Home

Gerechtshof Amsterdam, 28-06-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1890, 21/00296

Gerechtshof Amsterdam, 28-06-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1890, 21/00296

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28 juni 2022
Datum publicatie
27 juli 2022
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2022:1890
Zaaknummer
21/00296

Inhoudsindicatie

Aanslag IB/PVV 2016. Als het gaat om de aftrekbaarheid van de (gestelde) onderhoudskosten van het rijksmonument waarvan belanghebbende mede-eigenaar is, het op de weg van belanghebbende ligt om, indien de aftrekbaarheid van de kosten wordt betwist, deze aannemelijk te maken. Het Hof ziet geen reden om tot een hogere aftrek te komen dan die waartoe de rechtbank is gekomen. Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Uitspraak

kenmerk 21/00296

28 juni 2022

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[x] , wonende te [Z] , belanghebbende,

tegen de uitspraak van 5 maart 2021 in de zaak met kenmerk HAA 20/2237 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 30 augustus 2019 aan belanghebbende voor het jaar 2016 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.785. Daarbij is bij beschikking € 1.395 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Na daarentegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 26 februari 2020 het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de aanslag verminderd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 57.234. Tevens is daarbij de belastingrente verminderd tot € 1.329.

1.3.

Belanghebbende heeft daarentegen beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij uitspraak van 5 maart 2021 als volgt op het beroep beslist (welke uitspraak op 9 maart 2021 aan partijen is verzonden):

“De rechtbank:

-

verklaart het beroep gegrond;

-

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-

vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.234 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

-

veroordeelt [de inspecteur] in de proceskosten van [belanghebbende] tot een bedrag van € 2,80, en

-

draagt [de inspecteur] op het betaalde griffierecht van €48 aan [belanghebbende] te vergoeden.”

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld, ingekomen bij het Hof op 21 april 2021. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Bij brief van 29 april 2022 heeft belanghebbende een nader stuk ingediend. Een afschrift hiervan is aan de wederpartij verstrekt.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2022. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld:

“Feiten

1. Belanghebbende] is tot 29 juni 2018 gehuwd met [A] . Zij hebben in 2016 de woning gelegen aan de [A-straat] in [Y] gekocht.

2. [ De inspecteur] heeft aan [belanghebbende] een voorlopige aanslag over 2016 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.926.

3. Op basis van het door [belanghebbende] ingediende verzoek tot wijziging is op 30 mei 2016 een tweede voorlopige aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 79.000.

4. [ Belanghebbende] heeft op 22 mei 2017 aangifte ib/pvv 2016 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.285. [Belanghebbende] heeft in deze aangifte onder meer een aftrek kosten monumentenpanden (ter zake van het pand [A-straat] te [Y] ) opgenomen van € 33.500, zijnde zijn aandeel in de gewenste aftrek van de totale kosten van € 41.840. [A] heeft een bedrag van € 8.340 in aftrek gebracht.

5. Met dagtekening 23 juni 2017 heeft [de inspecteur] een derde voorlopige aanslag opgelegd conform de ingediende aangifte.

6. [ De inspecteur] heeft bij het opleggen van de aanslag de aftrek voor monumentenpanden geheel gecorrigeerd. In de bezwaarfase heeft [de inspecteur] een aftrek monumentenpanden geaccepteerd ten bedrage van € 1.551.”

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof voegt daar nog het volgende aan toe.

2.2.

De door belanghebbende in 2016 met zijn toenmalige partner in mede-eigendom verworven woning aan de [A-straat] te [Y] maakt deel uit van een rijksmonument (Rijksmonumentenregister, nr. [0000] ).

2.3.

In het kader van koop is ter verkrijging van een hypotheekgarantie een bouwtechnisch onderzoek verricht. In het van dit onderzoek opgestelde rapport van 2 juli 2015 is onder meer het volgende vermeld (hierna: het bouwkundig rapport):

“9. Keuken, toilet en badkamer(…)Keuken(s)In het object is een keuken aanwezig. Deze is geschikt voor gebruik en kan, behoudens nader te benoemen gebreken, voldoende functioneren. De keuken is uitsluitend technisch beoordeeld, esthetische beoordeling heeft niet plaats gevonden (…).Keuken: geen gebrekenDe aanwezige keuken is geïnspecteerd op gebreken aan o.a. tegelwerk, kitwerk, voegwerk, keukenkastdeuren, hang en sluitwerk, kastbodems, achterwanden, vocht, lamineerlagen, werkblad, wasbak, kraan en dergelijke. Hieraan zijn geen gebreken opgemerkt, het geheel kan als bedoeld functioneren.(…)10. Verwarming en warm water(…)Leidingwerk systeem verwarmingHet leidingwerk is grotendeels zichtbaar en is beoordeeld. Hierbij zijn geen problemen opgemerkt, het geheel kan als bedoeld en voldoende functioneren. (…)15. Vloeren(…)Vloeren: niet vlak / waterpasOp meerdere plaatsen is de vloer niet vlak en/of waterpas. (…)(…)Vloeren: vlakheid / waterpasHet is visueel waarneembaar dat een deel van de vloer is verzakt. De oorzaak hiervan is niet geheel duidelijk.(…)Plavuizen/terrazzo vloerIn het object is een plavuizen / terrazzo vloer aanwezig.(…)

Ten tijde van de inspectie zijn geen gebreken geconstateerd. De materialen liggen vast. Er is geen breuk en het geheel verkeert voor zover zichtbaar in een voldoende goede conditie.”

3 Geschil voor het Hof

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende ter zake van het rijksmonument waarvan hij mede-eigenaar is recht heeft op aftrek van uitgaven voor onderhoud van vloeren, stucwerk, loodgieterswerk, een houtkachel, een keuken, puinruimen en klein materiaal.

4 Oordeel van de rechtbank

5 5. Beoordeling van het geschil

6 Kosten

7 Beslissing