Gerechtshof Amsterdam, 13-03-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1481, 24/275
Gerechtshof Amsterdam, 13-03-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1481, 24/275
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 13 maart 2025
- Datum publicatie
- 12 juni 2025
- Zaaknummer
- 24/275
- Relevante informatie
- Art. 236 Gemw, Art. 4:19 Awb
Inhoudsindicatie
beslistermijn voor bezwaar tegen een dwangsombeschikking
Uitspraak
kenmerk 24/275
13 maart 2025
uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , wonende te [Z], belanghebbende,
(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach)
tegen de uitspraak van 22 januari 2024 in de zaak met kenmerk AMS 22/4886 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.
1 Ontstaan en loop van het geding
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende betreffende het niet tijdig nemen van een besluit op een bezwaar tegen een dwangsombeschikking niet-ontvankelijk verklaard.
In het daartegen ingestelde hoger beroep heeft belanghebbende een hogerberoepschrift ingediend en de heffingsambtenaar een verweerschrift.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2 Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil of de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3 Overwegingen van de rechtbank
De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt overwogen en beslist (in de uitspraak van de rechtbank is belanghebbende aangeduid als ‘eiser’):
“Welke beslistermijn is van toepassing?
12. De rechtbank overweegt dat artikel 4:19 van de Awb ertoe strekt dat een bezwaar of beroep tegen de dwangsombeschikking in beginsel wordt gevoegd in de procedure met betrekking tot het onderliggende, materiële geschil. Deze bepaling dient de proceseconomie. In dit geval kan dat niet (meer), omdat de procedure over het onderliggende besluit na de bezwaarfase geëindigd is. Uit rechtspraak volgt dat ook wanneer over het onderliggende besluit zelf niet (meer) geprocedeerd wordt, de procedurele regels die van toepassing zijn op het onderliggende besluit gevolgd worden in de procedure tegen de dwangsombeschikking – in ieder geval voor zover het gaat over welke rechter bevoegd is en welke waarde per punt uit het Besluit proceskosten bestuursrecht van toepassing is. De rechtbank is van oordeel dat hier wat betreft de bezwaarbeslistermijn bij moet worden aangesloten. Dat betekent dat de beslistermijn in dit geval tot het einde van het kalenderjaar loopt, omdat dat de beslistermijn is die geldt bij een bezwaar tegen het onderliggende besluit.
13. Anders dan eiser heeft aangevoerd, vindt de rechtbank deze uitkomst niet in strijd met het rechtzekerheidsbeginsel. Doordat de beslistermijn in alle gevallen die van het onderliggende besluit volgt, is juist meteen duidelijk wat die termijn is. Een uitkomst waarbij de beslistermijn zou afhangen van de vraag of over het onderliggende besluit nog geprocedeerd wordt, zou maken dat het minder duidelijk is welke termijn van toepassing is. De uitkomst dat altijd een termijn van zes weken geldt, ligt niet voor de hand omdat dit in strijd is met artikel 4:19 van de Awb, op grond waarvan bezwaren tegen een dwangsombeschikking in beginsel worden gevoegd in de procedure tegen het onderliggende besluit.
14. De rechtbank overweegt verder dat de tekst van artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet zich niet tegen deze uitkomst verzet. Er staat namelijk niet dat de bijzondere beslistermijn zich beperkt tot besluiten over lokale heffingen. Wel staat er dat deze beslistermijn alleen voor de heffingsambtenaar (“de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, bedoelde gemeenteambtenaar”) geldt. Dat is ook de reden dat de uitkomst in deze zaak anders is dan de uitspraak waar eiser naar verwijst van de rechtbank Gelderland van 11 oktober 2023. Daar ging het namelijk om een besluit van de invorderingsambtenaar (de in artikel 231, tweede lid, onderdeel c, bedoelde gemeenteambtenaar), waarvoor de bijzondere beslistermijn van artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet niet geldt.
15. Ten aanzien van de beroepsgrond dat de bijzondere beslistermijn in het leven is geroepen vanwege de piekbelasting door WOZ-beschikkingen aan het begin van het kalenderjaar, overweegt de rechtbank dat zij daarin geen aanleiding ziet om tot een ander oordeel te komen. De wetgever heeft de bijzondere beslistermijn namelijk niet expliciet beperkt tot procedures die direct verband houden met de piekbelasting. Deze beslistermijn geldt immers ook voor besluiten die geen piekbelasting kennen, bijvoorbeeld voor naheffingsaanslagen parkeerbelasting.
(…)
Conclusie en gevolgen
17. De heffingsambtenaar had tot het einde van het kalenderjaar 2022 om te beslissen op het bezwaar tegen de dwangsombeschikking. De ingebrekestelling van 8 juli 2022 was dus prematuur, zodat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.
18. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.”