Home

Gerechtshof Amsterdam, 01-02-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:406, 20/00615

Gerechtshof Amsterdam, 01-02-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:406, 20/00615

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
1 februari 2022
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2022:406
Zaaknummer
20/00615
Relevante informatie
Algemene wet bestuursrecht 8:42, Algemene wet bestuursrecht 8:29, Algemene wet inzake rijksbelastingen 16, Wet inkomstenbelasting 2001 3.111

Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Op de zaak betrekking hebbende stukken. Nieuw feit/ambtelijk verzuim. Aftrek rente en kosten ten aanzien van eigen woning.

Uitspraak

Kenmerk 20/00615

1 februari 2022

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

tegen de uitspraak van 10 september 2020 in de zaak met kenmerk HAA 19/4077 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: [A] )

en

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2014 met dagtekening 2 december 2017 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.447.

1.2.

Na tegen de hiervoor gemelde navorderingsaanslag door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 8 juli 2019, de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 10 september 2020 op het tegen de hiervoor vermelde uitspraak op bezwaar ingestelde beroep het volgende beslist (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

“De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 en de daarmee samenhangende beschikking belastingrente en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000 voor de overschrijding van de redelijke termijn;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 786; en

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiseres te vergoeden.”

1.4.

Het tegen deze uitspraak door de inspecteur ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 20 oktober 2020 en is aangevuld op 17 november 2020. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2021. Het hoger beroep is tegelijk behandeld met de zaken van belanghebbendes partner (kenmerken 20/00619 en 20/00620).Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

Feiten

1. Eiseres is geboren op [..-..-....] . Zij is het hele jaar 2014 gehuwd met [B] geboren op [..-..-....] (hierna: de partner). Eiseres en de partner hebben het gehele jaar 2014 ingeschreven gestaan op [adres] te [Z] .

2. Eiseres en de partner zijn in het onderhavige jaar ieder voor 50% eigenaar van de woning gelegen aan [adres] te [Z] , alsmede van de woning gelegen aan [adres] te [Z] [Hof bedoeld is: [Y]]. Eiseres en de partner staan met ingang van 23 februari 2012 ingeschreven op [adres] te [Z] . Tot die datum stonden zij ingeschreven op [adres] te [Y] .

3. Met ingang van 16 februari 2012 is de woning te [Y] in gebruik gegeven aan een derde, die met zich met ingang van 27 februari 2012 heeft ingeschreven op dit adres. Met ingang van 1 februari 2017 is eiseres de woning te [Y] gaan verhuren aan [C] .

4. Eiseres en de partner hebben de aankoop van de grond en de daarop te bouwen nieuwbouwwoning te [Z] gefinancierd met een tweetal leningen bij de [bank] . In 2014 is voor deze leningen een bedrag van € 10.632 aan rente betaald.

5. Op 25 november 2015 heeft eiseres een aangifte IB/PVV voor het jaar 2014 ingediend. Het hierin aangegeven inkomen uit werk en woning bedraagt € 39.135. In deze aangifte is een bedrag van € 16.332 voor betaalde rente en kosten van geldleningen die zijn gebruikt voor de eigen woning in aftrek gebracht. Dit bedrag bestaat naast de door eiseres op de leningen bij [bank] betaalde rente, uit rente en kosten met betrekking tot de woning te [Y] . Van de resulterende (negatieve) inkomsten uit eigen woning is een bedrag van € 10.606 aan eiseres toegerekend. Voorts is in deze aangifte een bedrag van € 524 als giftenaftrek in aanmerking genomen, waarvan een bedrag van € 312 aan eiseres is toegerekend.

6. De definitieve aanslag IB/PVV 2014 met dagtekening 9 april 2016 is door verweerder overeenkomstig de ingediende aangifte IB/PVV 2014 geautomatiseerd opgelegd.

7. Na het vaststellen van de definitieve aanslag IB/PVV 2014 is een onderzoek gedaan naar het aangiftegedrag van de gemachtigde van eiseres. In dat kader is aan eiseres een vragenbrief verzonden met dagtekening 14 maart 2017, waarin onder meer werd verzocht de aftrek inzake de eigenwoningschuld en de opgevoerde giftenaftrek nader te onderbouwen.

8. Na correspondentie tussen eiseres respectievelijk haar gemachtigde en verweerder is met dagtekening 2 december 2017 de navorderingsaanslagen IB/PVV 2014 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.447 resulterend in een navordering ten bedrage van € 2.778. Hierbij is de aftrek eigen woning gecorrigeerd met een bedrag van € 6.000 en de giftenaftrek met een bedrag van € 312.

9. De correctie van de aftrek eigen woning is als volgt berekend:

2014

Aangegeven rente en kosten

€ 16.632

Betaalde rente [bank]

€ 10.632

-/-

Correctie

€ 6.000

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof voegt daar nog het volgende aan toe.

2.2.

Tot de stukken van het geding behoort een ambtsedige verklaring van [D] , regiocoördinator systeemfraude IH bij de Belastingdienst, kantoor Amsterdam. In deze ambtsedige verklaring is onder meer het volgende vermeld:

“Begin 2015 is door de Belastingdienst een analyse uitgevoerd voor aangiften inkomstenbelasting die onder vermelding van een beconnummer werden ingestuurd. Hierbij viel het beconnummer [...] [de maatschap] op vanwege het hoge percentage aangiften met zorgkosten. Via dit beconnummer werden veel meer aangiften met een aftrek zorgkosten ingestuurd dan op basis van het landelijk gemiddelde zou mogen worden verwacht. Zoals bij dit soort signalen gebruikelijk is, zijn vervolgens voor een klein gedeelte van de aangiften vragenbrieven verstuurd teneinde te kunnen beoordelen in hoeverre de door [de maatschap] opgevoerde aftrekposten terecht werden opgevoerd. Met dagtekening 30 juni 2015 zijn daartoe 173 vragenbrieven verstuurd voor aangiften IH 2014 van [de maatschap] waarin een aftrek zorgkosten was opgevoerd en waarvoor nog geen definitieve aanslag was vastgesteld. Het grootste deel van de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2012 tot en met 2014 was op dat moment echter al geautomatiseerd vastgesteld.

Naar aanleiding van de bevindingen bij de behandeling van deze aangiften, is begin 2016 vervolgens een signalering ingebracht, die er voor zorgde dat de aangiften die vanaf dat moment zouden worden ingediend onder het beconnummer van [de maatschap] , zouden worden uitgeworpen voor inhoudelijke beoordeling van de aangifte. Op het moment van inbrengen van de signalering was nog niet duidelijk in hoeverre de bevindingen bij de behandeling van de 173 aangiften, representatief waren voor het aangiftegedrag van [de maatschap] . Ten tijde van het inbrengen van de signalering gold een algemene ondergrens van [8:29 Awb], die ook voor andere adviseurs gold waarvoor een signalering was ingebracht.

Tijdens de behandeling van deze aangiften wordt duidelijk dat slechts een beperkt gedeelte van de in aftrek gebrachte bedragen in de aangiften van [de maatschap] aannemelijk kan worden gemaakt. Dit leidt tot het op 9 november 2016 indienen van de preweeg waarin [de maatschap] wordt voorgedragen voor een strafrechtelijk onderzoek. Op 17 november 2016 is besloten het strafrechtelijk onderzoek in te stellen.

Met dagtekening 14 maart 2017 zijn via een zogenaamde centrale mailing 1.853 verzoeken om informatie over de aangiften 2012 tot en met 2015 verstuurd aan de klanten van [de maatschap] . (…) Om de omvang van het fiscale nadeel te kunnen bepalen, is voor deze mailing een ondergrens gehanteerd van [8:29 Awb]. Naar aanleiding van deze vragenbrieven zijn in veel gevallen navorderingsaanslagen opgelegd, omdat de opgevoerde zorgkosten niet aannemelijk gemaakt konden worden.”

2.3.

De inspecteur heeft daarbij ten aanzien van delen van voornoemd gedingstuk een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Betreffende de anonimisering heeft de rechtbank verwezen naar de ter zitting van de rechtbank van 2 juni 2020 gemaakte afspraken in de zaken met nummers HAA 19/2892, HAA 19/2893,

HAA 19/4944 en HAA 19/4946, ECLI:NL:RBNHO:2020:4983. Ter zitting van het Hof heeft de inspecteur een gesloten envelop met een ongeschoonde versie van het stuk overhandigd aan de griffier. Ter zitting van het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende ingestemd met de beperkte kennisname.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In hoger beroep is in geschil of de inspecteur tot navordering bevoegd was, meer in het bijzonder of de inspecteur beschikt over een navordering rechtvaardigend nieuw feit en zo dit niet het geval of sprake is van kwade trouw van belanghebbende. Voorts is in geschil of de navorderingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Tot slot is in geschil of de proceskostenvergoeding juist is vastgesteld door de rechtbank.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Het oordeel van de rechtbank

5 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

6 Kosten

7 Beslissing