel met bovendeel van leder, van oorsprong uit Vietnam en geproduceerd door - voor zover van belang - Golden Star Co Ltd, en tot uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14 (hierna: Uitvoeringsverordening 2016/1647) is gepubliceerd in Publicatieblad L 245/16 van 14 september 2016.

8. Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1731 van de Commissie van 28 september 2016 betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Vietnam en vervaardigd door General Footwear Ltd en tot uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14 (hierna: Uitvoeringsverordening 2016/1731) is gepubliceerd in Publicatieblad L 262/4 van 29 september 2016.

9. In de Uitvoeringsverordeningen 2016/1647 en 2016/1731 is de Commissie ingegaan op de rechtsgrondslag voor hervatting van de antidumpingprocedure en de rechtsgrondslag voor het opnieuw instellen van rechten. Het percentage antidumpingrecht is gehandhaafd op 16,5% respectievelijk 10%.”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. In aanvulling hierop voegt het Hof nog de volgende feiten toe.

2.3.

De door de rechtbank onder punt 6 genoemde Uitvoeringsverordening (EU) 2016/223 van 17 februari 2016 strekt tot uitvoering van het arrest Clark I (zie 1.4). Artikel 1 van deze verordening luidt:

“1. Nationale douaneautoriteiten die een verzoek hebben ontvangen om terugbetaling op grond van artikel 236 van het communautair douanewetboek, van bij Verordening (EG) nr. 1472/2006 of Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1294/2009 ingestelde antidumpingrechten die zijn geïnd door de nationale douaneautoriteiten, dat is gebaseerd op het feit dat een niet in de steekproef opgenomen producent-exporteur om BMO of IB had verzocht, zenden dit verzoek en eventuele ondersteunende documenten naar de Commissie.

2. Binnen acht maanden na ontvangst van het verzoek en van alle aanvullende documenten controleert de Commissie of de producent-exporteur inderdaad een BMO- of IB-verzoek had ingediend. Als dat het geval is, beoordeelt de Commissie dit verzoek en stelt zij opnieuw het toepasselijke recht in door middel van een uitvoeringsverordening van de Commissie, na de mededeling van feiten en overwegingen overeenkomstig artikel 20 van de basisverordening.

3. De nationale douaneautoriteiten moeten wachten op de bekendmaking van de toepasselijke uitvoeringsverordening van de Commissie tot het opnieuw instellen van de rechten vooraleer een beslissing te nemen over het verzoek om terugbetaling en kwijtschelding van antidumpingrechten.”

2.4.

In het Deichmann-arrest (zie 1.6) heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van voormelde verordening 2016/223.

2.5.

Het hoger beroep met nummer 19/00863 heeft betrekking op het onder 1.1.1 genoemde verzoek om terugbetaling, betreffende aangifteregel [nummer 1] van de maandaangifte over maart 2011 (€ 18,89). Het schoeisel dat het onderwerp vormt van dit verzoek is geproduceerd in Vietnam door Golden Star Co. Ltd. Na het vervallen van het antidumpingrecht als gevolg van het arrest Clark I is voor schoeisel van deze producent-exporteur het antidumpingrecht opnieuw ingesteld bij verordening 2016/1647 (zie rechtbank, punt 7).

2.6.

Het hoger beroep met nummer 19/00864 heeft betrekking op het onder 1.1.2 genoemde verzoek om terugbetaling, betreffende aangifteregel [nummer 2] van de maandaangifte over maart 2011 (€ 12,83). Het schoeisel dat het onderwerp vormt van dit verzoek is geproduceerd in China door General Footwear Ltd. Na het vervallen van het antidumpingrecht als gevolg van het arrest Clark I is voor schoeisel van deze producent-exporteur het antidumpingrecht opnieuw ingesteld bij verordening 2016/1731 (zie rechtbank, punt 8).

2.7.

In de overwegingen 19, 150, 151 en 152 van de preambule bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1395 van de Commissie van 18 augustus 2016 is het volgende vermeld:

(19) Met betrekking tot de invoer van [X] uit de VRC werden in zaak C-571/14 [Hof: dit betreft de prejudiciële vragen van de rechtbank in de onderwerpelijke zaak, zie 1.3 en 1.4] twee leveranciers in de VRC geïdentificeerd. (…) De tweede leverancier, General Shoes Limited, was ten onrechte als Chinese leverancier geïdentificeerd terwijl het bedrijf in Vietnam is gevestigd. Zoals aangegeven in overweging 150 werd dit later betwist door de Federation of the European Sporting Goods Industry („FESI”) die beweerde dat General Shoes Ltd in feite een Chinese leverancier was.

150) FESI betwistte de vaststelling in overweging 19 dat een van de leveranciers van [X] , General Shoes Limited, in de zaak voor de nationale rechtbank ten onrechte als Chinese leverancier was geïdentificeerd terwijl het bedrijf in Vietnam was gevestigd. FESI voerde aan dat de Commissie om nadere toelichting had moeten verzoeken en beweerde dat de onderneming gemakkelijk herkenbaar was als Chinese onderneming. FESI voerde aan dat het bedrijf weliswaar onder een andere naam op het steekproefformulier en op het BMO-aanvraagformulier stond tijdens het oorspronkelijke onderzoek (nl. als General Footwear Ltd) en dat de andere naam in de zaak van [X] voor de nationale rechtbank (nl. General Shoes Ltd) waarschijnlijk enkel is te wijten aan een vertaalfout. Daarom had het verzoek om BMO/IB van de Chinese onderneming General Footwear Ltd ook moeten zijn beoordeeld.

(151) General Footwear Ltd maakt deel uit van een bedrijvengroep met verbonden ondernemingen in China en Vietnam. Beide ondernemingen, een producent in Vietnam en een producent in China, dienden tijdens het oorspronkelijke onderzoek verzoeken om BMO/IB in. In het verzoek om BMO/IB van de Chinese onderneming wordt de naam voortdurend vermeld als „General Footwear Ltd” met een adres in China. De producent in Vietnam wordt vermeld als „General Shoes Ltd”. Uit het aanvraagformulier voor BMO/IB wordt echter niet duidelijk of de onderneming in kwestie eigenlijk Chinees of Vietnamees is. Daarom was het niet onredelijk aan te nemen dat de onderneming die in het dossier van de nationale rechtbank werd vermeld in feite Vietnamees was.

(152) In elk geval is de Commissie nog steeds voornemens het verzoek om BMO/IB van „General Footwear Ltd” (China) te beoordelen. In de geest van behoorlijk bestuur en om het lopende uitvoeringsproces niet onnodig te vertragen, zal die beoordeling echter het voorwerp uitmaken van een afzonderlijke rechtshandeling.

Laatstgenoemde rechtshandeling is de onder 2.6 genoemde verordening 2016/1731. Tussen partijen is niet in geschil dat het Chinese bedrijf dat in verordening 2016/1731 wordt aangeduid met de naam “General Footwear Ltd” de leverancier is van de goederen welke het onderwerp vormen van het hoger beroep met zaaknummer 19/00864.

2.8.

In zijn arrest van 19 juni 2019, C-612/16, C&J Clark International Ltd (hierna genoemd: Clark II), ECLI:EU:C:2019:508, heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van de onder 2.5 genoemde verordening 2016/1647, alsmede (de hier niet aan de orde zijnde) verordening 2016/1395.

2.9.

Op 16 maart 2011 heeft de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie (2011/C 82/04) medegedeeld dat de antidumpingmaatregel van Uitvoeringsverordening 1294/2009 per 31 maart 2011 komt te vervallen.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of het verzoek om terugbetaling terecht is afgewezen.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd verwijst het Hof naar het van de zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Het oordeel van de rechtbank

5 Beoordeling van het geschil

6 Kosten

7 Beslissing