Home

Gerechtshof Amsterdam, 11-11-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3008, 200.346.007/01

Gerechtshof Amsterdam, 11-11-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3008, 200.346.007/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11 november 2025
Datum publicatie
12 november 2025
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2025:3008
Zaaknummer
200.346.007/01

Inhoudsindicatie

Opzegging van bankrelatie wegens mogelijke schending van sanctieregelgeving in relatie tot Rusland en vermoeden van (poging tot) valsheid in geschrift. Geen herstel van bankrelatie. Geen schrapping van IVR- en EVR-registraties.

Uitspraak

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)

zaaknummer : 200.346.007/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/755085/KG ZA 24-707

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 november 2025

in de zaak van

ANDERSSON CAPITAL HOLDING B.V.,

gevestigd te Voorhout,

appellante,

advocaat: mr. J.C. van Vliet te Utrecht,

tegen

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. D.A. Apperloo te Utrecht.

Partijen worden hierna Andersson en ING genoemd.

1 De zaak in het kort

1.1.

In juli 2024 heeft ING onder meer een girale betaling van UDS 500.000,00 die bestemd was voor Andersson, niet op de door Andersson bij ING aangehouden bankrekening bijgeschreven. ING heeft als reden voor de weigering opgegeven dat die betaling mogelijk betrekking had op goederen die indirect aan Russische partijen werden geleverd en daarmee in strijd was met sanctieregelgeving in relatie tot Rusland. Omdat Andersson ondanks herhaalde verzoeken van ING onvoldoende duidelijkheid kon geven over de aan de betaling ten grondslag liggende transactie en de uiteindelijke afnemer van de goederen, heeft ING de betaling niet vrijgegeven.

1.2.

Andersson heeft een kort geding tegen ING aangespannen om – onder meer – de vrijgave van de betaling te bewerkstelligen. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Andersson afgewezen.

1.3.

Nadien heeft ING de bancaire relatie met Andersson en aan Andersson gelieerde partijen opgezegd, hen ook laten opnemen in de interne en externe verwijzingsregisters (IVR en EVR) en tegen Andersson en haar bestuurder [naam] strafrechtelijke aangifte gedaan van (poging tot) valsheid in geschrifte.

1.4.

In hoger beroep gaat het nog slechts om het door Andersson gevorderde herstel van de bancaire relatie met ING en het gebod aan ING om de registraties in het IVR- en het EVR-register te schappen, beide op straffe van een dwangsom. Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter en veroordeelt Andersson in de kosten van het hoger beroep.

2. Procedure in hoger beroep

2.1.

Bij dagvaarding van 10 september 2024 is Andersson in hoger beroep gekomen van een kortgedingvonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam op 14 augustus 2024, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer, heeft gewezen tussen Andersson als eiseres en ING als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).

2.2.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven tevens eiswijziging, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

2.3.

Op 26 september 2025 heeft de mondelinge behandeling in deze zaak plaatsgevonden. Bij die gelegenheid is de zaak toegelicht door de advocaten van partijen, voor ING ook door mr. M.E.G. Murris, advocaat te Utrecht, aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. Zowel Andersson als ING heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling nog producties in het geding gebracht.

2.4.

Ten slotte is arrest gevraagd.

3 De feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.1.

Andersson exploiteert een bedrijf dat in de luchtvaartsector in de Asia-Pacific regio onderhoudsdiensten en logistieke diensten aanbiedt.

3.2.

Andersson was sinds december 2020 klant van ING. Op de bancaire relatie tussen Andersson en ING zijn de Algemene Bankvoorwaarden 2017 van toepassing.

3.3.

Op 21 juni 2024 is op de ING-rekening van Andersson een bedrag bijgeschreven van USD 1.700.000,00. Dit bedrag was een aanbetaling in verband met de verkoop door Andersson van een vliegtuigmotor aan Drayton Aerospace Limited te Hong Kong.

3.4.

Op 24 juni 2024 heeft de Raad van de Europese Unie door middel van Besluit (GBVB) 2024/1738 (wijziging van Besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhan- kelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen) maatregelen genomen die moeten voorkomen dat sancties tegen Rusland via onder meer China worden omzeild.

3.5.

Bij overeenkomst van 2 juli 2024 heeft Andersson voor een totaalbedrag van USD 6.600.000,00 een aantal landingsgestellen voor vliegtuigen verkocht aan Drayton Aerospace Limited, gevestigd te Xiamen (China). Bij overeenkomst van 16 juli 2024 heeft Andersson voor een bedrag van USD 2.200.000,00 de onder 3.3 genoemde vliegtuigmotor verkocht aan Drayton Aerospace Limited te Hong Kong. Beide Drayton-vennootschappen worden hierna Drayton genoemd.

3.6.

Op 25 juli 2024 heeft Drayton aan Citibank opdracht gegeven om USD 500.000,00 over te maken naar de ING-rekening van Andersson, en aan Bank of China opdracht gegeven om USD 6.600.000,00 over te maken naar de ING-rekening van Andersson. ING heeft deze twee betalingen ontvangen maar de rekening van Andersson niet met deze bedragen gecrediteerd.

3.7.

Bij e-mail van 7 augustus 2024 heeft ING Andersson verzocht om mee te werken aan een onderzoek naar de betaling van USD 500.000,00 en een aantal vragen te beantwoorden en documentatie te verstrekken. Andersson heeft die vragen diezelfde dag beantwoord en docu- mentatie verstrekt.

3.8.

Bij e-mail van 8 augustus 2024 heeft ING Andersson nadere vragen gesteld en gevraagd om het zogeheten eindgebruikerscertificaat (end user certificate) met betrekking tot de vliegtuigmotor. Achtergrond van de vragen van ING was onder meer dat bepaalde typen vliegtuigmotoren producten zijn die vallen onder de hiervoor onder 3.4 vermelde sanctieregelgeving. Andersson heeft dezelfde dag geantwoord en ING verzocht om de betalingen vrij te geven.

3.9.

Bij e-mail van 10 augustus 2024 heeft ING Andersson bericht dat zij over de betaling van USD 6.600.000,00 geen vragen meer heeft en dat dit bedrag is vrijgegeven en op de rekening van Andersson is bijgeschreven. ING heeft wel opnieuw gevraagd om het eindgebruikerscertificaat met betrekking tot de vliegtuigmotor.

3.10.

Bij e-mail van 11 augustus 2024 heeft ING Andersson geschreven dat haar vragen van 8 augustus 2024 onvolledig zijn beantwoord, dat het eindgebruikerscertificaat nog altijd ontbreekt en dat koper Drayton geen vliegtuigmaatschappij is en derhalve niet de eindgebruiker van de vliegtuigmotor kan zijn. Andersson heeft daarop geantwoord dat Drayton de eindgebruiker van de vliegtuigmotor is en dat zij geen aanvullende informatie kan verstrekken. Zij heeft ING opnieuw verzocht om het bedrag van USD 500.000,00 vrij te geven.

3.11.

Omdat ING dit weigerde, heeft Andersson ING in kort geding gedagvaard, welk kort geding op 12 augustus 2024 ten overstaan van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam diende. Vlak voor de aanvang van de mondelinge behandeling van het kort geding heeft Andersson een eindgebruikerscertificaat met betrekking tot de verkochte vliegtuigmotor in het geding gebracht. Volgens dit certificaat is luchtvaartmaatschappij PT Lion Mentari Airlines te Jakatra Pusat, Indonesië (hierna: Lion Air) de eindgebruiker van de vliegtuigmotor. Over dit certificaat heeft ING gesteld dat het niet in overeenstemming is met de eerdere ver- klaring van Andersson dat Drayton de eindgebruiker is, dat het certificaat pas op 12 augustus 2024 is ontvangen terwijl er al sinds 8 augustus 2024 om is gevraagd, dat het certificaat kennelijk pas is opgemaakt op 6 augustus 2024 hoewel de vliegtuigmotor al in juli 2024 is ver- kocht, dat de vliegtuigmotor bedoeld is voor een Airbus A320 terwijl in het certificaat staat dat het gaat om een Boeing 737 en dat Lion Air niet vliegt met Airbus-vliegtuigen.

3.12.

Bij brief van 4 september 2024 heeft ING – samengevat – Andersson als volgt geïnformeerd over haar bevindingen en conclusies. Nu Andersson weigerde ING informatie te verschaffen die haar in staat stelde de echtheid van het eindgebruikerscertificaat te verifiëren, moet ING ervan uitgaan dat het aannemelijk is dat Andersson het document heeft aangepast (vervalst). ING heeft daarnaast aan Andersson gemeld dat zij niet kan uitsluiten dat sprake is van sanctie-omzeiling of overtreding van sanctieregelgeving door middel van de handel met Drayton en dat dit voor ING een onacceptabel risico vormt. ING heeft in deze brief eveneens aan Andersson bericht dat de bedrijfsactiviteiten en het klantprofiel van Andersson onvoldoende transparant waren en dat zij grote risico’s zag die ertoe kunnen leiden dat ING niet aan haar verplichtingen op grond van de Wet op het financieel toezicht (Wft) en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) kan voldoen. ING heeft Andersson in de brief verzocht haar uiterlijk op 11 september 2024 van een reactie en bewijsstukken te voorzien die de juistheid van de standpunten van Andersson zouden onderbouwen. Een uitblijvende, niet tijdige of onvolledige reactie zou gevolgen hebben voor de bancaire relatie met Andersson en aan haar gelieerde partijen en zou leiden tot opname van persoonsgegevens in het interne verwijzingsregister van ING (hierna: het IVR-register) voor de duur van acht jaar.

3.13.

Nadere reacties van Andersson nadien hebben ING niet tot een andere mening gebracht.

3.14.

ING heeft bij brieven van 12 november 2024 ING de bankrelatie met Andersson, haar twee dochtermaatschappijen en [naam] in privé (hierna: [naam] ) opgezegd tegen 12 februari 2025. Nadien is de bancaire relatie tussen Andersson, haar dochtermaatschappijen en [naam] afgewikkeld en zijn saldi op de door hen bij ING aangehouden bankrekeningen overgemaakt naar rekeningen bij een andere bank, waarna de bankrekeningen bij ING zijn opgeheven.

3.15.

Op 4 maart 2025 heeft ING aan [naam] naar aanleiding van diens AVG-inzageverzoek van 17 februari 2025 onder meer bevestigd dat de (persoons)gegevens van Andersson met ingang van 15 november 2024 zijn opgenomen in zowel het IVR-register als het externe verwijzingsregister (hierna: het EVR-register), telkens voor de maximale duur van acht jaar.

3.16.

Andersson heeft tegen de opzegging van de bancaire relatie en de opname in het IVR- en EVR-register tevergeefs bezwaar gemaakt bij ING en een door haar bij ING ingediende klacht is eveneens afgewezen.

3.17.

ING heeft op 9 december 2024 aangifte gedaan van (poging tot) valsheid in geschrifte op grond van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht door Andersson.

3.18.

Andersson heeft inmiddels een bancaire relatie met Rabobank.

4 Procedure bij de rechtbank

4.1.

Andersson heeft in eerste aanleg gevorderd dat – verkort weergegeven – ING wordt geboden om het bedrag van USD 500.000,00 vrij te geven en wordt verboden om daarna uitgaande boekingen ter zake van de in het geding zijn handelstransacties te blokkeren. De vorderingen zijn gemotiveerd met de stelling dat ING haar zorgplicht jegens Andersson schendt. ING zou niet duidelijk hebben gecommuniceerd over haar onderzoek naar de betalingen aan Andersson en mede daarom ook niet gerechtigd zijn de bancaire relatie te beëindigen. ING heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.2.

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Andersson afgewezen, met haar veroordeling in de kosten. Zij heeft overwogen dat ING terecht aan de rechtmatigheid van de transactie van USD 500.000,00 heeft getwijfeld, dat Andersson die twijfel niet heeft kunnen wegnemen en dat ING daarom terecht zekerheidshalve die betaling tegenhoudt, zodat ING geen zorgplicht schendt en niet onrechtmatig handelt of tekortschiet. Een belangenafweging leidde volgens de voorzieningenrechter niet tot het oordeel dat ING het bedrag van USD 500.000,00 toch aan Andersson moet vrijgeven.

5 Vordering in hoger beroep

6 Beoordeling

7 Beslissing