Gerechtshof Amsterdam, 23-09-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2584, 24/3273
Gerechtshof Amsterdam, 23-09-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2584, 24/3273
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 23 september 2025
- Datum publicatie
- 21 januari 2026
- Zaaknummer
- 24/3273
- Relevante informatie
- Art. 2e WA, Art. 51 WA
Inhoudsindicatie
Accijns en voorraadheffing. Voorhanden hebben van minerale olie waarover de verschuldigde accijns niet is geheven.
Uitspraak
kenmerk 24/3273
23 september 2025
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , wonende te [Z] , belanghebbende
(gemachtigden: mr. J.P.M. Linssen en mr. J.G.A. Linssen),
tegen de uitspraak van 11 april 2024 in de zaak met kenmerk HAA 21/7187 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Douane, de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende, betreffende een naheffingsaanslag accijns en voorraadheffing over het tijdvak 1 april 2015 tot en met 30 september 2016 en daarbij in rekening gebrachte belastingrente, ongegrond verklaard.
Na het instellen van het hoger beroep bij (pro forma) beroepschrift, hebben partijen de volgende stukken ingediend:
- -
-
de (nadere) motivering van het hoger beroep door belanghebbende;
- -
-
een verweerschrift door de inspecteur;
- -
-
een nader stuk met producties door de inspecteur, en
- -
-
een nader stuk met producties door belanghebbende.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2025, tegelijk met dat in de zaken met kenmerken 24/3274 en 24/3275. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2 Feiten
Belanghebbende heeft in 2015 en 2016 in feite leiding gegeven aan [A1] B.V. en [A2] B.V. (hierna samen: [A] BV), die onder meer benzinestations in [Z] en in [Q] exploiteren.
In de periode van april 2015 tot en met 2016 heeft [A] BV minerale olie ingekocht van [B] , een eenmanszaak van [C] , die als in Nederland veraccijnsde diesel/gasolie aan [A] BV is gefactureerd. [A] BV heeft het ingekochte product als diesel (motorbrandstof) verkocht bij haar tankstations in [Z] en [Q] .
Door de FIOD is in maart 2017 onder de naam [D] een strafrechtelijk onderzoek gestart naar vermoedelijke accijnsfraude, belastingfraude, faillissementsfraude, valsheid in geschrift en witwassen. Van dat onderzoek is een dossier opgemaakt (hierna: het FIOD-dossier). De vermoedelijke accijnsfraude die de FIOD in dat dossier beschrijft, houdt – voor zover van belang – het volgende in (zie 1-OPV-1, par. 2.4, en AMB-067 in het FIOD-dossier).
Tussen april 2015 en augustus 2016 hebben de bedrijven [E] B.V. (hierna: [E] ), [F] B.V. (hierna: [F] ) en [G] B.V. (hierna: [G] ), in elkaar opvolgende perioden, ‘designer fuel’ ingekocht bij [H] s.r.o. uit Tsjechië onder de namen Lubriform, Lubricant oil Hantlom (hierna: LOH), Lubricant oil Kayla (hierna: LOK) en Hantsynth. Dat zijn door twee Belgische bedrijven, te weten [I] BVBA uit [R] en [J] NV uit [S] , in opdracht van enkele Cypriotische vennootschappen samengestelde minerale oliën. In België is de ‘designer fuel’, met eigenschappen die sterk overeenkomen met die van diesel, omdat zij voornamelijk uit diesel bestaat, behandeld als (niet-accijnsplichtige) smeerolie.
[E] , [F] en [G] hebben het door hen ingekochte product als in Nederland veraccijnsde diesel/gasolie doorverkocht aan [B] ( [C] ). [E] , [F] en [G] hebben echter nooit accijns betaald; zij waren ‘ploffers’ die de door hen ingekochte designer fuel hebben ‘omgekat’ van smeerolie in diesel/gasolie. [B] ( [C] ), de ‘buffer’ in de leveringsketen, heeft het product op zijn beurt als diesel doorverkocht aan (onder meer) [A] BV, dat het bij haar tankstations in [Z] en [Q] uiteindelijk heeft verkocht als motorbrandstof.
Diverse vrachtwagenchauffeurs hebben de designer fuel in België opgehaald namens [E] , [F] en [G] . Bij afgifte in België van de ladingen zijn CMR’s opgemaakt met daarop vermeld de commerciële benaming van het afgegeven product en de bij het vervoer van smeerolie op de tankwagen te voeren ADRgevarencode (90/3082). De chauffeurs leverden na het passeren van de Nederlandse grens, conform de aan hen gegeven instructies, de in België opgemaakte CMR in, om daarop een nieuwe CMR te krijgen met daarop een goederenomschrijving als diesel of gasolie en de bij het vervoer van diesel te voeren ADR-gevarencode 30/1202. De chauffeurs wisselden de op de tankwagens gevoerde oranje ADR-borden (meestal) dienovereenkomstig. Transporten vanuit [R] en [S] zijn rechtstreeks naar de tankstations van [A] BV in [Z] of [Q] gegaan.
In een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van 15 maart 2019 schrijft een FIOD-ambtenaar (AMB-042 in het FIOD-dossier):
“In de administratie van [B] heb ik 120 verkoopfacturen aangetroffen van [B] met een factuurdatum in de periode 22 april 2015 tot en met 30 september 2016. Zes facturen hiervan zijn gericht aan (…) en één factuur aan (…). (…) De overige 113 facturen zijn gericht aan [A] B.V. in [Z] . De factuur met factuurnummer 2015-00450 heeft betrekking op Euro 95. Middels de overige 112 facturen heeft [B] autogasolie gefactureerd aan [A] B.V.
In september 2016 factureerden [K] middels in totaal tien facturen gasolie/autodiesel aan [B] . (…) Omdat deze tien zendingen niet door [E] , [F] en [G] werden gefactureerd aan [B] laat ik deze zendingen verder buiten beschouwing.
Gelet op de verkoopfacturen die zijn aangetroffen in de administratie van [B] heeft [B] in de periode 22 april 2015 tot en met 31 augustus 2016 middels 102 facturen 3.362.723 liter 'gasolie' gefactureerd aan [A] B.V. Ik heb het factuurnummer, de factuurdatum en het aantal door [B] aan [A] B.V. gefactureerde liters van de facturen in een Excel-spreadsheet verwerkt. Deze is als bijlage 1 bij deze ambtshandeling gevoegd.”
Alsmede:
“Het aantal liters dat door [E] , [F] en [G] werd gefactureerd aan [B] is bijna gelijk aan het aantal liters dat door [B] werd gefactureerd aan [L] en [A] B.V.
(…)
Dit verschil kan mogelijk verklaard worden door een verschil in aangetroffen facturen. Er zijn 102 facturen aangetroffen van [B] aan [A] B.V. en zes facturen van [B] aan [L] . Dit zijn in totaal 108 facturen.”
Bij het proces-verbaal is gevoegd een overzicht van de facturatie door [B] aan onder meer [A] BV met vermelding van factuurnummers, factuurdata en het aantal liters. Verder is daarbij gevoegd een vergelijking op factuurniveau van het aantal liters dat [B] heeft ingekocht en heeft verkocht.
In een tot het FIOD-dossier behorend memorandum van de Douane van 26 oktober 2016 is vermeld dat [E] , [F] , [G] noch [B] aangifte accijns heeft gedaan (zie DOC-008 in het FIOD-dossier, p. 2327-2329).
In zeventien op ambtseed opgemaakte processen-verbaal uit juni 2018 heeft een FIODambtenaar voor evenzovele zendingen ‘designer fuel’ die volgens de FIOD bij [A] BV zouden zijn afgeleverd, aan de hand van facturen en transportbescheiden uitgewerkt dat die minerale olie rechtstreeks vanuit België, althans niet vanaf de plaats van vertrek die is vermeld op door/namens [A] BV afgetekende CMR’s, naar [Z] dan wel [Q] is getransporteerd.
De producten LOH en LOK bevatten geen Oxo oil. Het product Hantsynth bestaat voor 68 percent uit diesel/gasolie en voor 32 percent uit een niet nader gespecificeerde variant van Oxo oil (een distillatieresidu uit de productie van C9- en C13-oxo-alcoholen).
De Douane heeft op 12 mei en 19 mei 2016 uit enkele afleverpompen van diesel bij de tankstations van [A] BV in [Z] en in [Q] monsters genomen en door het Douanelaboratorium laten analyseren. Die monsters bleken tussen de twee percent en vijftig percent Oxo oil HS9 te bevatten.
Op een door de FIOD samengesteld overzicht van zendingen van ‘designer fuel’ vanuit België, welke zendingen volgens door de FIOD verkregen Belgische CMR’s bestemd waren voor [E] , [F] en [G] , is bij alle zendingen in mei 2016 als product ‘Hantsynth’ vermeld (zie DOC-167A (en AMB-058) in het FIOD-dossier).
Op basis van het FIOD-onderzoek heeft de inspecteur aan belanghebbende de litigieuze naheffingsaanslag opgelegd wegens het voorhanden hebben van accijnsgoederen die niet regelmatig in de heffing zijn betrokken, althans wegens betrokkenheid bij dat voorhanden hebben. De ingevolge de naheffingsaanslag verschuldigde accijns (€ 1.624.372,35) en voorraadheffing (€ 26.901,79) heeft de inspecteur berekend uitgaande van 3.362.723 liter gasolie, waarvan 1.977.617 liter tegen het tarief per 1 januari 2015 en 1.385.106 tegen het tarief per 1 januari 2016. De genoemde totaalhoeveelheid van 3.362.723 liter komt overeen met de hoeveelheid die [B] volgens de FIOD aan [A] BV heeft gefactureerd als diesel/gasolie, op in totaal 102 facturen (zie 2.4).
In de motivering van het tegen de naheffingsaanslag gemaakte bezwaar alsmede in de motivering van het beroepschrift in eerste aanleg heeft (de gemachtigde van) belanghebbende onder meer geschreven:
“De Douane stelt dat [ [A] BV] 3.362.723 liter gasolie voorhanden heeft gehad dan wel bij het voorhanden hebben betrokken is geweest (…). (…)
Belanghebbende ontkent niet dat hij de accijnsgoederen voorhanden heeft gehad, maar stelt zich op het standpunt dat hij geen wetenschap had noch hoefde te hebben van het feit dat het om niet veraccijnsd goed zou gaan.”
3 Geschil in hoger beroep
Tussen partijen is in geschil of de litigieuze naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.