Gerechtshof Amsterdam, 29-08-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3428, 24/3863 en 24/3864
Gerechtshof Amsterdam, 29-08-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3428, 24/3863 en 24/3864
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 29 augustus 2025
- Datum publicatie
- 26 maart 2026
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3428
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2024:14103, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 24/3863 en 24/3864
- Relevante informatie
- AOW, Art. 1.2.2 Wlz, Wlz
Inhoudsindicatie
IB/PVV. Op de zaak betrekking hebbende stukken. Woonplaats. Heffingsbevoegdheid. Vertrouwensbeginsel.
Uitspraak
kenmerken 24/3863 en 24/3864
29 augustus 2025
uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , wonende te [Y] , belanghebbende,
(gemachtigde: A. Rus)
tegen de uitspraak van 18 oktober 2024 in de zaak met kenmerken HAA 23/2035 en 23/2036 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft met dagtekening 16 december 2022 aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.165.
De inspecteur heeft met dezelfde dagtekening en voor hetzelfde jaar aan belanghebbende een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 7.587.
Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar (hierna: de uitspraak op bezwaar) heeft de inspecteur de aanslagen ib/pvv en Zvw gehandhaafd.
Tegen de uitspraak op bezwaar is beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft drie nadere stukken ingediend, ingekomen bij het Hof op 20 februari 2025, 5 augustus 2025 en 25 augustus 2025. De inspecteur heeft een nader stuk ingediend op 15 juli 2025.
Met instemming van partijen heeft geen onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Bij brief van 25 augustus 2025 heeft het Hof partijen geïnformeerd dat het onderzoek is gesloten.
2 Feiten
Belanghebbende heeft de [land 2] nationaliteit. Hij is geboren op [datum] .
In de jaren ’70 heeft belanghebbende bij een bedrijf in [plaats 1] gewerkt. In deze periode is hij chronisch ziek geworden. Hij is in [land 1] afgekeurd om te werken en krijgt sinds 1975 een uitkering, aanvankelijk van de [instantie] , later van de [instantie] . Het betrof een invaliditeitspensioen. Bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd is dat omgezet in een ouderdomspensioen.
Sinds 1 januari 1986 staat belanghebbende ingeschreven op de [straat] te [Y] .
In 2020 bedroeg het [land 1] pensioen € 7.587. Belanghebbende ontving in dat jaar ook een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) ter hoogte van € 8.569. Daarnaast kreeg hij een pensioen van de [stichting] ter hoogte van € 9.”
3 Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil of de aanslagen ib/pvv en Zvw terecht en naar de juiste hoogte zijn opgelegd. In het bijzonder is daarbij in geschil of belanghebbende woonde in Nederland en Nederland heffingsbevoegd was.
4.. Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Vooraf
Ingevolge art. 8:42 lid 1 Awb dient de inspecteur de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toe te zenden. Het gaat daarbij - kort gezegd - om alle stukken die de inspecteur ter beschikking hebben gestaan en voor de beslechting van het geschil van belang kunnen zijn. Het dossier bevat geen aanwijzing dat de inspecteur deze verplichting niet is nagekomen. Ook anderszins beschikt het Hof niet over dergelijke aanwijzingen. De rechtbank heeft het dossier ter beschikking gesteld aan het Hof.
In zijn op 28 juli 2025 gedateerd en op 5 augustus 2025 bij het Hof ingekomen nader stuk schrijft belanghebbende onder andere:
“Tevens mijn klacht tegen de rechtbank Noord-Holland- Noord betreft het belastingjaar 2020, is door mijn [X] geen beroepschrift gezonden naar de rechtbank. Dit beroepschrift is digital verzonden door de belastingdienst onder mijn naam digitaal zonder overleg en handtekening met mij naar de rechtbank!
Ik betaalde geen griffier kosten, kreeg daarna bericht van het ministerie dat dit beroepschrift niet ter behandeling komt als de griffier kosten niet betaald zijn.
Ook de belastingdienst betaalde de griffierkosten niet, dan mag de rechtbank dit beroepschrift niet ter behandeling nemen en uitspraak doen in het vonnis.
Dat is tegen de regels van de rechtbank, dan mag het hoger beroep Amsterdam het belastingjaar 2020 niet ter behandeling nemen. Dat is schending van de regels rechtbank.”
Voor zover belanghebbende hiermee heeft willen betogen dat de rechtbank geen uitspraak had mogen doen in het onderhavige geschil, is dit onjuist. Het dossier bevat een door belanghebbende zelf ondertekend per aangetekende post aan de rechtbank gezonden beroepschrift (gedagtekend 6 februari 2023 en bij de rechtbank ontvangen op 8 februari 2023) gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 31 januari 2023 welke uitspraak betrekking heeft op de heffing over het jaar 2020. De rechtbank heeft het beroep in behandeling genomen en belanghebbende uitgenodigd voor de behandeling van zijn zaak op de zitting bij de rechtbank. Belanghebbende is daar – samen met zijn gemachtigde – verschenen en zij hebben niet te kennen gegeven dat het beroep niet door belanghebbende was ingesteld of dat het niet hoefde te worden behandeld. In tegendeel, zij hebben hun zaak op die zitting nader toegelicht. Nu dat beroep niet is ingetrokken was de rechtbank bevoegd en gehouden uitspraak te doen.
Woonplaats
Ingevolge art. 4 lid 1 AWR en art. 1.2.2 lid 1 van de Wet langdurige zorg – voor zover hier van belang – wordt de plaats waar iemand woont naar de omstandigheden beoordeeld. Het komt er daarbij voor de vraag of iemand in Nederland woont op aan of de omstandigheden van dien aard zijn dat dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land. Voor het woonplaatsbegrip in de volksverzekeringen heeft de wetgever beoogd aan te sluiten bij het fiscale woonplaatsbegrip (HR 4 maart 2011, nr. 10/04026, ECLI:NL:HR:2011:BP6285, BNB 2011/127).
In aanmerking nemende dat belanghebbende volgens de Basisregistratie Personen vanaf 1 januari 1986 onafgebroken staat ingeschreven op het adres op het adres [straat] , [postcode] te [Y] (zie bijlage 13 bij het verweerschrift in eerste aanleg), dat hij dit adres ook gebruikt als correspondentieadres in deze procedure en in zijn correspondentie met de ombudsman, de [instantie] en de [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) en dat hij blijkens een door hem (ook) in hoger beroep overgelegde ‘ [instantie] ’ op 16 juni 1986 is uitgeschreven uit de bevolkingsadministratie van [plaats 2] ( [land 1] ), acht het Hof het – bij gebreke van omstandigheden die een ander oordeel rechtvaardigen - voldoende aannemelijk geworden dat belanghebbende naar de omstandigheden beoordeeld in het jaar 2020 in Nederland woonde.
Volgens art 1.2.1 in verbinding met art. 2.1.1, aanhef en onderdeel a, van de Wet langdurige zorg was belanghebbende als iemand die in Nederland woont en daarmee ingezetene is verzekerd overeenkomstig die wet, hetgeen meebrengt dat belanghebbende ook verzekerd is ingevolge de Zorgverzekeringswet (art. 2 lid 2 van die wet)
Belanghebbende is derhalve zowel voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen als voor de heffing van de premie Zorgverzekeringswet volgens de Nederlandse wetgeving aan te merken als iemand die in Nederland woont.
Heffingsbevoegdheid
Op grond van art. 4 lid 1 van het met ingang van 1 januari 2016 van toepassing zijnde Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de [land 1] tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (Trb. 2012, 123, zoals nadien gewijzigd hierna: het Verdrag) is belanghebbende ook voor de toepassing van het Verdrag inwoner van Nederland. Daarbij heeft het Hof overwogen dat de stukken van het geding geen aanwijzing bevatten dat belanghebbende ingevolge de [land 1] wetgeving (eveneens) in het voorliggende jaar 2020 wordt aangemerkt als inwoner van [land 1] . Voor het geval dat dit anders zou zijn geldt dat belanghebbende desalniettemin voor de toepassing van het Verdrag als inwoner van Nederland heeft te gelden op grond van de omstandigheid dat hij alhier een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft en de stukken van het geding geen enkele aanwijzing bevatten dat hij eveneens in [land 1] over een tehuis beschikt (art. 4 lid 2, aanhef en onderdeel a, van het Verdrag). Voorts geven de gedingstukken geen aanleiding tot het oordeel dat de persoonlijke en economische betrekkingen van belanghebbende niet het nauwst verbonden zijn met Nederland, dat hij niet gewoonlijk in Nederland verblijft en hij niet slechts onderdaan is van Nederland (cf. art. 4 lid 2, aanhef en onderdelen a, b en c van het Verdrag).
Aangezien het brutobedrag van het [land 1] pensioen de som van € 15.000 niet te boven gaat, komt het recht belasting te heffen over dat pensioen ingevolge art. 17 leden 1 en 2 van het Verdrag volledig toe aan Nederland.
Ingevolge art. 11 lid 1 in verbinding met lid 3, onderdeel e, van de Verordening (EG) nr. 833/2004 (hierna: de Verordening) is op belanghebbende het [land 2] socialezekerheidsstelsel van toepassing.
De inspecteur heeft aangevoerd dat belanghebbendes [land 1] pensioen niet aan de heffing van [land 1] belasting of premies is onderworpen. Hij heeft hiertoe een renseignement met gegevens omtrent het [land 1] inkomen overgelegd (bijl. 15 bij het verweerschrift in eerste aanleg. Het dossier bevat behalve een blote bewering van belanghebbende geen enkele aanwijzingen dat het [land 1] pensioen desalniettemin aan de heffing van [land 1] belasting of premies is onderworpen.
Uit het vorenoverwogene volgt dat de aanslagen met inachtneming van de [land 2] wetgeving, het Verdrag en de Verordening naar de juiste bedragen zijn vastgesteld,
Vertrouwensbeginsel
Voor zover belanghebbende beoogt zich erop te beroepen dat hij er op grond van uitlatingen van de zijde van de overheid desalniettemin op mocht vertrouwen dat hij voor het [land 1] pensioen in Nederland niet belasting- en premieplichtig was, verwerpt het Hof dat betoog.
De stukken van de geding bevatten geen aanwijzing dat een uitlating is gedaan waaruit belanghebbende redelijkerwijs mocht afleiden dat de inspecteur van het heffen van belasting en/of premies zou afzien. Uit de stukken van het geding volgt weliswaar dat de [bedrijf 1] op grond van art. 17 van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 (thans art. 16 van de Verordening) de [land 1] autoriteiten heeft verzocht om een uitzondering te maken op de onderworpenheid aan het [land 2] stelsel en uitsluitend de [land 1] sociale verzekeringswetgeving van toepassing te doen zijn (brief van 28 september 1995 van de [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] en brief van 28 september 1995 aan het [wetgeving] ), maar uit de aantekening van belanghebbende op zijn in hoger beroep overgelegde kopie van de brief van 28 september 1995 aan [bedrijf 2] blijkt dat de [land 1] autoriteiten dit verzoek in 2003 of 2004 (‘na 8 jaren behandeling’) hebben afgewezen.
Slotsom
Het hoger beroep is ongegrond