Gerechtshof Amsterdam, 01-11-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3633, 22/00060
Gerechtshof Amsterdam, 01-11-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3633, 22/00060
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 1 november 2022
- Datum publicatie
- 28 december 2022
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3633
- Formele relaties
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2026:389
- Zaaknummer
- 22/00060
Inhoudsindicatie
Douanrecht; niet-preferentiële oorsprong van rijwielen in de zin van artikel 24 van het CDW.
Uitspraak
kenmerk 22/00060
1 november 2022
uitspraak van de meervoudige douanekamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] , gevestigd te [Z] (Frankrijk), belanghebbende,
gemachtigden: mr. G.J. van Slooten en M.J.T. van der Knaap (Deloitte Belastingadviseurs B.V.)
tegen de uitspraak van 16 december 2021 in de zaak met de kenmerk HAA 17/4770 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 22 juni 2016 een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt ten bedrage van € 41.049,44 aan antidumpingrechten.
Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 13 september 2017, de utb gehandhaafd.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep in haar uitspraak van 16 december 2021 ongegrond verklaard.
Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof
ingekomen op 24 januari 2022. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2022. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met kenmerk 22/00061 van dezelfde belanghebbende. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2 Feiten
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (belanghebbende en de inspecteur worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiseres’ respectievelijk ‘verweerder’):
“1. Op 30 mei, 31 mei en 10 juni 2013 heeft de direct vertegenwoordiger van eiseres aangifte gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van rijwielen. De rijwielen zijn aangegeven onder Taric-code 8712 00 30 90 (Tweewielige rijwielen met kogellagers, andere) met vermelding van Cambodja als land van oorsprong.
2. Eiseres heeft de rijwielen gekocht van de onderneming [A Ltd.]. (hierna: [A Ltd.]), gevestigd te Cambodja. De onderneming is eind 2013 gesloten en vertrokken uit Cambodja.
3. Het Europees Bureau voor fraudebestrijding, l’Office européen de lutte antifraude (hierna: OLAF), heeft van 16 tot en met 21 oktober 2015 een onderzoeksmissie uitgevoerd in Cambodja. Het onderzoek had betrekking op het mogelijk ontlopen van antidumpingrechten op rijwielen door Cambodja in plaats van China als land van oorsprong aan te geven. Het onderzoek zag op drie ondernemingen, waaronder [A Ltd.]. Van deze missie heeft OLAF op 17 maart 2016 een missierapport opgesteld met nummer [nummer 1]. Op 11 april 2016 heeft OLAF een eindrapport opgesteld met nummer [nummer 2].
4. In het onder 3 vermelde eindrapport is OLAF tot de conclusie gekomen dat de rijwielen, afkomstig van [A Ltd.], die volgens OLAF wel voldoen aan de preferentiële oorsprongscriteria, niet voldoen aan de niet-preferentiële oorsprongscriteria van artikel 24 Communautair Douanewetboek van de Unie (hierna: CDW). In het eindrapport staat in dat kader onder meer (p.7-8):
“In order to determine the non-preferential origin of the bicycles exported to the EU, OLAF made an analysis of the available cost break-down of bicycles declared by [A Ltd.]. To the Cambodian authorities. The analysis revealed that the company imported materials and parts from other countries. Article 24 of the Community Customs Code is therefore applicable for the determination of the non-preferential origin.
The working or processing of the bicycles exported by [A Ltd.]. to the EU can be divided into two groups.
In the first group, according to the cost break-down presented by the company, at first frames were produced from various goods imported into Cambodia such as steel tubes (HS 7304), steel triangles (HS 7326), paint (HS 3208) and decal materials for the production of frames. The company supplied in each case a separate cost sheet for the production of the frame in Cambodia and therefore claimed Cambodian origin for the frames. Subsequently, the frames were assembled together with other parts imported in Cambodia into bicycles. OLAF had, however, no means to check the production process as the company no longer existed in Cambodia. Based on the information contained in the cost break-down, it could not be established that the processing or working was insufficient to confer non-preferential Cambodian origin for the exports of these bicycles to the EU.
In the second group, according to the cost break-down presented and as manifested by the information collected from Cambodian Customs, the company imported all parts including frames from third countries which were subsequently assembled in Cambodia. The company declared in each case that a painting process had taken place in Cambodia. The working in Cambodia was limited to simple assembly of bicycle parts classified in HS 8714 and was therefore clearly only usable for the production of bicycles. The mere assembly of these imported parts does not constitute the decisive production stage whereby the goods in question “become bicycles”. In addition, according to the documents provided by the Cambodian authorities, the goods were painted. However, this operation cannot be considered as a substantial transformation. Moreover, no advanced or sophisticated equipment or technology would be necessary for such assembly process or painting. Consequently, the working or processing of these bicycles did not confer non-preferential Cambodian origin pursuant to Article 24 of the Community Customs Code.
In summary, OLAF identified export transactions of bicycles to the EU during the period January 2013 to August 2014 where the last production phase was a mere assembly operation (second group). (...) In addition, OLAF did a detailed cost analysis in light of the “list rules” (...) and identified that the export transactions did not meet the 45% added value rule. (...) Given that the 45% value added rule was not met by these operations, the residual origin rule applied. These Chinese origin was established on the basis of a calculation of the major portion of materials used.”
5. Op 11 mei 2016 heeft verweerder aan eiseres een brief verstuurd, waarin hij heeft aangekondigd voornemens te zijn om een utb uit te reiken. Na indiening van een zienswijze door eiseres en beoordeling daarvan door verweerder is de in het procesverloop genoemde utb uitgereikt.”
Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof voegt daaraan de volgende feiten toe.
Ter zitting bij het Hof is tussen partijen vast komen te staan dat van de in geschil zijnde fietsen de frames als gereed product in Cambodja zijn ingevoerd en dat aan deze frames geen laswerkzaamheden hebben plaatsgevonden. De door belanghebbende genoemde soldeerwerkzaamheden hebben betrekking op de remkabels, niet op het frame.
Tot de gedingstukken behoort een kostenoverzicht (“Value of Imported Raw Merial AND Parts of Components (Including those locally purchased but of foreign origin”) waaruit blijkt dat als losse onderdelen in Cambodja zijn ingevoerd het frame, de voorvork, het balhoofd, het stuur en de handvatten, de verf, het zadel, de remmen en remkabels, de spatborden, de ketting, kettingwielen en de kettingkast. Ook de wielen zijn in Cambodja geassembleerd uit ingevoerde onderdelen: de naven, de velgen, het draad en de nippels voor de spaken en de banden. Verder zijn ingevoerd de schroeven en verbindingsstukken om de onderdelen aan elkaar te bevestigen. Het type fiets waarop het kostenoverzicht betrekking heeft (12” basic sport girl) wordt bovendien voorzien van zijwielen en een mandje. De kartonnen dozen waarin de fietsen worden verpakt zijn van Cambodjaanse oorsprong.
Tot de gedingstukken behoort voorts een door OLAF opgesteld overzicht van de samenstelling van de kostprijs van de onderhavige fietsen waarin, uitgesplitst naar type fiets, de waarde en oorsprong van alle gebruikte onderdelen, de Cambodjaanse productiekosten en de ex-works prijs zijn opgenomen. Van de fietsen die in de utb zijn betrokken bedraagt de op basis van deze gegevens vastgestelde toegevoegde waarde in Cambodja tussen de 34,71% en 44,01%.
In het voornemen tot het opleggen van de onderhavige utb waren, naast de fietsen waarop de utb betrekking heeft, nog andere fietsen opgenomen. Aan die fietsen was, zo bleek uit het OLAF-rapport, in Cambodja meer dan 45% waarde toegevoegd. Belanghebbende heeft hier in haar zienswijze op gewezen en de inspecteur heeft deze fietsen vervolgens niet opgenomen in de utb.
3 Geschil in hoger beroep
In geschil is of de utb terecht aan belanghebbende is uitgereikt. Meer specifiek is in geschil de niet-preferentiële oorsprong van de rijwielen in de zin van artikel 24 van het CDW.
Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in
de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar de naar aanleiding van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.