Gerechtshof Amsterdam, 21-05-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1370, 23/403
Gerechtshof Amsterdam, 21-05-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1370, 23/403
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 21 mei 2024
- Datum publicatie
- 22 mei 2024
- Zaaknummer
- 23/403
- Relevante informatie
- Art. 234 Gemw, Art. 235 Gemw, Art. 231 Gemw, Art. 6 EVRM
Inhoudsindicatie
Het Hof oordeelt in deze zaak dat de gemeente Amsterdam de kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting voor het jaar 2021 niet te hoog heeft vastgesteld in de Verordening. Dit betekent ook dat niet te veel kosten in rekening zijn gebracht op de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting.
Uitspraak
kenmerk 23/403
21 mei 2024
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: I.N.D.J. Rissema)
tegen de uitspraak van 5 april 2023 in de zaak met kenmerk AMS 22/5539 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.
1 Ontstaan en loop van het geding
Belanghebbende heeft op 10 mei 2023 het hoger beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak, die strekt tot ongegrondverklaring van zijn beroep tegen een op 17 december 2021 aan hem opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting.
Na het instellen van het hoger beroep zijn aanvankelijk de volgende stukken ingediend:
- -
-
een verweerschrift van de heffingsambtenaar, en
- -
-
een nader stuk van (de gemachtigde van) belanghebbende van 24 oktober 2023.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2023. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
Bij brief van 30 november 2023 heeft het Hof partijen laten weten dat het onderzoek is heropend en heeft het Hof de heffingsambtenaar verzocht om meer inzicht te verschaffen in de voor het jaar 2021 geraamde kosten ter zake van het opleggen van naheffingsaanslagen parkeerbelasting. Daarna zijn de volgende stukken ingediend:
- -
-
een brief van de heffingsambtenaar van 16 januari 2024 met een reactie op het verzoek van het Hof, waarbij is gevoegd een rekenblad met de kostenraming;
- -
-
een brief van (de gemachtigde van) belanghebbende van 8 februari 2024 met een reactie op de door de heffingsambtenaar overgelegde kostenraming;
- -
-
een brief van de heffingsambtenaar van 14 maart 2024 met een reactie op voormelde brief van (de gemachtigde van) belanghebbende, en
- -
-
een vooraf toegezonden pleitnota van (de gemachtigde van) belanghebbende.
Het onderzoek ter zitting is hervat en afgerond op 26 maart 2023. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2 Feiten
De auto van belanghebbende, met kenteken [kenteken] , stond op 13 december 2021 om 14:24 uur geparkeerd ter hoogte van [adres] in Amsterdam. De op die plaats en voor dat tijdstip verschuldigde parkeerbelasting was niet voldaan.
Naar aanleiding van de constatering met een scanauto van het in 2.1 vermelde feit heeft de heffingsambtenaar de litigieuze naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Het op de naheffingsaanslag te betalen bedrag is € 66,70. Dat bedrag bestaat uit eenmaal het ter plaatse geldende uurtarief (€ 1,40) en een bedrag van € 65,30 aan kosten.
In de Verordening parkeerbelastingen Amsterdam 2021 (hierna: de Verordening) is de volgende raming van de kosten voor het opleggen van naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgenomen (op pagina 45):
Bij zijn brief van 16 januari 2024 heeft de heffingsambtenaar een rekenblad gevoegd met daarin een opstelling van de achterliggende kostenposten. Het totaalbedrag is gelijk aan € 42.340.039.
Van het totaal van ruim € 42 miljoen kosten betreft € 16,6 miljoen contractkosten van de externe parkeerdienstverlener van de gemeente (Egis Parking Services). Het bedrag van € 16,6 miljoen is in het rekenblad uitgesplitst naar vier zogeheten ‘hoofdbestanddelen’: handhaving (€ 6,9 miljoen), vergunningen (€ 4,2 miljoen), parkeerautomaten (€ 4 miljoen) en coördinatie (€ 1,5 miljoen). De uitgesplitste bedragen zijn vervolgens – op basis van schattingen van de gemeente zelf – verder verbijzonderd naar de componenten ‘vaste informatieverwerkingskosten’, ‘variabele informatieverwerkingskosten’, ‘kosten van afschrijving’ en ‘personeelskosten’ (geen kosten van interest en overhead). Aanvullend op de contractkosten van € 16,6 miljoen is voor een bedrag van € 1,7 miljoen aan ‘extra kosten parkeerdienstverlener’ in de raming opgenomen voor een intensivering van de handhaving.
Het resterende bedrag van € 24.040.039 is in het rekenblad opgenomen onder het kopje ‘kosten directies gemeente Amsterdam’. Dat bedrag is uitgesplist in kostenposten die worden weergegeven onder de subkopjes ‘Parkeren’ (€ 10.371.039), ‘Verkeer en Openbare Ruimte’ (€ 122.625), ‘Belastingen’ (€ 1.706.000), ‘Dienstverlening - stadsloketten en CCA’ (€ 2.321.853), ‘Directie Basisinformatie’ (€ 200.000). Onderaan staat een post ‘Maximeren gemeentelijke overhead naar 50% v.d. personeelskosten’ (€ 9.318.523,11). Behalve voor de overheadkosten en voor de kostenposten genoemd onder het subkopje ‘Verkeer en Openbare Ruimte’, zijn de kostenposten vervolgens gecategoriseerd naar de hoofdbestanddelen. Met uitzondering van (alleen) de overheadkosten zijn de kostenposten verder verbijzonderd naar de componenten vaste informatieverwerkingskosten, variabele informatieverwerkingskosten, kosten van afschrijving, kosten van interest en personeelskosten.
De eigen personeelskosten van (de directies van) de gemeente in de raming bedragen € 6.687.046.
3 Geschil in hoger beroep
Anders dan in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of het bedrag van € 65,30 kosten op de naheffingsaanslag niet te hoog is. Belanghebbende heeft zijn aanvankelijke beroepsgrond, dat artikel 3, eerste lid, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen te laat is aangepast voor het jaar 2021, ingetrokken.