Home

Gerechtshof Amsterdam, 16-06-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1790, 21/00021 t/m 21/00033

Gerechtshof Amsterdam, 16-06-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1790, 21/00021 t/m 21/00033

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16 juni 2022
Datum publicatie
27 juli 2022
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2022:1790
Formele relaties
Zaaknummer
21/00021 t/m 21/00033

Inhoudsindicatie

(Navorderings)aanslagen IB/PVV 2003 t/m 2015 en boetebeschikkingen. Het Hof oordeelt onder meer dat de door belanghebbende genoten middellijke winstuitdelingen een aanknopingspunt hebben met een ander land dan Nederland en vallen onder verlengde navorderingstermijn (art. 16 (4) AWR). Verder komt belanghebbende geen geslaagd beroep toe op de inkeerregeling (art. 67n AWR). Daarnaast is het Hof evenals de rechtbank van oordeel dat de inspecteur het bewijs voor de opgelegde vergrijpboeten volledig heeft geleverd op basis van wilsonafhankelijk bewijsmateriaal.

Uitspraak

kenmerken 21/00021, 21/00022, 21/00023, 21/00024, 21/00025, 21/00026, 21/00027, 21/00028, 21/00029, 21/00030, 21/00031, 21/00032 en 21/00033

16 juni 2022

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] ,

gemachtigde: mr. J. Berns (FT Advocaten)

tegen de uitspraak van 25 november 2020 in de zaken met kenmerken HAA 19/3818 tot en met 19/3830 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 4 december 2018 aan belanghebbende voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.316, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 45.262 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.811. Daarnaast heeft de inspecteur bij beschikking van 4 december 2018 een bedrag van € 6.647 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 12 juli 2019 de navorderingsaanslag verminderd tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.316, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 45.262 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.075 en de beschikking heffingsrente verminderd tot € 6.354.

1.2.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 4 december 2018 aan belanghebbende voor het jaar 2004 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.832, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 10.960 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.798. Daarnaast heeft de inspecteur bij beschikking van 4 december 2018 een bedrag van € 1.713 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 12 juli 2019 de navorderingsaanslag verminderd tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.832, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 10.960 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.089 en de beschikking heffingsrente verminderd tot € 1.442.

1.3.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 4 december 2018 aan belanghebbende voor het jaar 2005 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.207, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 19.810 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.722. Gelijktijdig is bij afzonderlijke beschikkingen € 2.611 aan heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 5.441 opgelegd.

1.3.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 12 juli 2019 de navorderingsaanslag verminderd tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.207, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 19.810 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 91, en voorts de beschikking heffingsrente verminderd tot € 2.378 en de vergrijpboete verminderd tot € 4.209.

1.4.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 4 december 2018 aan belanghebbende voor het jaar 2006 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 69.634, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van negatief € 1.113 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.163. Gelijktijdig is bij afzonderlijke beschikkingen € 187 aan heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 409 opgelegd.

1.4.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 10 juli 2019 de navorderingsaanslag, de heffingsrentebeschikking en de boetebeschikking verminderd tot nihil.

1.5.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 28 november 2018 aan belanghebbende voor het jaar 2007 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.376, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 5.900 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.221. Gelijktijdig is bij afzonderlijke beschikkingen € 328 aan heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 796 opgelegd.

1.5.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 10 juli 2019 de navorderingsaanslag verminderd tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.376, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 5.900 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.035, en voorts de beschikking heffingsrente verminderd tot € 181 en de vergrijpboete verminderd tot € 374.

1.6.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 4 december 2018 aan belanghebbende voor het jaar 2008 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 82.945, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 8.150 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.914. Gelijktijdig is bij afzonderlijke beschikkingen € 119 aan heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 990 opgelegd.

1.6.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 10 juli 2019 de navorderingsaanslag, de heffingsrentebeschikking en de boetebeschikking verminderd tot nihil.

1.7.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 1 december 2018 aan belanghebbende voor het jaar 2009 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 81.159, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 182.740 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.859. Gelijktijdig is bij afzonderlijke beschikkingen € 7.152 aan heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 23.787 opgelegd.

1.7.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 10 juli 2019 de navorderingsaanslag verminderd tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 81.159, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 182.740 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.175, en voorts de beschikking heffingsrente verminderd tot € 6.994 en de vergrijpboete verminderd tot € 18.931.

1.8.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 1 december 2018 aan belanghebbende voor het jaar 2010 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 76.202, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 92.881 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.455. Gelijktijdig is bij afzonderlijke beschikkingen € 4.581 aan heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 17.991 opgelegd.

1.8.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 10 juli 2019 de navorderingsaanslag verminderd tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 76.202, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 92.881 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.798, en voorts de beschikking heffingsrente verminderd tot € 4.304 en de vergrijpboete verminderd tot € 13.260.

1.9.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 8 december 2018 aan belanghebbende voor het jaar 2011 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.101, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 353.154 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.768. Gelijktijdig is bij afzonderlijke beschikkingen € 22.275 aan heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 90.940 opgelegd.

1.9.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 5 juli 2019 de navorderingsaanslag verminderd tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.101, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 352.041 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 822, en voorts de beschikking heffingsrente verminderd tot € 21.985 en de vergrijpboete verminderd tot € 75.044.

1.10.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 8 december 2018 aan belanghebbende voor het jaar 2012 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 80.952, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 486.742 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.762. Gelijktijdig is bij afzonderlijke beschikkingen € 23.085 aan belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 113.761 opgelegd.

1.10.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 16 juli 2019 de navorderingsaanslag verminderd tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 80.952, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 486.742 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.250, en voorts de beschikking belastingrente verminderd tot € 22.477 en de vergrijpboete verminderd tot € 89.495.

1.11.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 8 december 2018 aan belanghebbende voor het jaar 2013 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 84.929, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 108.084 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 19.462. Gelijktijdig is bij afzonderlijke beschikkingen € 2.845 aan belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 25.805 opgelegd.

1.11.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 16 juli 2019 de navorderingsaanslag verminderd tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 84.929, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 108.084 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.596, en voorts de beschikking belastingrente verminderd tot € 1.930 en de vergrijpboete verminderd tot € 9.031.

1.12.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 1 december 2018 aan belanghebbende voor het jaar 2014 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 92.354, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 82.366 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 13.589. Gelijktijdig is bij afzonderlijke beschikkingen € 567 aan belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 12.150 opgelegd.

1.12.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 16 juli 2019 de navorderingsaanslag, de belastingrentebeschikking en de boetebeschikking verminderd tot nihil.

1.13.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 15 maart 2019 aan belanghebbende voor het jaar 2015 een aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 69.760, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.345. Gelijktijdig is bij afzonderlijke beschikkingen € 214 aan belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 5.709 opgelegd.

1.13.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 16 juli 2019 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 69.760, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.345, en voorts de beschikking belastingrente en de vergrijpboete verminderd tot nihil.

1.14.

Belanghebbende heeft tegen de onder 1.1.2, 1.2.2, 1.3.2, 1.4.2, 1.5.2, 1.6.2, 1.7.2, 1.8.2, 1.9.2, 1.10.2, 1.11.2, 1.12.2 en 1.13.2 vermelde uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij de uitspraak van 25 november 2020 als volgt beslist:

“De rechtbank:

-

verklaart de beroepen met de zaaknummers HAA 19/3821 (2006), HAA 19/3823 (2008) en 19/3829 (2014) niet-ontvankelijk;

-

verklaart de beroepen met de zaaknummers HAA 19/3818 (2003), HAA 19/3819 (2004) en HAA 19/3830 (2015), alsmede de beroepen met de zaaknummers HAA 19/3820 (2005), HAA 19/3822 (2007), HAA 19/3824 (2009), HAA 19/3825 (2010), HAA 19/3826 (2011), HAA 19/3827 (2012) en HAA 19/3828 (2013) met betrekking tot de navorderingsaanslagen ib/pvv, ongegrond;

-

verklaart de beroepen met de zaaknummers HAA 19/3820 (2005), HAA 19/3822 (2007), HAA 19/3824 (2009), HAA 19/3825 (2010), HAA 19/3826 (2011), HAA 19/3827 (2012) en HAA 19/3828 (2013) met betrekking tot de boeten, gegrond;

-

vernietigt de uitspraken op bezwaar voor de jaren 2005, 2007, 2009, 2010, 2011, 2012 en 2013 voor zover deze betrekking hebben op de boeten;

-

vernietigt de boeten die zijn opgelegd voor de jaren 2012 en 2013;

-

vermindert de boeten voor de jaren 2005, 2007, 2009, 2010 en 2011 tot de bedragen zoals vermeld onder rechtsoverweging 45;

-

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;

-

wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af;

-

veroordeelt [de inspecteur] in de proceskosten van [belanghebbende] tot een bedrag van € 1.575; en

-

draagt [de inspecteur] op het betaalde griffierecht van € 47 aan [belanghebbende] te vergoeden.”

1.15.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen (per fax) op 8 januari 2021 en aangevuld bij brief van 8 februari 2021. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.16.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2021. Het hoger beroep is met instemming van partijen gelijktijdig behandeld met het hoger beroep van [vennootschap A] (hierna: [vennootschap A] ), met de kenmerken 21/00035 en 21/00036. Al hetgeen in één van deze zaken is overgelegd of verklaard, wordt eveneens geacht te zijn overgelegd of verklaard in de andere gelijktijdig behandelde zaken. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld:

Feiten

1. Belanghebbende] is gehuwd met [echtgenote] . [Belanghebbende] en zijn echtgenote zijn fiscaal partners.

2. [ Belanghebbende] is 100% aandeelhouder van [vennootschap B] , opgericht per 27 februari 2001. [vennootschap B] is 100% aandeelhouder van [vennootschap A] (hierna: [vennootschap A] ). Tot 10 december 2014 was het belang van [vennootschap B] in [vennootschap A] 50%. De andere 50% van de aandelen werd gehouden door [vennootschap C] , een vennootschap waarvan [A] (hierna: [A] ) 100% aandeelhouder was.

3. [vennootschap A] is op 6 februari 1998 opgericht en drijft een onderneming in de luchtvracht. In 2002 is door [belanghebbende] en [A] een constructie opgezet waarbij gefingeerde facturen op naam van [vennootschap D] (hierna: [vennootschap D] ), een bestaande Zwitserse vennootschap, werden opgemaakt en waarbij kosten in rekening werden gebracht aan [vennootschap A] . Deze kosten werden ten laste van de winst van [vennootschap A] gebracht en de bedragen werden direct overgemaakt naar de [bank] te Zwitserland, naar de coderekening met nummer [rekeningnummer 1] . Vanaf de coderekening zijn bedragen overgeboekt naar de persoonlijke [bank] -bankrekeningen van [belanghebbende] en [A] . De bankrekening van [belanghebbende] heeft nummer [rekeningnummer 2] .

4. [ Belanghebbende] heeft voor de jaren 2003 tot en met 2014 aangiften ib/pvv ingediend. [De inspecteur] heeft vervolgens voor deze jaren definitieve aanslagen ib/pvv opgelegd overeenkomstig de aangiften.

5. Op 27 september 2015 heeft in diverse media berichtgeving plaatsgevonden dat de Nederlandse Belastingdienst op 23 juli 2015 een groepsverzoek had gedaan aan Zwitserland met betrekking tot Nederlandse rekeninghouders bij [bank] . Directe aanleiding voor de berichtgeving in Nederland was de aankondiging van de Zwitserse autoriteiten in het Bundesblatt van 22 september 2015. Het groepsverzoek betreft een verzoek aan de Zwitserse Federale Belastingdienst om een overzicht van de [bank] -rekeninghouders te overleggen die een woonadres in Nederland hebben en die ondanks een schriftelijk verzoek van [bank] onvoldoende hebben aangetoond dat zij aan de belastingwetgeving gehoor geven. Hierbij gaat het om de volgende gegevens: voorna(a)m(en), achternaam, woonadres, geboortedatum, bankrekeningnummer(s) en de saldi op deze rekeningnummers van rekeninghouders, met een saldo van ten minste € 1.500, op 1 februari 2013, 1 januari 2014 en 31 december 2014.

6. [ Belanghebbende] heeft met dagtekening 9 oktober 2015 een inkeermelding gedaan bij de Belastingdienst met betrekking tot het door hem aangehouden vermogen in het buitenland. Dit betreft zijn rekening bij [bank] in Zwitserland. De rekening is in het jaar 2000 geopend en in 2014 gesloten.

7. Tot de stukken van het dossier behoort een brief van [de inspecteur] van 23 oktober 2018, waarin hij aan [belanghebbende] aankondigt voornemens te zijn om (navorderings)aanslagen met boeten op te leggen. In deze brief staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“(…)

Tijdens de behandeling van het inkeerverzoek is gebleken dat er geen volledige openheid van zaken is gegeven. Niet alle relevante gegevens, welke noodzakelijk zijn om de juiste belastingaanslag(en) op te leggen, zijn verstrekt. In deze situatie is geen sprake van inkeer.

Naar aanleiding van een verzoek om informatie wordt verklaard dat een vennootschap, waarin cliënt een aanmerkelijk belang heeft, omzet heeft verzwegen en dat er onttrekkingen box 2 niet zijn aangegeven. Deze meldingen komen nadat er door de fiscus vragen zijn gesteld en zijn daarom niet vrijwillig. Om deze reden is er geen sprake van inkeer.

Herkomst vermogen

In de begeleidende brief d.d. 22 augustus 2016 bij het inkeerverzoek wordt vermeld dat cliënt heeft beschikt over vermogen bij de [bank] onder nr. [rekeningnummer 2] welke niet in de aangiften inkomstenbelasting is aangegeven. In het inkeerverzoek wordt geen verklaring gedaan omtrent de herkomst van het vermogen.

Tijdens de analyse van de bankafschriften is geconstateerd dat over de jaren 2003 tot en met 2013 de Zwitserse [bank] rekening wordt gecrediteerd voor een totaalbedrag van € 1.051.101. Gebleken is dat deze bedragen met omschrijving ‘gutschriff’ niet afkomstig kunnen zijn uit het depot van rekening [rekeningnummer 2] .

Desgevraagd wordt verklaard dat deze crediteringen voordelen uit onderneming zijn, welke wordt gedreven in de vennootschap [ [vennootschap A] ]. Dit betreft de vennootschap waar cliënt en zijn zakenpartner een aanmerkelijk belang in hebben. Deze omzet is volgens verklaring niet aangegeven. Daarnaast wordt verklaard dat cliënt deze voordelen heeft onttrokken aan de vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft. Er wordt verzocht deze vennootschap in de inkeer te betrekken en de dividenduitkeringen in box 2 te belasten. De gevraagde bewijsstukken van de herkomst van de crediteringen worden in eerste instantie niet verstrekt.

Naar aanleiding van een verzoek om nadere informatie wordt vermeld dat er voldoende informatie is om de aanslagen op te leggen.

Uiteindelijk wordt nadere informatie verstrekt. Op 17 oktober 2017 wordt een brief van gemachtigde met bankstukken over de jaren 2002 tot en met 2014 ontvangen. Het betreft een rekening (hierna coderekening) bij de [bank] te Zwitserland onder nr. [rekeningnummer 1] . Volgens het openingsformulier is deze rekening op 29 december 1999 geopend door de voormalige zakenpartner van cliënt. De rekening is gesloten op 4 juli 2014. In de begeleidende brief van gemachtigde wordt verklaard dat er vanuit en ten laste van de vennootschap in Nederland betalingen zijn gedaan aan de coderekening welke ten laste van de fiscale winst van [ [vennootschap A] ] zijn gebracht.

Uit analyse van de bankstukken van de coderekening blijkt dat er bedragen worden overgeboekt naar de persoonlijke [bank] rekening van cliënt onder nr. [rekeningnummer 2] . Deze bedragen sluiten aan met de ‘onbekende’ creditboekingen ad € 1.051.101.

Op 15 februari 2018 wordt administratie van [ [vennootschap A] ] ontvangen. Hieruit blijkt dat de bedragen welke opkomen op de coderekening afkomstig zijn van de Raborekening van [ [vennootschap A] ]. Uit deze informatie blijkt ook dat de overboekingen ten laste zijn gebracht van de winst van de vennootschap.

Zie voor de gevolgen voor vennootschapsbelasting verder de kennisgeving navordering [ [vennootschap A] ].

Navorderingen Box 2

De bedragen welke van de coderekeningen worden overgeboekt naar de persoonlijke [bank] rekening van cliënt betreffen onttrekkingen uit de vennootschap waar cliënt een aanmerkelijk belang in heeft. Deze bedragen zijn via een speciaal hiervoor opgerichte onderneming ( [vennootschap D] ) rechtstreeks opgekomen op een buitenlandse bankrekening waardoor de verlengde navorderingstermijn van art 16 lid 4 Algemene Wet Rijksbelastingen van toepassing is.

Dit leidt tot correcties box 2 over de jaren 2003 tot en met 2013.

(…)

Debiteringen [bank] nr. [rekeningnummer 2]

De onderstaande overboekingen worden gedaan van de [bank] rekening.

datum

bedrag

Omschrijving

1. 11-12-2013

€ 34.690

Verguetungsautrag per telefon [B]

2. 20-12-2013

€ 200.000

Verguetungsautrag special [B] verguetung

3. 8-1-2014

€ 41.833

Verguetungsautrag per telefon [B]

4. 23-5-2014

€ 110.000

Verguetungsautrag per telefax [C]

5. 26-6-2014

€ 44.716

Verguetungsautrag per telefax [C]

Overboeking nr 1 tot en met 3

Geconstateerd is dat de volgende bedragen; € 34.690, € 41.833 en € 200.000 (totaal € 276.522) van rek nr. [rekeningnummer 2] zijn overgeboekt naar de Zwitserse coderekening van de zakenpartner.

Op 13-1-2013 wordt € 34.690 van de coderekening overgeboekt naar een bankrekening van [vennootschap B] . Op 8-1-2014 wordt € 41.832 van de coderekening overgeboekt naar een bankrekening van [vennootschap B] is een vennootschap waar cliënt een 100% belang in heeft. Door deze handelwijze is het buitenlands vermogen naar Nederland gekomen.

Volgens verklaring is het bedrag van € 200.000 tijdelijk overgeboekt naar de zakenpartner en daarna in contanten zou zijn opgenomen. Cliënt heeft volgens verklaring dit bedrag later in contanten ontvangen van zijn voormalige zakenpartner.

Overboeking nr 4 en 5

In 2014 is in twee boekingen een totaalbedrag van € 154.176 van de [bank] rekening nr. [rekeningnummer 2] overgemaakt, naar volgens verklaring, een rekening in Uruguay. Dit betreft volgens verklaring een tijdelijke overboeking naar een zakenrelatie in Uruguay. De naam [D] en [C] wordt genoemd. In 205/2016 wordt in 3 overboekingen een totaalbedrag van € 104.955 ontvangen op de Nederlandse ING-rekening van uw cliënt. Volgens verklaring betreffen de overboekingen op de Nederlandse rekening een (gedeeltelijke) terugbetaling van het bedrag van € 154.176. Volgens verklaring is het restant gebruikt voor betaling van vakanties en andere zaken. Uw cliënt heeft verklaard dat hij niet meer beschikt over buitenlandse tegoeden.

Opnamen

Over de jaren 2005 tot en met 2014 worden opnamen gedaan voor een totaalbedrag van € 488.500. De hoogste opnamen zijn in 2012 (totaal € 60.000), 2013 (totaal € 180.000) en 2014 (totaal € 118.500). Er is verklaard dat de contante opnamen zijn besteed aan vakanties en andere consumptieve bestedingen en (deels) in een kluis werden bewaard. Thans (11 november 2016) zou er nog een bedrag van € 100.000 in de kluis aanwezig zijn. Ter onderbouwing is een lijst met gemaakte vakanties vanaf 2009 verstrekt.

In overleg met de gemachtigde is het saldo van de contanten over de jaren 2014 tot en met 2017 bepaald.

Zie verder de bijlagen; vermogensoverzicht

Navorderingen inkomstenbelasting (box 3) en primitieve aanslag

Over de jaren 2003 tot en met 2014 ben ik voornemens (navorderings)aanslagen

inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen op te leggen. Ik ben voornemens de aangiften inkomstenbelasting van het jaar 2015 en 2016 te corrigeren.

Voornemen opleggen vergrijpboete navorderingen en primitieve aangiften inkomstenbelasting

Naast de gevolgen voor de belastingheffing ben ik voornemens vergrijpboeten op te leggen ingevolge art. 67d, eerste en/of vijfde lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en/of art. 67e, eerste en/of zesde lid, AWR.

Toestemming overschrijding navorderingstermijn

Er is schriftelijk toestemming verleend voor overschrijding van de navorderingstermijn over het jaar 2003 en 2004. Naar het oordeel van de Hoge Raad is overschrijding van de termijn voor het opleggen van de boete niet mogelijk. Gelet hierop wordt voor dat jaar geen boete opgelegd.

(…)

Vergrijpboete Box 2

Over de correcties box 2 van de jaren 2003 tot en met 2013 kan een maximale vergijpboete van 100% opgelegd worden. Naar mijn mening is een vergrijpboete van 100% passend en geboden.

Motivering boete

De reden waarom een vergrijpboete wordt opgelegd wordt hierna door mij nader gemotiveerd. Het is algemeen bekend dat (al dan niet in het buitenland aangehouden en/of opgekomen) inkomens- en/of vermogensbestanddelen in de belastingaangifte moeten worden opgenomen; de vraagstelling hieromtrent is in de belastingaangifte voldoende duidelijk. Desondanks heeft uw cliënt de in de bijlage opgenomen (buitenlandse) inkomens- en/of vermogensbestanddelen niet in de aangiften verantwoord. Ik ben van mening dat voor deze belastingjaren (voorwaardelijk) opzettelijk onjuiste aangiften zijn gedaan voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

Strafverzwarende- en strafverminderende omstandigheden

Bij de bepaling van de hoogte van de boete is rekening gehouden met onderstaande strafverzwarende en strafverminderde omstandigheden:

Strafverzwarende omstandigheden:

- Er is over meerdere jaren, elk jaar opnieuw, een bewuste keuze gemaakt om een onjuiste aangifte voor de inkomstenbelasting te doen;

- Er is bewust gekozen om géén gebruik te maken van de diverse inkeerregelingen;

- Er is gebruik gemaakt van buitenlandse bankrekening(en) in een land dat een bankgeheim kent, ten einde de fiscus het zicht op de tegoeden te ontnemen;

- De opgezette constructie met valse facturen afkomstig van een speciaal voor dit doel opgerichte onderneming ( [vennootschap D] ) gekoppeld aan een coderekening in Zwitserland en medewerking van [bank] bankemployees maakt dat sprake is van listigheid, valsheid en bedrog.

- Er is niet voldaan aan het informatieverzoek volgens art 47 AWR waardoor de relevante informatie voor het opleggen van de aanslagen niet is verstrekt;

Rekening houdend met de hiervoor genoemde strafverzwarende omstandigheden leidt dit tot een boete van respectievelijk 100% voor de correcties Box 2 over de jaren 2005 tot en met 2013 (…).

(…)”

8. [ De inspecteur] heeft vervolgens de onderhavige navorderingsaanslagen ib/pvv 2003 tot en met 2014 en de aanslag ib/pvv 2015 opgelegd, alsmede de bijkomende beschikkingen.

9. [ Belanghebbende] heeft bezwaar gemaakt tegen de (navorderings)aanslagen en de daarbij opgelegde boeten en in rekening gebrachte belasting- en heffingsrente. [De inspecteur] heeft op 30 april 2019 een vooraankondiging van de uitspraken op bezwaar naar [belanghebbende] gestuurd. Vervolgens heeft [de inspecteur] met dagtekening 20 juni 2019 de motivering van de uitspraken op het bezwaar verzonden naar [belanghebbende]. Hierin is onder meer aangegeven dat de verdeling van het buitenlandse vermogen op grond van artikel 2.17 van de Wet IB 2001 nog kan worden gewijzigd omdat de (navorderings)aanslagen op het moment van indienen van de bezwaarschriften niet onherroepelijk vaststaan. Op dit punt komt [de inspecteur] geheel aan [belanghebbende]s bezwaar tegemoet. Het vermogen in box 3 wordt geheel aan de echtgenote van [belanghebbende] toegerekend. Hierdoor zullen tevens ten aanzien van de correcties in box 3 de aan [belanghebbende] opgelegde vergrijpboeten worden vernietigd en de rentebeschikkingen overeenkomstig de wettelijke bepalingen worden verminderd. Voor de vergrijpboeten met betrekking tot de correctie van het box 2-inkomen is er voor de jaren 2012 en 2013 samenloop met de vergrijpboeten van de navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting (hierna: vpb) 2012 en 2013 die zijn opgelegd aan [vennootschap A] . Ook deze boeten zullen, om die reden, worden vernietigd. Voor de andere jaren heeft [de inspecteur] de boeten nogmaals beoordeeld en aangegeven dat hij gelet op het gehele feitencomplex een vergrijpboete van 85% passend en geboden acht. Concreet zal dit aldus leiden tot vermindering van de boeten met betrekking tot de correctie van het box 2-inkomen voor de jaren 2005 tot en met 2011 tot 85% en vernietiging van de voor de andere jaren opgelegde boeten met betrekking tot de correctie van het box 2-inkomen en alle opgelegde boeten met betrekking tot het box 3-inkomen, aldus [de inspecteur] in de brief.

10. [ De inspecteur] heeft met dagtekeningen 5, 10, 12 en 16 juli 2019 de uitspraken op bezwaar gedaan zoals vermeld in het procesverloop.”

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof voegt hier de volgende feiten aan toe.

2.2.

In de door de rechtbank vermelde inkeerbrief van 9 oktober 2015 heeft de toenmalige gemachtigde van belanghebbende – voor zover hier van belang – het volgende aan de inspecteur meegedeeld:

“Tot mij heeft zich gewend met een verzoek om rechtsbijstand bij een vrijwillige verbetering [belanghebbende] (…). (…) Cliënt deelde mij mede in het verleden een bankrekening aangehouden te hebben bij de [bank] in Zwitserland. Deze rekening is in 2014 opgeheven (…). (…) Cliënt was als enige gerechtigd tot het vermogen op deze rekening. Volgens hem bedroeg het saldo in Zwitserland in het verleden maximaal circa € 800.000. Inzicht in de bankstukken zal definitief uitsluitsel hierover geven. Aangezien cliënt nu schoon schip wenst te maken, doet hij een beroep op de inkeerregeling. Op dit moment zijn wij druk doende met het opvragen van de onderliggende (bank)stukken. (…).”

2.3.

Nadat de inspecteur de ontvangst van de inkeermelding bij brief van 12 oktober 2015 heeft bevestigd, heeft de inspecteur belanghebbende bij brief van 13 oktober 2015 gevraagd om nadere informatie te verstrekken, waaronder het inleveren van een gespecificeerde ‘verklaring vrijwillige verbetering’ en het verstrekken van de bankafschriften van de bij de [bank] (hierna: [bank] ) aangehouden rekening. Belanghebbende heeft in de periode van 10 december 2015 tot 8 juni 2016 verschillende keren schriftelijk uitstel gevraagd en verkregen voor het verstrekken van deze informatie tot (uiteindelijk) 11 augustus 2016. De gemachtigde heeft vervolgens bij brief, door de inspecteur ontvangen op 22 augustus 2016, namens belanghebbende onder meer de volgende nadere informatie verstrekt:

1. Achtergrond

 Cliënt heeft op 29 februari 2000 een bankrekening geopend bij [bank] in Zwitserland. Het nummer van deze rekening was [rekeningnummer 2] . Cliënt was als enige gerechtigd tot het vermogen van deze rekening.

 De rekening is in 2014 gesloten. Cliënt heeft het op dat moment resterende vermogen – circa € 155.000 – overgeboekt naar een rekening van een bevriende zakenrelatie in Uruguay, [C] .

 [C] heeft op haar beurt in februari 2016 het op dat moment resterende deel van het vermogen – circa € 105.000 – overgeboekt naar een Nederlandse bankrekening van cliënt. Deze Nederlandse bankrekening is bekend bij de Nederlandse fiscus.

 Cliënt heeft gedurende het bestaan van de rekening diverse opnamen en overboekingen gedaan. Deze zijn alle consumptief besteed, zoals ook blijkt uit de omschrijving bij de transacties in bijgevoegde bankstukken.

2 Berekening

Bijgevoegd treft u aan een berekening van de vermoedelijk verschuldigde inkomstenbelasting in box 3 (bijlage). Deze berekening is gebaseerd op de bescheiden die door [bank] zijn verstrekt. In deze berekening is opgenomen:

 de hoogte van de verschuldigde inkomstenbelasting (box 3);

 een overzicht van het verloop van het vermogen; en

 de te verrekenen bronbelasting.

(…)

Bijgevoegd treft u de bescheiden aan van de [bank] die nodig zijn om de belastingschuld voor 2004 en verder vast te stellen, waaronder vermogensoverzichten, transactieoverzichten en stukken waaruit de te verrekenen bronbelasting kan worden gedestilleerd (…). (…)

4 Vervolg

3 Geschil in hoger beroep

4 Beoordeling van het geschil

5 Kosten

6 Beslissing