Home

Gerechtshof Amsterdam, 13-01-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:90, BKDH-21/01011

Gerechtshof Amsterdam, 13-01-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:90, BKDH-21/01011

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13 januari 2022
Datum publicatie
20 januari 2022
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2022:90
Formele relaties
Zaaknummer
BKDH-21/01011

Inhoudsindicatie

Art. 4 AWR (plaats van werkelijke leiding lichaam); artikel 7.5, lid 6, Wet IB 2001 (vestigingsplaatsfictie). Buitenlandse belastingplicht box 2. Dga van naar Nederlands recht opgerichte BV is in oktober 2005 geëmigreerd naar Spanje en vervolgens in 2013 naar Curaçao. Is de BV in 2015 (fictief) in Nederland gevestigd, zodat de dga belastbaar inkomen uit ab heeft genoten? Aannemelijk is dat de plaats van werkelijke leiding van de BV in oktober 2005 naar Spanje is verplaatst en in 2013 naar Curaçao. De Inspecteur maakt niet aannemelijk dat de dga zijn leidinggevende taak in Nederland uitoefende, dan wel dat de werkelijke leiding door een ander in Nederland werd uitgeoefend. Het belastbare inkomen uit ab betreft een verkapte winstuitdeling met als genietingstijdstip het einde van het kalenderjaar 2015. Op dat moment was de BV niet meer in Nederland gevestigd, noch op grond van de vestigingsplaatsfictie van artikel 7.5, lid 6, Wet IB 2001, noch op grond van haar plaats van werkelijke leiding. Nederland heeft derhalve geen heffingsrecht meer over het inkomen.

Uitspraak

Zittingsplaats Den Haag

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BKDH-21/01011

in het geding tussen:

(gemachtigde: J. de Jong)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank NoordHolland (de Rechtbank) van 5 maart 2020, nummer HAA 19/1124.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2015 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.000 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 421.090 (de aanslag). Bij gelijktijdige beschikking is een bedrag van € 6.538 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.000 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 271.441. De Inspecteur heeft de belastingrente daarbij verminderd tot € 4.010.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Er is een griffierecht geheven van € 47. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 131. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft voorafgaand aan de zitting per e-mail een pleitnota naar het Hof gezonden.

1.4.

In de Tijdelijke aanwijzing gerechtshof Den Haag voor hogerberoepszaken belastingen van het gerechtshof Amsterdam (Stcrt. 2021, 30632) is het gerechtshof Den Haag aangewezen als gerechtshof waarvan de zittingsplaats tijdelijk mede wordt aangemerkt als zittingsplaats van het gerechtshof Amsterdam. Op grond van voornoemde regeling heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in Den Haag op 10 november 2021. De Inspecteur is verschenen. Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn, met kennisgeving vooraf, niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende woonde in 2015 op Curaçao.

2.2.

Belanghebbende is sinds 5 mei 1993 de enige bestuurder en enige aandeelhouder van [A B.V.] . [A B.V.] is op die datum opgericht naar Nederlands recht. De statutaire zetel van [A B.V.] bevindt zich in [vestigingsplaats] .

2.3.

Belanghebbende is op [datum] 2005 van Nederland geëmigreerd naar Spanje. Na zijn emigratie beschikte hij over een eigen woning in Spanje. De woning in Spanje stond in 2015 nog te koop.

2.4.

In verband met belanghebbendes emigratie naar Spanje is voor het jaar 2005 met dagtekening 24 oktober 2008 een conserverende aanslag IB/PVV opgelegd naar een bedrag van € 411.582 (€ 402.183 aan IB/PVV plus een bedrag aan heffingsrente van € 9.399). De conserverende aanslag heeft onder andere betrekking op de fictieve vervreemding van het aanmerkelijk belang van belanghebbende in [A B.V.] . Voor de conserverende aanslag is uitstel van betaling verleend. De conserverende aanslag is op 26 juli 2017 kwijtgescholden.

2.5.

Belanghebbende had een rekening-courantschuld aan [A B.V.] . De stand van de rekening-courantschuld bedroeg in 2010 € 363.870.

2.6.

Bij de behandeling van de aangiften IB/PVV van belanghebbende voor de jaren 2006, 2007 en 2008 hebben belanghebbende en de Inspecteur overleg gevoerd over het terugbrengen van de rekening-courantschuld. Daarbij is afgesproken om toenamen van de rekening-courantschuld te kwalificeren als uitdelingen van winst. Voorts zijn belanghebbende en de Inspecteur overeengekomen dat belanghebbende de rekening-courantschuld met ingang van 2010 jaarlijks met een bedrag van € 36.387 in tien jaarlijkse termijnen zou aflossen. Verder is overeengekomen dat voor zover de vereiste jaarlijkse aflossing niet plaatsvindt, deze wordt aangemerkt als dividenduitkering.

2.7.

In de jaren 2010, 2011, 2013 en 2014 heeft belanghebbende niet voldaan aan de aflossingsverplichting en is de rekening-courantschuld toegenomen. Conform de gemaakte afspraken heeft de Inspecteur bij de inkomstenbelastingheffing over deze jaren correcties aangebracht in de vorm van het in aanmerking nemen van dividenduitkeringen. Deze uitdelingen zijn in box 2 belast naar een tarief van 15% met inachtneming van de relevante bepalingen van het belastingverdrag tussen Nederland en Spanje.1 Belanghebbende heeft tegen deze correcties geen bezwaar gemaakt.

2.8.

In 2015 stond [A B.V.] ingeschreven in het handelsregister van de (Nederlandse) Kamer van Koophandel.

2.9.

[A B.V.] was in 2015 de enige bestuurder van haar twee dochtervennootschappen [B B.V.] en [C B.V.] .

2.10.

[B B.V.] is op 10 september 2013 ontbonden. [C B.V.] is op 8 december 2016 ontbonden.

2.11.

Per 1 januari 2014 vormde [A B.V.] als moedermaatschappij een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met haar dochtermaatschappij [C B.V.] .

2.12.

Uit de aangifte vennootschapsbelasting van [A B.V.] voor het jaar 2015 volgt dat de rekening-courantschuld van belanghebbende per 31 december 2015 € 416.989 bedroeg.

2.13.

Belanghebbende heeft op 1 mei 2017 zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2015 ingediend als buitenlands belastingplichtige.

2.14.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 3 oktober 2017 geïnformeerd over zijn voornemen om van de ingediende aangifte af te wijken. In deze brief is onder meer het volgende vermeld:

“Bij de afhandeling van de aangifte over 2007 is met mijn collega (…) de afspraak gemaakt dat de per ultimo 2007 bestaande rekening-courantschuld (€ 196.873) bij [ [A B.V.] ] in maximaal 10 jaar zou worden afgelost tot nihil.

Dat betekent dat de rekening-courantschuld per ultimo 2015 maximaal € 39.395 zou mogen bedragen. De werkelijke rekening-courantschuld bedraagt dan echter € 416.989.

In ben voornemens om het verschil ad € 377.503 als uitdeling in aanmerking te nemen. Omdat er geen voorheffing dividendbelasting is ingehouden en het voor de inkomstenbelasting verschuldigde tarief 15% bedraagt (op basis van het verdrag met Spanje) dient dit bedrag nog gebruteerd te worden tot € 421.090.

Ik ben dan ook van plan op dit punt van de aangifte af te wijken met een bedrag van € 421.090.”

2.15.

De aanslag is opgelegd met dagtekening 8 december 2017. In de aanslag is een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 421.090 in aanmerking genomen dat is belast tegen een tarief van 25%.

2.16.

In antwoord op een vragenbrief van de Inspecteur naar aanleiding van het bezwaar tegen de aanslag heeft de gemachtigde van belanghebbende de Inspecteur bij brief van 8 juni 2018 geïnformeerd dat belanghebbende op [datum] 2013 is geëmigreerd naar Curaçao.

2.17.

In een e-mail van 10 augustus 2018 aan de Inspecteur schrijft de gemachtigde van belanghebbende het volgende:

“(…)

In aanvulling op mijn bezwaarschrift wil ik nog een reden toevoegen voor ons standpunt dat de aanslag moet worden verminderd tot nihil.

Deze reden betreft het feit dat de feitelijke leiding van [ [A B.V.] ] (te weten [belanghebbende]) zich niet in Nederland bevindt.

(…)”

2.18.

In de toelichting op de uitspraak op bezwaar met dagtekening 15 januari 2019 schrijft de Inspecteur het volgende:

“(…)

2. De berekening en brutering van de opgelopen rekeningcourantschuld in het belastingjaar 2015 zal worden herzien en conform de met belanghebbende in 2010 gemaakte afspraken worden toegepast. Het bij de vaststelling van de aanslag 2015 opgenomen bedrag van € 377.503, dat moest worden beschouwd als opname in rekeningcourant, blijkt te hoog te zijn vastgesteld. Hieronder bij het kopje gemaakte afspraken is een overzicht met de vastgestelde bedragen opgenomen.

3. Doordat er niet op eigen initiatief van belanghebbende aflossingen op rekeningcourant plaatsvinden wordt dit door middel van dividenduitkeringen door de belastingdienst gecorrigeerd. Bij het opleggen van de aanslag inkomstenbelasting 2015 is in box 2 een tarief van 25% toegepast. Belanghebbende geeft in de brief van 8 juni 2018 aan op [datum] 2013 naar Curaçao te zijn geëmigreerd. Het tarief in box 2 van de aangifte inkomstenbelasting voor een dividenduitkering bedraagt 15% op grond van artikel 10 lid 2 van de Belastingregeling tussen Nederland en Curaçao.

4. Bij de e-mail van 10 augustus 2018 wordt het standpunt ingenomen dat de feitelijke leiding van [ [A B.V.] ] zich niet in Nederland bevindt. Waar iemand woont of waar een lichaam is gevestigd wordt naar omstandigheden op grond van artikel 4 lid 1 Awr beoordeeld.

De enkele stelling dat de feitelijke leiding zich in 2015 ergens buiten Nederland bevindt is onvoldoende om te kunnen bepalen of [ [A B.V.] ] zich ook daadwerkelijk buiten Nederland heeft gevestigd.

Wel heb ik kunnen vaststellen dat [ [A B.V.] ] in 2015 staat ingeschreven bij de Nederlandse Kamer van Koophandel, is opgericht naar Nederlands recht en dat er een Nederlandse aangifte vennootschapsbelasting 2015 is ingediend. Indien een rechtspersoon emigreert wordt er afgerekend over vermogensbestanddelen waarvan de voordelen door het beëindigen van het inwonerschap geen deel meer uitmaken van de in Nederland belastbare winst. Dat een dergelijke afrekening heeft plaats gehad heb ik niet kunnen vaststellen.

Per geval wordt waar de feitelijke leiding is gevestigd aan de hand van feiten en omstandigheden vastgesteld en met documenten en bescheiden onderbouwd. De daarvoor benodigde gegevens die mogelijk tot een ander oordeel kunnen leiden zijn niet overgelegd.

(…)

Gemaakte afspraken tussen belanghebbende en belastingdienst

(…)

Vaststelling belastingjaar 2015

Euro

Stand rekeningcourant na correctie IB 2014 per 1 januari 2015

219.227

Stand rekeningcourant volgens schema 1 januari 2015

181.935

Aflossing op rekeningcourant volgens afspraak

36.387

Stand rekeningcourant volgens schema 31 december 2015

145.548

Stand rekeningcourant volgens jaarrekening 31 december 2015

416.989

Correctie rekeningcourant in 2015

271.441

Controletelling

Toename rekeningcourant in 2015

197.762

Inhaal te weinig afgelost t/m 2014

37.292

Afspraak aflossing 2015

36.387

271.441

Te belasten in box 2 belastingjaar 2015

271.441

Tegen tarief van 15% afspraken Curaçao

40.716

Horen

Beslissing

Oordeel van de Rechtbank

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing