Home

Gerechtshof Amsterdam, 23-05-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1645, 23/816

Gerechtshof Amsterdam, 23-05-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1645, 23/816

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23 mei 2024
Datum publicatie
19 juni 2024
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2024:1645
Zaaknummer
23/816
Relevante informatie
Art. 22 WOZ, Art. 7:15 Awb

Inhoudsindicatie

Hoogte proceskostenvergoeding bezwaarfase; uurtarief opstellen taxatierapport; wegingsfactor beroepsfase; verschrijving dictum rechtbank.

Uitspraak

kenmerk 23/816

23 mei 2024

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , woonachtig te [Z] , belanghebbende,

gemachtigde: dr. ir. M.J.M. Möhlmann-Bronkhorst

tegen de uitspraak van 25 juli 2023 in de zaak met kenmerk AMS 22/5302 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) met dagtekening 31 maart 2022 de waarde van de onroerende zaak [adres] te Amsterdam voor het kalenderjaar 2022 (hierna: de WOZ-waarde) vastgesteld op € 517.000. In hetzelfde geschift is de aanslag onroerendezaakbelasting (hierna: OZB) bekendgemaakt. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 september 2022 het bezwaar gegrond verklaard, de WOZ-waarde verlaagd naar € 333.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar een kostenvergoeding van € 375 voor de bezwaarfase toegekend.

1.3.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij haar uitspraak van 25 juli 2023 heeft de rechtbank het volgende beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):

“De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de proceskostenvergoeding in
bezwaar is vastgesteld;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het

bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418,15.”

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 6 september 2023. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het Hof heeft op 8 januari 2024 en 16 februari 2024 nadere stukken van belanghebbende ontvangen.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2024. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

In de uitspraak op bezwaar van 23 september 2022 is onder meer het volgende opgenomen:

Proceskostenvergoeding bezwaarfase

In uw bezwaar hebt u vergoeding aangevraagd voor de kosten zoals beschreven in artikel 7:15 Awb. Uw verzoek wordt toegekend. Dat betekent dat u een vergoeding krijgt volgens deze berekening:

Vergoeding voor:

Soort

Tarief

Opmerking

Vergoeding

Rechtskundige bijstand

Bezwaarschrift

269,00

Wegingsfactor 1,00

269,00

Deskundigenrapportage

[adres] Amsterdam

Woning (2,00 uur)

53,00

Excl. BTW

106,00

Totaal

375,00

"

2.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de heffingsambtenaar op grond van de door hem toegepaste Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties (Stcrt. 2018, 28796, hierna: de Richtlijn) vier uren in plaats van twee uren voor het in de bezwaarfase opgestelde taxatierapport had moeten vergoeden en dat hij bovendien de gevraagde vergoeding van € 4,50 aan kadasterkosten had moeten toekennen.

2.3.

Ter zitting in hoger beroep heeft de heffingsambtenaar onder meer het volgende verklaard:

“(…) het is afhankelijk van de BTW-positie van belanghebbende of ook de BTW wordt vergoed. Bij een belanghebbende die de in rekening gebrachte BTW niet als voorbelasting in aftrek kan brengen, passen wij de vermenigvuldigingsfactor 1,21 toe. Dat moet dan ook in deze zaak alsnog gebeuren.”

3 Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil de hoogte van de kostenvergoeding in de bezwaarfase. Meer specifiek is in geschil of het door de heffingsambtenaar toegepaste uurtarief van de Richtlijn als onrechtmatig buiten toepassing dient te worden gelaten en of – indien dit uurtarief wel kan worden toegepast – het uurtarief dient te worden geïndexeerd. Voorts is de bij de proceskostenvergoeding in beroep toegepaste wegingsfactor zoals vastgesteld door de rechtbank in geschil, alsmede de vraag of het dictum van de uitspraak van de rechtbank onjuist dan wel onvolledig is.

4 Het oordeel van de rechtbank

5 Beoordeling van het geschil

6 Kosten

7 Beslissing