Gerechtshof Amsterdam, 13-11-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3042, 200.335.381/01OK
Gerechtshof Amsterdam, 13-11-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3042, 200.335.381/01OK
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 13 november 2025
- Datum publicatie
- 2 december 2025
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3042
- Zaaknummer
- 200.335.381/01OK
Inhoudsindicatie
Ondernemingskamer; tweede fase beschikking; vaststelling wanbeleid; gedeelde verantwoordelijkheid voor het wanbeleid; handhaving van de tijdelijke overdracht van de aandelen
Uitspraak

beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.335.381/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 13 november 2025
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
B.V. LANDGOED DEN ALERDINCK II,
gevestigd te Laag Zuthem,
VERZOEKSTER,
advocaat: mr. I. Spinath, kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
B.V. LANDGOED DEN ALERDINCK II,
gevestigd te Laag Zuthem,
VERWEERSTER,
advocaat: mr. I. Spinath, kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n
1. de stichting
STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR AANDELEN B.V. LANDGOED DEN ALERDINCK II,
gevestigd te Laag Zuthem,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. P.M. Gunning, kantoorhoudende te Arnhem,
e n t e g e n
wonende te [plaats] ,
3. [zus],
wonende te [plaats] ,
BELANGHEBBENDEN,
advocaat: mr. S.C.M. van Thiel, kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n
wonende te [plaats] ,
BELANGHEBBENDE.
1 Het verloop van het geding
Hierna zullen partijen en andere betrokken personen (ook) als volgt worden aangeduid:
- -
-
verzoekster tevens verweerster als Den Alerdinck II;
- -
-
belanghebbende sub 1 als STAK;
- -
-
belanghebbende sub 2 als [broer A] ;
- -
-
belanghebbende sub 3 als [zus] ;
- -
-
belanghebbende sub 4 als [broer B] ;
- -
-
voormalig bestuurder [voormalig bestuurder] als [voormalig bestuurder] ;
- -
-
huidig bestuurder [huidig bestuurder] als [huidig bestuurder] ;
- -
-
voormalig voorzitter van de RvC [voormalig voorzitter RvC] als [voormalig voorzitter RvC] ;
- -
-
huidig voorzitter van de RvC [huidig voorzitter RvC] als [huidig voorzitter RvC] ;
- -
-
Prof. Dr. S. Perrick als Perrick of de OK-beheerder;
- -
-
Mr. C.J. van Dijk als de onderzoeker.
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen in deze zaak van 23 en 26 oktober 2020, 7 november 2022, 15 maart, 14 juli, 4 en 18 oktober 2023.
Bij de beschikking van 23 oktober 2020 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek gelast naar het beleid en de gang van zaken van Den Alerdinck II over de periode vanaf 16 april 2018 en bepaald dat bij wijze van onmiddellijke voorziening alle door STAK gehouden aandelen in het geplaatste kapitaal van Den Alerdinck II overgedragen worden aan een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon. De aanwijzing van een onderzoeker is destijds aangehouden.
Bij beschikking van 26 oktober 2020 heeft de Ondernemingskamer prof. dr. S. Perrick als beheerder aangewezen zoals bedoeld in de beschikking van 23 oktober 2020.
Bij beschikking van 7 november 2022 heeft de Ondernemingskamer op verzoek van [broer A] en [zus] bij wijze van onmiddellijke voorziening mr. drs. C. Kloppers aangewezen als onafhankelijk bemiddelaar om via mediation alsnog tot een oplossing van de geschillen te kunnen komen. Dat heeft uiteindelijk niet tot een oplossing geleid.
Bij beschikking van 15 maart 2023 heeft de Ondernemingskamer mr. C.J. van Dijk aangewezen als onderzoeker en het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 25.000, de verschuldigde omzetbelasting daarbij inbegrepen.
Bij beschikking van 14 juli 2023 heeft de Ondernemingskamer het verzoek van [broer A] en [zus] om te verbieden het voorstel tot benoeming van [F] als commissaris van Den Alerdinck II tijdens een algemene vergadering te behandelen en daarover besluitvorming te laten plaatsvinden en de heer [huidig voorzitter RvC] te schorsen als commissaris en een onafhankelijke persoon als commissaris te benoemen met beslissende stem, afgewezen.
Bij e-mailbericht van 3 oktober 2023 heeft de onderzoeker het verslag met bijlagen van het in 1.3 bedoelde onderzoek aan de Ondernemingskamer doen toekomen.
Bij beschikking van 4 oktober 2023 heeft de Ondernemingskamer bepaald dat het ter griffie van de Ondernemingskamer neergelegde onderzoeksverslag aldaar ter inzage ligt voor belanghebbenden.
Bij beschikking van 18 oktober 2023 heeft de Ondernemingskamer de vergoeding van de onderzoeker bepaald op € 24.678,73, de verschuldigde omzetbelasting daarbij inbegrepen.
Den Alerdinck II heeft bij verzoekschrift van 4 december 2023 de Ondernemingskamer verzocht, samengevat,
-
vast te stellen dat zich bij de vennootschap in de periode van 16 april 2018 tot en met 17 september 2020 sprake is geweest van wanbeleid;
-
de tijdelijke overdracht van de aandelen van STAK aan de OK-beheerder ten titel van beheer voor de duur van drie jaren (of een door de Ondernemingskamer te bepalen periode) te handhaven;
-
primair [broer A] en [zus] te veroordelen in de kosten van het onderzoek, waarbij [broer A] driekwart en [zus] één kwart van de kosten draagt, en subsidiair [broer A] , [zus] en [broer B] in een door de Ondernemingskamer te bepalen verdeling te veroordelen in de kosten van het onderzoek;
-
[broer A] en [zus] te veroordelen in de kosten van het geding.
[broer A] en [zus] hebben bij verweerschrift van 30 januari 2025 de Ondernemingskamer verzocht
I. primair het verzoek van Den Alerdinck II af te wijzen;
subsidiair, indien de Ondernemingskamer zou oordelen dat sprake is van wanbeleid,
a. te bepalen dat hiervoor verantwoordelijk zijn:
− [broer B] , althans [broer B] en [broer A] in gelijke mate, althans [broer B] , [broer A] en [zus] in gelijke mate, en
− [voormalig bestuurder] en [voormalig voorzitter RvC] ;
en
b. indien de Ondernemingskamer in dat geval zou menen dat een voorziening ex artikel 2:355 lid 1 BW geboden is;
− Den Alerdinck II te ontbinden met benoeming van een onafhankelijke persoon als vereffenaar, niet zijnde Perrick,
althans
− een onafhankelijke persoon als beheerder van de aandelen in Den Alerdinck II te benoemen, niet zijnde Perrick, voor de duur van maximaal een jaar, en de raad van commissarissen van Den Alerdinck II voor de duur van het beheer buiten werking te stellen;
en
c. indien de Ondernemingskamer een veroordeling in de kosten van het onderzoek in de zin van artikel 2:354 BW aangewezen acht, die veroordeling te beperken tot een door de Ondernemingskamer in goede justitie te bepalen deel van die kosten met inachtneming van het vermelde in paragraaf 5.9 e.v. van het verweerschrift en [broer B] daarin te veroordelen, althans [broer B] en [broer A] voor gelijke delen, althans [broer B] , [broer A] en [zus] voor gelijke delen, met bepaling dat deze veroordeling niet hoofdelijk is, maar voor afzonderlijke delen;
II. Den Alerdinck II te veroordelen in de kosten van de procedure.
[broer B] heeft bij verweerschrift van 17 februari 2025 de Ondernemingskamer verzocht te beslissen zoals door Den Alerdinck II verzocht, met dien verstande dat hij niet in de kosten van het onderzoek wordt veroordeeld.
De verzoeken zijn behandeld op de zitting van de Ondernemingskamer van 20 februari 2025. De advocaten hebben toen de standpunten van de verschillende partijen toegelicht aan de hand van overgelegde aantekeningen. Den Alerdinck II en [broer A] en [zus] hebben van tevoren nadere producties toegestuurd en die in het geding gebracht. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de Ondernemingskamer de zaak voor een periode van enkele maanden aangehouden om partijen desverzocht in de gelegenheid te stellen de mogelijkheid van een minnelijke regeling te onderzoeken. Op 25 juli 2025 hebben de advocaten bericht dat zij geen minnelijke regeling hebben bereikt en de Ondernemingskamer verzocht een beschikking te geven.
2 Inleiding en feiten
Deze zaak gaat over een familielandgoed dat gebukt gaat onder een familieruzie tussen twee broers en een zus. Ondanks verschillende pogingen daartoe, ook na interventie door de Ondernemingskamer, is het niet gelukt om in der minne tot een oplossing te komen.
Den Alerdinck II is ontstaan nadat het oorspronkelijke landgoed Den Alerdinck tot tweemaal toe (in 1868 en in 1979) is verdeeld. Zij is opgericht op 23 maart 1987 en legt zich toe op de exploitatie en instandhouding van het landgoed ‘Den Alerdinck II’. [voormalig bestuurder] (hierna: [voormalig bestuurder] ) is sinds 16 april 2018 bestuurder van Den Alerdinck II.
De aandelen in Den Alerdinck II werden tot zijn overlijden op 1 april 1988 gehouden door [vader] . Hierna zijn de aandelen in Den Alerdinck II door zijn weduwe geleidelijk overgedragen aan hun drie kinderen: [broer A] , [broer B] en [zus] . [broer A] en [broer B] wonen op het landgoed. [zus] woont in Canada.
Op 9 december 1999 zijn de aandelen in Den Alerdinck II gecertificeerd. STAK is sindsdien enig aandeelhouder van Den Alerdinck II en heeft certificaten van aandelen uitgegeven aan [broer A] , [broer B] en [zus] , ieder een derde deel.
Artikel 4.1 van de statuten van STAK (laatstelijk gewijzigd op 16 april 2018) voorziet in een viertal bestuursleden: één bestuurslid A, dat wordt benoemd door (afstammelingen van) [zus] , één bestuurslid B, dat wordt benoemd door (afstammelingen van) [broer A] , één bestuurslid C, dat wordt benoemd door (afstammelingen van) [broer B] en één bestuurslid D, dat wordt benoemd door de bestuursleden A, B en C gezamenlijk. Het bestuurslid D is geen lid van de familie en is de voorzitter van het bestuur van STAK.
Thans vormen [broer A] , [broer B] en [zus] het bestuur van STAK. [zus] heeft een doorlopende volmacht gegeven aan [broer A] , op basis waarvan [broer A] haar vertegenwoordigt in het bestuur van STAK. Van 27 mei 2005 tot 1 juni 2017 was [oud bestuurder D] bestuurder D van STAK. Sinds zijn defungeren is de functie van bestuurder D vacant.
In de loop der tijd zijn diverse geschillen ontstaan tussen [broer A] , [broer B] en [zus] . In 2015 heeft [broer A] een notitie geschreven over zijn grieven jegens [broer B] en deze aan [broer B] en [zus] gestuurd. Sedertdien zijn de problemen tussen [broer A] en [broer B] vergroot, en heeft [zus] de zijde van [broer A] gekozen.
Om tot een oplossing te komen hebben [broer B] , [broer A] en [zus] afgesproken zich te richten naar een door Quint en De Groot, de toenmalige advocaten van [broer A] en [broer B] , uit te brengen advies. Op 13 en 14 december 2017 hebben die advocaten in opdracht van Den Alerdinck II (deels bindende) adviezen uitgebracht over (i) de governance van Den Alerdinck II en (ii) de financiële geschillen die [broer A] , [broer B] en [zus] verdeeld hielden.
Overeenkomstig het advies over de governance zijn [broer A] , [broer B] en [zus] op 16 april 2018 teruggetreden als bestuurders van Den Alerdinck II en is [voormalig bestuurder] als bestuurder benoemd. Voorts is toen bij statutenwijziging een raad van commissarissen ingesteld, waarvan statutair twee van de drie leden moesten bestaan uit [zus] , [broer A] , [broer B] of hun afstammelingen; [broer A] en [broer B] zijn toen lid geworden en [voormalig voorzitter RvC] voorzitter. Op grond van artikel 9.5 lid 2 van de statuten zijn de daar genoemde bestuursbesluiten onderworpen aan goedkeuring door de raad van commissarissen en indien geen raad van commissarissen in functie is, aan goedkeuring van STAK. Geen gevolg is gegeven aan het advies alsnog een bestuurder D van STAK te benoemen. Artikel 9.4 lid 3 van de statuten houdt in dat de algemene vergadering (dat wil dus zeggen het bestuur van STAK) bij een daartoe strekkend besluit kan bepalen dat het bestuur zich moet gedragen naar de aanwijzingen van de algemene vergadering en dat het bestuur verplicht is die aanwijzingen op te volgen tenzij deze in strijd zijn met het belang van de vennootschap en haar onderneming.
Eén van de financiële geschillen die [broer A] , [broer B] en [zus] verdeeld houdt en waarover de adviseurs advies uitbrachten betreft de kosten van het (achterstallig) onderhoud aan een werkschuur. Deze werkschuur bevindt zich op het terrein van de Joan’s Hoeve, waar [broer A] woont. De werkschuur wordt gebruikt door [broer A] en door Den Alerdinck II, die daarin machines en gereedschap voor het landgoedbeheer opslaat. In het verleden werd de werkschuur ook gebruikt door [broer B] om zijn paarden te stallen.
Toen [broer A] de Joan’s Hoeve betrok zijn [broer A] , [broer B] en [zus] overeengekomen dat de kosten van de werkschuur gemeenschappelijk zijn en ten laste komen van Den Alerdinck II. Het advies hield op dit onderdeel in dat ongeacht het feit dat [broer B] zijn paarden inmiddels elders stalt, de kosten van het onderhoud van de schuur, inclusief het achterstallig onderhoud, moeten worden betaald conform deze afspraken. Dat geldt echter niet voor de kosten van de door [broer A] gewenste verbouwing, behoudens voor zover [broer B] met die verbouwing instemt. Tussen partijen bestaat verschil van inzicht over de te verrichten werkzaamheden aan de schuur en de verdeling van de kosten daarvan.
Een ander financieel geschil betreft de kosten van het overkomen van [zus] (die in Canada woont) en haar gezinsleden naar Nederland ten behoeve van Den Alerdinck II. Het advies luidde hier dat cruciale besluiten, zoals het vaststellen van de jaarrekening, mede door [zus] moeten worden genomen. Het landgoedbelang rechtvaardigt dan dat Den Alerdinck II de reis- en verblijfkosten van [zus] en haar gezin voor maximaal twee bezoeken per jaar voor haar rekening neemt. Op 20 november 2018 adviseerden Quint en De Groot in aanvulling daarop, dat de regeling voor [zus] zo strikt mogelijk moet worden uitgelegd omdat het een inbreuk op het uitgangspunt van gelijke behandeling van certificaathouders betekent; wanneer slechts eenmaal per jaar wordt vergaderd moeten de reiskosten daartoe worden beperkt, alsmede tot de kosten van haar partner en minderjarige kinderen.
Op 28 augustus 2019 heeft [broer A] mede namens [zus] 1) het bestuur van STAK verzocht een bestuursvergadering bijeen te roepen, 2) een vergadering van het bestuur van STAK bijeen geroepen op een nader te bepalen datum en 3) een algemene vergadering van Den Alerdinck II bijeengeroepen te houden aansluitend aan de bestuursvergadering.
Bij e-mail van 31 augustus 2019 en e-mail van 8 september 2019 heeft [broer B] bericht op onder meer 11 september 2019 wegens verblijf in het buitenland verhinderd te zijn. Bij e-mail van 1 september 2019 heeft [broer A] vervolgens mede namens [zus] het bestuur van STAK, de certificaathouders, de raad van commissarissen en het bestuur opgeroepen voor een vergadering van het bestuur van STAK en voor een aansluitende aandeelhoudersvergadering van Den Alerdinck II, te houden op 11 september 2019.
Gezien de volmacht van [zus] aan [broer A] en het bepaalde in artikel 5.9 van de statuten van STAK (waarin is bepaald dat een bestuurslid zich ter vergadering door een medebestuurslid kan laten vertegenwoordigen, waarbij een bestuurslid voor één medebestuurslid als gevolmachtigde kan optreden) heeft [broer B] niemand kunnen machtigen hem te vertegenwoordigen in de vergadering van het bestuur van STAK van 11 september 2019. Wel heeft [broer B] de heer [X] gemachtigd namens hem in de aandeelhoudersvergadering van Den Alerdinck II als vergadergerechtigde te verschijnen en daarin het woord te voeren. [broer B] heeft deze derde persoon tevens gemachtigd tijdens de aandeelhoudersvergadering namens [broer B] zijn raadgevende stem als commissaris uit hoofde van artikel 2:227 lid 7 BW uit te oefenen.
In de vergadering van het bestuur van STAK van 11 september 2019 is onder meer besloten de functie van bestuurslid D voorlopig niet in te vullen. Bij brief van 11 oktober 2019 heeft [voormalig bestuurder] vervolgens het bestuur van STAK dringend verzocht op korte termijn over te gaan tot de benoeming van een bestuurslid D. Bij e-mail van 16 oktober 2019 heeft [broer A] , mede namens [zus] , gereageerd op dit verzoek en zich bereid verklaard de benoeming van een bestuurslid D te aanvaarden, “mits deze voorgesteld wordt door een nieuw (door de Ondernemingskamer) te benoemen bestuurder van de BV én een nieuw (door de Ondernemingskamer) te benoemen voorzitter RvC.” Pogingen om in onderling overleg tot benoeming van een concrete kandidaat tot bestuurder D te komen, zijn uiteindelijk mislukt omdat [broer B] zich niet met de door die aangezochte kandidaat gestelde voorwaarden kon verenigen.
In de aandeelhoudersvergadering van Den Alerdinck II van 11 september 2019 is onder meer besloten een “Besluit Aanwijzingen AV” op te (laten) stellen in samenspraak met een jurist, waarmee de algemene vergadering het bestuur van Den Alerdinck II (beleids)aanwijzingen kan geven. Tevens is ter vergadering geconstateerd dat er ten aanzien van een aantal onderwerpen binnen het bestuur sprake is van een tegenstrijdig belang, als gevolg waarvan de algemene vergadering zich als enige bevoegd acht tot beoordeling en besluitvorming.
Op 11 maart 2021 is [broer B] herbenoemd als lid van de RvC, voor een periode van vier jaar.
Bij e-mail van 21 april 2021 heeft [voormalig voorzitter RvC] aan [broer A] en [broer B] geschreven dat hij per die datum terugtreedt als voorzitter van de RvC. Hij schrijft:
“De nu al jaren durende strijd, gecombineerd met een permanente juridische dreiging en de agressieve toon waarop [broer A] communiceert hebben mij tot mijn grote spijt moeten besluiten terug te treden (...) Er is m.i. geen uitzicht op normalisering van de verhoudingen, waardoor het werken mij ongelijk wordt/is gemaakt.”
Op 28 april 2021 is [broer A] herbenoemd als lid van de RvC voor een periode van vier maanden.
Op 9 september 2021 is [huidig voorzitter RvC] aangetreden als voorzitter van de raad van commissarissen en is [broer A] opnieuw herbenoemd, ditmaal voor een periode van 6 maanden.
Op 16 april 2022 liep de herbenoemingstermijn van [broer A] af en sindsdien is hij geen lid meer van de RvC.
Op 19 juli 2022 hebben [broer A] en [zus] de Ondernemingskamer verzocht een bemiddelaar aan te stellen. Bij beschikking van 7 november 2022 heeft de Ondernemingskamer aan dat verzoek voldaan. Op 24 januari 2023 heeft de bemiddelaar de Ondernemingskamer laten weten dat de mediation was mislukt.
In de periode nadien is gepoogd om de RvC samen te stellen in overeenstemming met de statuten. Dat was tevergeefs, omdat [zus] en [broer A] erop stonden dat [broer A] weer deel zou gaan uitmaken van de RvC; [huidig voorzitter RvC] vond dat echter geen goed idee. Nadat het evenmin lukte het bezettingsprobleem op te lossen door de volgende generatie erbij te betrekken is op 10 mei 2023 besloten tot statutenwijziging. Die wijziging strekt er onder meer toe dat indien binnen de RvC na acht maanden niet in een vacature is voorzien, de overgebleven leden van de RvC alsnog bevoegd zijn om besluiten te nemen.
Op 16 april 2023 is [voormalig bestuurder] afgetreden en is [huidig bestuurder] aangetreden als bestuurder.
3 Het onderzoeksverslag
De onderzoeksbevindingen zijn door de onderzoeker als volgt samengevat (met aanpassing aan de door de Ondernemingskamer gehanteerde aanduidingen).
“5.1. Onderzoeker is geconfronteerd met een diepgaande persoonlijke controverse tussen enerzijds [broer A] en anderzijds [broer B] (een klassieke "broedertwist"). [zus] kiest daarbij de kant van [broer A] . Deze controverse maakt verdere constructieve samenwerking binnen het STAK en de RvC onmogelijk.
Daarnaast is sprake (geweest) van een door [broer A] bij de overige betrokkenen opgeroepen toenemende weerstand tegen [broer A] gedrag, benadering en opvattingen, waardoor de persoonlijke controverse zich ook tot die kring uitbreidde.
Informatie van betrokkenen wordt dan ook sterk gekleurd door de persoonlijke animositeit. Het overheersende beeld uit de door onderzoeker met andere betrokkenen dan [broer A] , [zus] en [broer B] gevoerde gesprekken is dat de opstelling, het gedrag, de houding en de wijze van communiceren van [broer A] bij alle anderen (behoudens bij [zus] ) gaandeweg en uiteindelijk grote irritatie, wrevel en weerstand heeft opgewekt.
Anderzijds is, in het licht van de reeds bestaande spanningen en verschillen van inzicht over het beheer tussen de broers die mede aanleiding waren tot het vragen van het Quint-De Groot advies in 2017, wel voorstelbaar dat [broer A] het gevoel heeft kunnen krijgen dat [voormalig bestuurder] en [voormalig voorzitter RvC] zich door [broer B] lieten "inpalmen" maar de wijze waarop [broer A] heeft gereageerd is disproportioneel en schadelijk voor de belangen van Den Alerdinck II. Het beleggen van de vergadering van 11 september 2019 en de wijze waarop [broer A] bij die gelegenheid besluiten meende te kunnen nemen was voor het bestuur uiteindelijk aanleiding om de - kostenverslindende - enquêteprocedure te starten. De financiële gevolgen daarvan zijn contrair aan het belang van Den Alerdinck II en tasten de vermogenspositie van Den Alerdinck II aan en vormen daarmee uiteindelijk een bedreiging van de continuïteit.
De oorzaak van de controverse is gelegen in de persoonlijke sfeer, een kennelijke onverenigbaarheid van karakters tussen de broers [broer A] en [broer B] . [broer A] verwijt [broer B] narcistisch gedrag. [broer B] neemt aanstoot aan de "notitie" van [broer A] (die [broer B] betitelt als "zwartboek" en "karaktermoord"). Die persoonlijke tegenstelling uit zich ook in de zakelijke samenwerking (lees: tegenwerking) binnen Den Alerdinck II.
Tijdens de onderzoeksperiode was [broer A] nog lid van de RvC en kon hij vanuit die positie het beleid en het bestuur beïnvloeden. Die situatie leidde tot de "dubieuze" vergadering van 11 september 2019. "Dubieus" omdat [broer A] deze vergadering - zonder aanwijsbare temporele noodzaak - plande en hield op een datum waarvan hij wist dat [broer B] een vergadering niet kon bijwonen. De notulen waren reeds gereed en getekend vóór de vergadering. Gevraagd naar de reden gaf [broer A] op "zich onveilig te voelen". (...) Er is onderzoeker niet gebleken van feiten of omstandigheden die meebrachten dat de vergadering niet kon worden uitgesteld tot een datum waarop [broer B] wel beschikbaar was. Bovendien heeft [broer A] desgevraagd verklaard dat hij dit deed om ditmaal "door te zetten", waaruit een vergaande minachting voor de positie van medevergadergerechtigden blijkt.
Sinds het defungeren van [broer A] als commissaris is evenwel van een belemmerende controverse binnen de RvC formeel geen sprake meer. Datzelfde geldt voor een controverse met het bestuur. Nu [broer A] geen commissaris meer is, heeft hij geen formele positie meer
die van invloed kan zijn op het bestuurlijk handelen.
[broer A] verwijt [broer B] - en [voormalig bestuurder] , [voormalig voorzitter RvC] en ook [huidig voorzitter RvC] - zich niet te houden aan de afspraak met betrekking tot de werkschuur (en de reiskosten van [zus] ) en is daarom van oordeel dat geen van betrokkenen deugt. [voormalig bestuurder] , [voormalig voorzitter RvC] zijn - nadat daarvoor aanvankelijk offerte was gevraagd - na grondig onderzoek naar gemaakte afspraken omtrent de werkschuur tot het (voortschrijdend) inzicht gekomen dat renovatie van de werkschuur (inmiddels nodig omdat als gevolg van de discussie jarenlang geen onderhoud is gepleegd) niet (langer) in het belang van Den Alerdinck II is. Niet uitgesloten is dat die meningsvorming mede is beïnvloed door [broer B] die, nadat het persoonlijk conflict was geëscaleerd en hij zijn paarden uit de schuur had gehaald, zelf geen belang meer had bij onderhoud van de schuur. Dat [broer A] door zijn houding weerstand bij [voormalig bestuurder] , [voormalig voorzitter RvC] (en [huidig voorzitter RvC] ) heeft opgeroepen speelt een rol. In reactie op het conceptrapport hebben [voormalig bestuurder] en [voormalig voorzitter RvC] "met kracht (willen) ontkennen dat welke besluitvorming dan ook binnen de vennootschap is beïnvloed door de houding van [broer A] ' . Onderzoeker is van mening dat die ontkenning sterk moet worden gerelativeerd gezien de uitlatingen van [voormalig bestuurder] en [voormalig voorzitter RvC] tijdens het met hen beiden gehouden interview (sub 1.4).
Hoewel het niet aan onderzoeker is om een oordeel te vellen over de juridische status van de afspraak omtrent de schuur (en de reiskosten) staat wel vast dat een dergelijke afspraak destijds in 2003-2004 is gemaakt en ook - bij wijze van "niet-bindend advies" - is bevestigd in het advies van Quint en De Groot van 2017. Voor het feit dat - in afwijking van dat (niet-bindend) advies Den Alerdinck II die afspraak niet langer honoreert wordt geen deugdelijke verklaring door het bestuur van Den Alerdinck II gegeven, anders dan dat renovatie van de schuur - in erfpacht bij [broer A] - niet in het belang van Den Alerdinck II (meer) is. Dat moge strikt genomen zo zijn, maar die opstelling negeert het advies van Quint en De Groot uit 2017 waarbij Den Alerdinck II ook partij was en waaraan (het bestuur van) Den Alerdinck II zich niet eenvoudig kan onttrekken. In hun reactie op het conceptverslag stellen [voormalig bestuurder] en [voormalig voorzitter RvC] nog dat "er hier sprake is van een onhoudbare en onterechte claim van [broer A] " aangezien Quint en De Groot zich alleen hadden uitgelaten over "onderhoud" en niet over "renovatie". Onderzoeker vindt dit een enigszins gezocht argument tegen de achtergrond van het feit dat onderhoud na ontstaan van het conflict in 2015 niet meer was uitgevoerd en de staat van de schuur snel achteruit ging. Wel kan de onderzoeker zich voorstellen dat de wensen van [broer A] ten aanzien van de schuur door [voormalig bestuurder] en [voormalig voorzitter RvC] als te vergaand zijn opgevat, al dan niet beïnvloed door [broer B] , die - in strijd met de afspraak - van mening was dat er door Den Alerdinck II ook geen onderhoudskosten meer zou moeten worden betaald.
Het wrange van de situatie is thans dat het enquêteverzoek van het bestuur namens Den Alerdinck II inmiddels een veelvoud van de begrote renovatiekosten heeft gekost. Onderzoeker vroeg zich af of het bestuur daar de juiste afweging had gemaakt door het juridische traject te kiezen in plaats van het praktische (de renovatie).
Nadere bevraging van het bestuur ( [voormalig bestuurder] en [voormalig voorzitter RvC] ) heeft uitgewezen dat die afweging wel, zij het niet zo concreet, is gemaakt. Het bestuur heeft - mede op advies van haar advocaat - gekozen voor de juridische weg en daarbij direct de Ondernemingskamer gevraagd de behandeling uit te stellen in afwachting van een minnelijke oplossing die naar toenmalige inschatting van het bestuur, door het opstarten van een procedure mogelijk zou kunnen worden bereikt in de vorm van (alsnog) benoeming van een STAK bestuurder D waardoor herhaling van [broer A] vergaderstrategie kon worden voorkomen en evenwicht in het STAK-bestuur kon worden bereikt.
Die inschatting is niet juist gebleken. Tot op heden is in de vacature van STAK-bestuurder D niet voorzien en [broer A] c.s. zijn niet gevoelig gebleken voor druk (en de financiële gevolgen) van een enquêteprocedure.
Daarbij was tevens de verwachting van het bestuur dat de keuze voor uitvoering van de werkzaamheden aan de schuur geen einde zou maken aan de conflicten met [broer A] ; men verwachtte dat [broer A] op andere punten zijn vergaderstrategie zou willen herhalen, al dan niet met een vervangen, door hem aldus benoemd bestuur. Dat wilde het bestuur via het opstarten van een enquêteprocedure voorkomen.
Onderzoeker acht onder de gegeven omstandigheden de keuze voor de enquêteprocedure niet onverantwoord noch onzorgvuldig.
Samenvattend:
a. de wijze waarop [broer A] de vergadering van 11 september 2019 heeft gebruikt voor de realisatie van zijn belangen deugt niet en getuigt van minachting voor de positie van de overige
vergadergerechtigde ( [broer B] ) en - ongeacht de vraag of formeel juist was geagendeerd en opgeroepen - ondermijnde een juiste gang van zaken in de (familie-)Vennootschap en haar
organen;
b. de keuze van het bestuur om de kostenafspraak met betrekking tot de schuur (en de reiskosten) zoals bevestigd in het (niet bindend) advies van Quint en De Groot niet langer na
te komen is - tegen de achtergrond van dit advies – niet verklaarbaar; de opgegeven reden ("geen belang meer") kan die beslissing niet dragen. Dat die beslissing evenwel zou leiden tot de hierboven onder a. genoemde gevolgen was redelijkerwijs niet te voorzien.
c. bij de keuze voor de enquêteprocedure is door het bestuur een afweging en een strategische keuze gemaakt waarbij (vergeefs) is gestuurd op beperking van kosten en de (terechte) wens herhaling van [broer A] "vergaderstrategie" te voorkomen de doorslag heeft gegeven.”