Home

Gerechtshof Amsterdam, 25-11-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3612, 24/3482 en 24/3483

Gerechtshof Amsterdam, 25-11-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3612, 24/3482 en 24/3483

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25 november 2025
Datum publicatie
8 januari 2026
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2025:3612
Formele relaties
Zaaknummer
24/3482 en 24/3483
Relevante informatie
Art. 7:6 Adw, Art. 8:2 Adw, Art. 8:75 Awb, Douaneregeling [Tekst geldig vanaf 01-08-2008] [Regeling ingetrokken per 2008-08-01]

Inhoudsindicatie

De regeling actieve veredeling EX/IM. Door het indienen van de aangiften zijn geen douaneschulden ontstaan.

Uitspraak

kenmerken 24/3482 en 24/3483

25 november 2025

uitspraak van de meervoudige douanekamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Douane, de inspecteur,

tegen de uitspraak van 1 augustus 2024 in de zaak met kenmerk HAA 21/4159 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

[X] , gevestigd te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigden: mr. B.A. Kalshoven en mr. K. Abdullah)

en

de inspecteur,

alsmede op het hoger beroep van

belanghebbende

tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 augustus 2024 in de zaken met de kenmerken HAA 21/4160 en HAA 21/4161 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

Zaak 24/3483

1.1.1.

Belanghebbende heeft in de periode van 17 februari 2017 tot en met 13 september 2018 in eigen naam en voor eigen rekening 92 aangiften gedaan tot plaatsing van [product] onder de regeling actieve veredeling.

1.1.2.

De inspecteur heeft voor deze 92 aangiften, naar aanleiding van een administratieve controle achteraf, met dagtekening 3 september 2020 aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling (hierna: de utb) uitgereikt voor een bedrag van € 2.148.546,70 aan douanerechten en € 109.422,30 aan rente op achterstallen.

1.1.3.

Bij uitspraak op bezwaar van 14 juli 2021 heeft de inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de utb afgewezen.

1.1.4.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 1 augustus 2024 heeft de rechtbank als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

“De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de utb;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.998;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360 aan eiseres te vergoeden.”

1.1.5.

De inspecteur heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

Zaak 24/3482

1.2.1.

Belanghebbende heeft op 7 februari 2020 aan de inspecteur verzocht om de voornoemde 92 aangiften, met toepassing van artikel 173, lid 3, van het DWU zodanig te wijzigen, dat niet langer sprake is van aangiften in naam en voor rekening van belanghebbende, maar in naam en/of voor rekening van haar (vier) opdrachtgevers. Bij beschikking van 29 april 2020 heeft de inspecteur dit wijzigingsverzoek afgewezen.

1.2.2.

Op 11 juni 2020 heeft belanghebbende een tweede wijzigingsverzoek gedaan voor 22 aangiften (die niet in de onder 1.1.2 genoemde utb zijn begrepen), alle betreffende dezelfde opdrachtgever. Bij beschikking van 11 september 2020 heeft de inspecteur ook dit wijzigingsverzoek afgewezen.

1.2.3.

Bij uitspraken op bezwaar van 26 juli 2021 heeft de inspecteur de bezwaren van belanghebbende tegen voornoemde beschikkingen afgewezen.

1.2.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 1 augustus 2024 heeft de rechtbank deze beroepen ongegrond verklaard.

1.2.5.

De belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Alle zaken

1.3.

Belanghebbende heeft een pleitnota ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2025. De zaken zijn gezamenlijk behandeld. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is een logistiek dienstverlener. Zij doet onder meer douaneaangiften en treedt daarbij desgevraagd op als douanevertegenwoordiger.

2.2.

Op 10 december 2019 heeft inspecteur aan belanghebbende een administratieve controle aangekondigd. De controle richtte zich op de gevolgde douaneformaliteiten en de aanvaardbaarheid van de door haar ingediende aangiften tot plaatsing van [product] onder de regeling actieve veredeling in de periode 1 mei 2016 tot en met 1 mei 2019. Het ging daarbij om aangiften met als douaneregeling code 51 (actieve veredeling overeenkomstig artikel 256 van het Douanewetboek van de Unie, hierna: DWU) en met als voorafgaande douaneregeling code 11 (voorafgaande uitvoer bij actieve veredeling, als genoemd in artikel 223, tweede lid onder c, van het DWU). Deze regeling wordt hierna aangeduid als “douaneregeling actieve veredeling EX/IM”.

2.3.

In alle gevallen heeft de voorafgaande uitvoer plaatsgevonden in andere lidstaten van de Europese Unie, zodat sprake is van driehoeksverkeer. Driehoeksverkeer vereist uitwisseling van informatie tussen de betrokken douaneautoriteiten. Deze uitwisseling diende ten tijde van het indienen van de desbetreffende aangiften in beginsel elektronisch plaats te vinden (zie artikel 181 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446, hierna: GDWU alsmede artikel 271, lid 1, aanhef en onder a, van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447, hierna: UDWU). Omdat het relevante elektronische systeem nog niet gereed was (streefdatum was 1 oktober 2019, zie Uitvoeringsbesluit 2014/255/EU), is gebruik gemaakt van het inlichtingenblad INF5, zoals voorgeschreven in artikel 23 en bijlage 13 van de Gedelegeerde verordening (EU) 2016/341 van de Commissie (hierna: de Transitieverordening). Het aldaar voorgeschreven formulier en de in het aanhangsel op het formulier gegeven toelichting, zijn gelijkluidend aan vermeldingen in bijlage 71 van de voormalige verordening 2454/93 van de Commissie, houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van communautair douanewetboek (UCDW).

2.4.

Op de inlichtingenbladen INF5 die bij de douane zijn overgelegd is in vak 1 telkens de vergunninghouder van de douaneregeling actieve veredeling EX/IM vermeld. Het betreft:

-

[bedrijf 1] ( [land 1] , hierna: [bedrijf 1] )

-

[bedrijf 2] ( [land 2] , hierna: [bedrijf 2] )

-

[bedrijf 3] ( [land 3] , hierna: [bedrijf 3] )

-

[bedrijf 4] ( [land 4] , hierna: [bedrijf 4] )

Belanghebbende beschikte over afschriften van de AV-vergunningen van deze bedrijven. Deze vergunningen behoren tot de gedingstukken.

[bedrijf 1] en [bedrijf 2] zijn telkens eveneens in vak 2 van de inlichtingenbladen INF5 vermeld als de “Importeur die is gemachtigd de in vak 4 omschreven goederen onder de regeling te plaatsen.”

[bedrijf 3] heeft in alle gevallen in vak 2 van de INF5 het (eveneens [land 3] ) bedrijf [bedrijf 5] aangewezen als importeur gemachtigd om de goederen onder de regeling AV te plaatsen. [bedrijf 5] is één van de (vijf) importeurs die in de AV-vergunning van [bedrijf 3] is genoemd als mogelijk aan te wijzen importeur.

[bedrijf 4] heeft in alle gevallen in vak 2 van de INF5 het in [land 5] gevestigde bedrijf [bedrijf 6] (hierna: [bedrijf 6] ) aangewezen als importeur gemachtigd om de goederen onder de regeling AV te plaatsen.

2.5.

Op de inlichtingenbladen INF5 hebben de douaneautoriteiten van de desbetreffende lidstaten aangetekend hoeveel niet-Uniegoederen onder de regeling kunnen worden geplaatst, de datum waarop de voorafgaande uitvoer (van de reeds veredelde equivalente goederen) heeft plaatsgevonden en de datum waarop de opvolgende invoer uiterlijk moet plaatsvinden. De aangiften van belanghebbende vallen alle binnen de toegestane grondstoffen, hoeveelheden en termijnen. De Nederlandse douane heeft bij het aanvaarden van de aangiften (IM) de aangegeven hoeveelheden telkens afgeschreven op (de allonge die is gehecht aan) de inlichtingenbladen INF 5 en deze bladen, na volledige benutting, retour gezonden aan het in vak 7 vermelde controlekantoor in de lidstaat van afgifte.

2.6.

In alle aangiften heeft belanghebbende [product] van GN-posten 7601 respectievelijk 7606 aangegeven voor plaatsing onder de douaneregeling actieve veredeling EX/IM. Tot de gedingstukken behoren volmachten tot directe vertegenwoordiging van [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 5] , afgegeven aan belanghebbende. [bedrijf 6] (uit [land 5] ) heeft een volmacht tot indirecte vertegenwoordiging verleend aan belanghebbende. Belanghebbende heeft echter alle aangiften ingevuld als waren zij in eigen naam en voor eigen rekening gedaan.

2.7.

In de aangiftedossiers waren telkens de volgende gegevens aanwezig:

-

Kopie aangifte IMA;

-

Inlichtingenblad INF5;

-

Factuur, en

-

Klantinstructies.

De onder 2.6 vermelde volmachten en de onder 2.4 genoemde AV-vergunningen bevonden zich elders in de administratie van belanghebbende.

2.8.

In het rapport dat is opgemaakt van de onder 2.2 genoemde controle, gedagtekend 3 september 2020, is onder meer vermeld:

3.1 Vertegenwoordiging

(…) De 92 onderzochte douaneaangiften vermelden [belanghebbende] als aangever. De vermelding van [belanghebbende] als persoon van de aangever is een onbedoelde vergissing die berust op een kennelijke tikfout. Immers op basis van de hiervoor afgegeven machtigingen en instructies van vertegenwoordigden had [belanghebbende] bij alle 92 douaneaangiften op moeten treden als vertegenwoordiger.

Het betreft de volgende vertegenwoordigden die genoemd zijn als importeur op de inlichtingenbladen INF 5:

• Indirecte vertegenwoordiging

[bedrijf 6] ( [bedrijf 6] ) (producent is [bedrijf 4] )

• Directe vertegenwoordiging

[bedrijf 1]

[bedrijf 2]

[bedrijf 5] (producent is [bedrijf 3] )

[Belanghebbende] had overigens met inachtneming van het Handboek Douane (2.00.00 paragraaf 3.1.4 ‘Vertegenwoordiging bij plaatsing onder een bijzondere regeling’) in het geheel niet als indirecte vertegenwoordiger mogen optreden voor de 29 onderzochte douaneaangiften van [bedrijf 6] ( [bedrijf 6] ).

3.2

Beoordeling bescheiden

(…)

De gegevens inzake goederengegevens, land van oorsprong, douanewaarde, netto kilogrammen en bescheidnummers waren juist overgenomen in de douaneaangiften. In de 92 douaneaangiften stond [belanghebbende] genoemd als aangever, terwijl het bedrijf niet als gemachtigde importeur stond genoemd in vak 2 van de overgelegde inlichtingenbladen INF 5. Om deze reden is [belanghebbende] niet gemachtigd om de goederen onder de regeling actieve veredeling te plaatsen.

Uit de aangiftedossiers blijkt dat de bij invoer overgelegde inlichtingenbladen INF5 en/of de daarbij behorende allonges zijn geaccepteerd en afgetekend door de Douane. In de kolom ‘afdrukdienststempel’ is een paraaf, een naam dan wel naamstempel en een afdruk van een metalen dienststempel opgenomen.

(…)

Uit de controle is gebleken dat [belanghebbende] als douane-expediteur voor eigen naam en rekening 92 douaneaangiften heeft gedaan voor de regeling actieve veredeling, terwijl [belanghebbende] als aangever niet beschikte over de juiste vergunning actieve veredeling. Daarnaast was [belanghebbende] niet genoemd in het inlichtingenblad INF 5 als gemachtigde om de goederen onder de regeling actieve veredeling te plaatsen. Om gebruik te kunnen maken van de schorsing van douanerechten op industrieproducten hadden deze douaneaangiften op grond van artikel 170 DWU alleen door [belanghebbende] gedaan kunnen worden door middel van vertegenwoordiging.

(…)

3.3

Beoordeling wijziging douaneaangifte en tenietgaan douaneschuld

(…)

De uit equivalente Uniegoederen vervaardigde veredelingsproducten zijn voorafgaand aan de invoer uitgevoerd. Om dezelfde hoeveelheid niet-Unie grondstoffen tegen een nultarief in te kunnen voeren is een inlichtingenblad INF 5 geldig gemaakt. Deze hoeveelheden grondstoffen zijn exact ingevoerd. Aan alle voorwaarden is voldaan, behalve het feit dat de naam van de aangever onjuist is opgenomen in de douaneaangifte.

(…)”

3 Geschil in hoger beroep

Tussen partijen is in geschil of de utb terecht aan belanghebbende is uitgereikt (zaak 24/3483) en of de desbetreffende aangiften kunnen worden gewijzigd met toepassing van artikel 173, lid 3, van het DWU (zaak 24/3482).

4 Beoordeling van het geschil

5 Kosten

6 Beslissing