Home

Gerechtshof Amsterdam, 15-03-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:803, 20/00724 t/m 20/00733

Gerechtshof Amsterdam, 15-03-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:803, 20/00724 t/m 20/00733

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15 maart 2022
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2022:803
Zaaknummer
20/00724 t/m 20/00733

Inhoudsindicatie

box 3 heffing; hoger beroep ongegrond; de belastingheffing in box 3 vormt voor belanghebbende geen individuele en buitensporige last

Uitspraak

kenmerken 20/00724 tot en met 20/00733

15 maart 2022

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,

tegen de uitspraak van 30 oktober 2020 in de zaken met kenmerken HAA 20/249 tot en met 20/258 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

Jaar 2006

1.1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 31 januari 2019 aan belanghebbende voor het jaar 2006 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 906. Daarbij is bij beschikking € 79 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Jaar 2007

1.1.2.

De inspecteur heeft met dagtekening 31 januari 2019 aan belanghebbende voor het jaar 2007 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 942. Voorts is bij beschikking een vergrijpboete van € 91 opgelegd. Daarbij is bij beschikking € 76 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Jaar 2008

1.1.3.

De inspecteur heeft met dagtekening 31 januari 2019 aan belanghebbende voor het jaar 2008 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 976. Voorts is bij beschikking een vergrijpboete van € 63 opgelegd. Daarbij is bij beschikking € 46 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Jaar 2009

1.1.4.

De inspecteur heeft met dagtekening 31 januari 2019 aan belanghebbende voor het jaar 2009 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 999. Voorts is bij beschikking een vergrijpboete van € 310 opgelegd. Daarbij is bij beschikking € 66 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Jaar 2010

1.1.5.

De inspecteur heeft met dagtekening 26 januari 2019 aan belanghebbende voor het jaar 2010 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.010. Voorts is bij beschikking een vergrijpboete van € 381 opgelegd. Daarbij is bij beschikking € 71 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Jaar 2011

1.1.6.

De inspecteur heeft met dagtekening 26 januari 2019 aan belanghebbende voor het jaar 2011 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.021. Voorts is bij beschikking een vergrijpboete van € 318 opgelegd. Daarbij is bij beschikking € 53 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Jaar 2012

1.1.7.

De inspecteur heeft met dagtekening 26 januari 2019 aan belanghebbende voor het jaar 2012 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.944 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.021. Voorts is bij beschikking een vergrijpboete van € 348 opgelegd. Daarbij is bij beschikking € 50 aan belastingrente in rekening gebracht.

Jaar 2013

1.1.8.

De inspecteur heeft met dagtekening 26 januari 2019 aan belanghebbende voor het jaar 2013 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.226 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.026. Voorts is bij beschikking een vergrijpboete van € 393 opgelegd. Daarbij is bij beschikking € 48 aan belastingrente in rekening gebracht.

Jaar 2014

1.1.9.

De inspecteur heeft met dagtekening 26 januari 2019 aan belanghebbende voor het jaar 2014 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.800 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.030. Voorts is bij beschikking een vergrijpboete van € 424 opgelegd. Daarbij is bij beschikking € 41 aan belastingrente in rekening gebracht.

Jaar 2015

1.1.10.

De inspecteur heeft met dagtekening 26 januari 2019 aan belanghebbende voor het jaar 2015 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.330 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 532. Voorts is bij beschikking een vergrijpboete van € 238 opgelegd. Daarbij is bij beschikking € 16 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Na tegen de onder punt 1.1.1. tot en met 1.1.10. vermelde navorderingsaanslagen en beschikkingen gemaakte bezwaren heeft de inspecteur bij – in één geschrift vervatte – uitspraken op bezwaar van 28 oktober 2019 deze bezwaren ongegrond verklaard. De inspecteur heeft de navorderingsaanslagen, rentebeschikkingen en vergrijpboeten gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij de uitspraak van 30 oktober 2020 als volgt beslist op de beroepen van belanghebbende:

“De rechtbank:

-

verklaart de beroepen gegrond;

-

vernietigt de uitspraken op bezwaar, voor zover die betrekking hebben op het jaar 2006 en de voor de overige jaren opgelegde vergrijpboeten;

-

vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2006 alsmede de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente;

-

vernietigt de aan [belanghebbende] opgelegde vergrijpboeten;

-

bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde (delen van de) uitspraken op bezwaar; en

-

draagt [de inspecteur] op het betaalde griffierecht van € 47 aan [belanghebbende] te vergoeden.”

1.4.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 4 december 2020. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft bij brief van 15 januari 2022 nadere stukken aan het Hof gezonden.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2022. Het hoger beroep van belanghebbende is gelijktijdig behandeld met het hoger beroep van [partner] in de zaken met kenmerken 20/00734 tot en met 20/00743. Al hetgeen in één van deze zaken is overgelegd en verklaard, wordt eveneens geacht te zijn overgelegd en verklaard in de andere gelijktijdig behandelde zaken. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld:

Feiten

1. Belanghebbende] is geboren op [geboortedatum] en is gehuwd met [partner] . Zij is in de onderhavige jaren zijn fiscaal partner.

2. De echtgenote van [belanghebbende] had een rekening bij de Luxemburgse bank [bank] ).

3. [ Belanghebbende] en zijn echtgenote hebben in de periode 2006 tot en met 2015 in hun aangiften voor de IB/PVV geen opgave gedaan van haar rekening bij de [bank] .

4. De Belastingdienst/Central Liaison Office heeft op 30 september 2016 van de Duitse autoriteiten spontaan, en via een beveiligd netwerk, gegevens ontvangen over Nederlandse ingezetenen die een rekening hebben aangehouden bij de [bank] . Uit de informatie blijkt dat de echtgenote van [belanghebbende] als rekeninghouder bekend is bij de [bank] . [De inspecteur] heeft naar aanleiding van deze informatie contact gezocht met de echtgenote van [belanghebbende]. Zij heeft aan het onderzoek van [de inspecteur] meegewerkt door openheid van zaken te geven.

5. Bij brief van 18 oktober 2018 heeft de echtgenote van [belanghebbende] zich akkoord verklaard met overschrijding van de termijn voor de oplegging van navorderingsaanslagen.

6. Naar aanleiding van de informatie van de Duitse autoriteiten heeft [de inspecteur] de navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd aan [belanghebbende]. Hij heeft daarbij telkens 50% van de tegoeden op de rekening bij [belanghebbende] begrepen in de rendementsgrondslag sparen en beleggen.”

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. In aanvulling hierop stelt het Hof de volgende feiten vast.

2.2.

Belanghebbende was voor de in hoger beroep in geschil zijnde jaren (2007 tot en met 2015) niet beschreven voor de IB/PVV en is daarom niet uitgenodigd voor het doen van aangifte. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen is voor die jaren uitsluitend aangegeven door de echtgenote en fiscaal partner van belanghebbende, [partner] . De inspecteur heeft aan de echtgenote voor de jaren 2007 tot en met 2015 definitieve aanslagen IB/PVV opgelegd conform de door haar ingediende aangiften. Uit de aangifte- en aanslaggegevens van de echtgenote blijkt dat de bij haar in aanmerking genomen (gemiddelde) rendementsgrondslag voor de belastingheffing over het inkomen uit sparen en beleggen (hierna ook: de belastingheffing in box 3), na aftrek van het gezamenlijke heffingvrij vermogen voor fiscale partners (en, voor zover van toepassing, ouderentoeslag en kindertoeslag) en na bijtelling van 50% van de niet-aangegeven spaartegoeden bij de [bank] , de hieronder aangegeven bedragen beloopt. Aan de in aanmerking genomen rendementsgrondslagen liggen onder meer de hieronder gespecificeerde bedragen ten grondslag aan (voor 50% aan de echtgenote toegerekende) spaartegoeden bij [bank] , overige bank- en spaartegoeden, aandelen en overige onroerende zaken:

rendements- spaartegoeden overige bank- aandelen overige

grondslag [bank] (50%) en spaartegoeden onr. zaken

2007 € 121.431 € 23.566 € 90.215 € 45.720 € 12.000

2008 € 111.195 € 24.416 € 78.074 € 47.418 € 12.000

2009 € 114.013 € 24.988 € 76.361 € 48.038 € 12.000

2010 € 128.403 € 25.269 € 79.935 € 62.461 € 12.000

2011 € 124.925 € 25.546 € 75.913 € 68.326 € 0

2012 € 162.198 € 25.538 € 85.800 € 56.428 € 40.000

2013 € 144.868 € 25.673 € 82.397 € 60.236 € 40.000

2014 € 148.206 € 25.756 € 99.384 € 71.521 € 59.960

2015 € 215.725 € 13.302 € 112.428 € 75.863 € 74.000

2.3.

Nadat de echtgenote opening van zaken heeft gegeven over de niet in de aangiften IB/PVV verantwoorde spaartegoeden bij [bank] , hebben belanghebbende en de echtgenote ervoor gekozen om (uitsluitend) deze spaartegoeden bij ieder van hen voor 50% toe te rekenen aan de grondslag uit sparen en beleggen. Ook bij belanghebbende zijn derhalve de onder 2.2 vermelde bedragen aan spaartegoeden bij [bank] tot de grondslag uit sparen en beleggen gerekend.

2.4.

Uit de aangifte- en aanslaggegevens van belanghebbende en zijn echtgenote blijken de volgende gegevens omtrent de door hen genoten belastbare inkomens uit werk en woning:

belanghebbende de echtgenote

2007 - € 18.697

2008 - € 19.884

2009 - € 22.423

2010 - € 23.315

2011 - € 24.103

2012 € 13.944 € 26.632

2013 € 21.226 € 26.401

2014 € 16.800 € 23.715

2015 € 12.330 € 16.909

3 Geschil voor het Hof

In hoger beroep is in geschil of de navorderingsaanslagen en de rentebeschikkingen over de jaren 2007 tot en met 2015 terecht en naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of de belastingheffing over het inkomen uit sparen en beleggen van belanghebbende voor de onderhavige jaren in strijd komt met het recht op ongestoord genot van eigendom, zoals gewaarborgd door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: artikel 1 EP).

4 Oordeel van de rechtbank

5 5. Beoordeling van het geschil

6 Kosten

7 Beslissing