Home

Gerechtshof Amsterdam, 05-08-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3274, 24/179

Gerechtshof Amsterdam, 05-08-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3274, 24/179

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
5 augustus 2025
Datum publicatie
10 december 2025
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2025:3274
Zaaknummer
24/179
Relevante informatie
Art. 221 Gemw, Art. 228 Gemw

Inhoudsindicatie

In hoger beroep is de juistheid van de opgelegde aanslag precariobelasting 2021 in geschil.

Uitspraak

kenmerk 24/179

5 augustus 2025

uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. B.J. de Laaf)

tegen de uitspraak van 7 december 2023 in de zaak met kenmerk AMS 22/3575 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [Z], de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 30 april 2021 aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag opgelegd in de precariobelasting van € 2.756. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar de aanslag gehandhaafd.

1.2.

De rechtbank heeft het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 18 januari 2024 en aangevuld bij brief van 23 mei 2024.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.3.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal van de zitting is aan deze uitspraak gehecht.

2 Feiten

Aan belanghebbende is voor het jaar 2021 een aanslag precariobelasting opgelegd voor de woonboot aan de [a-straat] 4 te [Z] (hierna: de woonboot). Belanghebbende woont zelf op de woonboot.

3 Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is de juistheid van de opgelegde aanslag precariobelasting 2021 in geschil.

De rechtbank heeft als volgt overwogen en beslist:

Oordeel rechtbank

Onredelijke en willekeurige belastingheffing

6. De rechtbank merkt op dat eiser in de procedure over belastingjaar 2020 grotendeels dezelfde beroepsgronden heeft aangevoerd als in deze zaak. De rechtbank verwijst naar haar uitspraak van 26 april 2022 [voetnoot 2: Rechtbank Amsterdam 26 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2233] waaruit volgt dat geen sprake is van een onredelijke en willekeurige belastingheffing, die de wetgever niet voor ogen kan hebben gehad bij het toekennen van de bevoegdheid tot belastingheffing aan de gemeenteraad. De uitspraak is bevestigd door het gerechtshof Amsterdam (het Hof) in haar uitspraak van 20 juni 2023 [voetnoot 3: Gerechtshof Amsterdam 20 juni 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1758].

7. In aanvulling op de genoemde uitspraken oordeelt de rechtbank dat het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. De rechtspositie van huurders van woningen is immers een geheel andere dan die van belastingplichtigen zoals eiser, waarvan precariobelasting wordt geheven. Voor het sluiten van een (huur)overeenkomst is de wil van partijen vereist. Dit betekent dat een huurovereenkomst tussen de verhurende en hurende partij niet eenzijdig wordt gesloten. Zoals eiser aanvoert kunnen verhuurders dan ook niet – of slechts in beperkte mate – eenzijdig het afgesproken huurbedrag verhogen. Hiertegenover staat dat het de gemeentelijke wetgever tot op zekere hoogte vrij staat om eenzijdig te bepalen wat een belastbaar feit is en wie belastingplichtig is. Daarnaast is de gemeentelijke wetgever niet afhankelijk van instemming van de belastingplichtige bij het vaststellen van de tarieven. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de tariefsverhoging leidt tot onrust, kan geen sprake zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel gelet op de verschillen in de aard van de rechtspositie tussen een huurder en een belastingplichtige.

8. Zoals geoordeeld in de uitspraak van 26 april 2022, komt de gemeentelijke wetgever een grote mate van vrijheid toe bij het vaststellen van de precariotarieven. Dat de waarde(stijging) van de grond van belang is voor het vaststellen van de heffingsmaatstaf voor de onroerende zaakbelasting (OZB) en daarmee de RRB [voetnoot 4: Artikel 221, derde lid, van de Gemeentewet], maakt niet dat de waarde(stijging) van de gemeentegrond niet ook een factor mag zijn voor het vaststellen van de (nieuwe) precariotarieven. Anders dan eiser stelt, is daarmee namelijk geen sprake van een dubbele belasting voor de waardestijging van de grond. De RRB wordt geheven voor de woonboot zelf, de precariobelasting wordt geheven voor het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. Beide belastingen hebben een andere wettelijke grondslag. Dat bij het vaststellen van de hoogte ervan (deels) dezelfde factoren in aanmerking worden genomen, betekent niet dat sprake is van dubbele belastingheffing. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om de tariefstelling in de Verordening onverbindend te verklaren. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

Belastbaar feit

9. De rechtbank verwijst naar haar uitspraak van 26 april 2022 [voetnoot 5: Rechtbank Amsterdam 26 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2233] en de uitspraak van het Hof van 20 juni 2023 [voetnoot 6: Gerechtshof Amsterdam 20 juni 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1758] waaruit volgt dat de woonboot van belanghebbende boven gemeentegrond ligt en de gemeente niet gehouden is op grond van enige wettelijke of contractueel overeengekomen verplichting dit te gedogen. De woonboot vormt daarmee een voorwerp dat boven de voor openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig is in de zin van art. 228 lid 1 van de Gemeentewet en art. 2 van de Verordening. De omstandigheid dat de woonboot bedoeld is om ter plaatse als woning te functioneren en niet voor een ieder toegankelijk is maar in beginsel alleen door of met toestemming van de bewoner, maakt dit niet anders [voetnoot 7: Gerechtshof Amsterdam 20 juni 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1758, r.o. 5.5].

10. In aanvulling op voornoemde uitspraken oordeelt de rechtbank als volgt. Dat de woonboot aangemerkt kan worden als ‘bouwwerk ’in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en dat een ligplaats sinds 1 juli 2022 onder de definitie ‘woonruimte’ valt in het BW leiden niet tot een ander oordeel. Immers, waar het begrip ‘bouwwerk’ betrekking heeft op de vergunningsplicht in de zin van de Wabo, heeft het begrip ‘woonruimte’ uit boek 7 BW betrekking op privaatrechtelijke huurovereenkomsten. Deze begrippen hebben geen invloed op de definiëring van ‘voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond’ in de zin van artikel 228 Gemeentewet. De beroepsgrond dat geen sprake is van een belastbaar feit slaagt niet.

Rechtsbescherming

11. Zoals gezegd begrijpt de rechtbank het gevoel van onrust van eiser met betrekking tot de verhoging van de precariotarieven. De rechtbank volgt echter niet dat rechtsbescherming voor woonbooteigenaren ontbreekt. Dat de rechtbank eiser geen gelijk heeft gegeven in de eerdere procedure, maakt niet dat geen sprake is van rechtsbescherming. Eiser is immers in beroep gegaan tegen de aanslag precariobelasting en eiser is ontvankelijk verklaard in zijn beroep. De rechtbank is echter geboden tot een terughoudende toetsing, nu het beroep ziet op de vaststelling van een verordening. De rechtbank mag niet op de stoel van de wetgever gaan zitten en moet in beginsel de politieke besluitvorming respecteren. Zoals eerder is geoordeeld is slechts ruimte voor ingrijpen door de rechtbank indien de besluitvorming oncontroleerbaar of onzorgvuldig is geweest, bijvoorbeeld omdat de daarbij gemaakte keuzes niet zijn gemotiveerd [voetnoot 8: Rb Amsterdam 26 april 2022, NL:RBAMS:2022:2233, r.o. 12; Gerechtshof Amsterdam 20 juni 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1758, r.o. 5.11-5.13].

12. Voor zover de vragen van eiser niet zijn beantwoord in deze uitspraak, stelt de rechtbank het volgende vast. Het is de taak van de rechtbank om uitspraak te doen in geschillen over besluiten van de overheid. Het is niet aan de rechtbank om vragen in algemene zin te beantwoorden.

Conclusie

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een vergoeding van de proceskosten of het door eiser betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.”

5 Beoordeling van het geschil

6 Kosten

7 Beslissing