Gerechtshof Amsterdam, 13-11-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3680, 24/3083 tot en met 24/3086
Gerechtshof Amsterdam, 13-11-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3680, 24/3083 tot en met 24/3086
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 13 november 2025
- Datum publicatie
- 28 januari 2026
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2024:7331, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 24/3083 tot en met 24/3086
- Relevante informatie
- Art. 3.95 Wet IB 2001
Inhoudsindicatie
Navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren 2014 tot en met 2017; sprake van een bron van inkomen?; handel in qat en hawala-diensten.
Uitspraak
kenmerken 24/3083 tot en met 24/3086
13 november 2025
uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. J.R.R. Oevering)
tegen de uitspraak van 6 maart 2024 in de zaak met kenmerken HAA 23/66 tot en met HAA 23/69 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2014 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.689. Daarbij is aan belanghebbende een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 1.265.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2014 een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 23.968. Daarbij is aan belanghebbende een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 208.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2015 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.692. Daarbij is aan belanghebbende een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 986.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2015 een navorderingsaanslag Zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 25.174. Daarbij is aan belanghebbende een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 148.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2016 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.099. Daarbij is aan belanghebbende een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 905.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2016 een navorderingsaanslag Zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 33.469. Daarbij is aan belanghebbende een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 149.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.992. Daarbij is aan belanghebbende een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 333.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een navorderingsaanslag Zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 26.947. Daarbij is aan belanghebbende een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 60.
De tegen de bovenstaande navorderingsaanslagen en beschikkingen belastingrente gemaakte bezwaren heeft de inspecteur bij uitspraken op bezwaar van 18 oktober 2022 ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 6 maart 2024 het volgende beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):
“Beslissing
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 3.000; en
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 328,13.”
Belanghebbende heeft op 15 april 2024 hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal van de zitting is aan deze uitspraak gehecht.
2 Feiten
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:
“Feiten
1. Eiser was volgens de basisregistratie persoonsgegeven (BRP) in de onderhavige jaren woonachtig in [Z] (tot 11 juni 2014) en in [Y] . Eiser had in de onderhavige jaren een fiscaal partner en heeft zes kinderen. Eiser en zijn fiscaal partner genoten over de onderhavige jaren uitkeringen van een gemeente.
2. Eiser is voor alle onderhavige jaren niet uitgenodigd tot het doen van aangifte.
Aanslag 2016
3. Eiser heeft op 11 maart 2017 een aangifte IB/PVV 2016 ingediend en daarbij een verzamelinkomen van € 9.630 aangegeven, bestaande uit een uitkering van de gemeente [W] .
4. Eiser heeft op 17 maart 2019 een aangifte IB/PVV 2017 ingediend en daarbij een verzamelinkomen van € 9.045 aangegeven, bestaande uit een bijstandsuitkering verminderd met aftrek uitgaven voor specifieke zorgkosten.
5. Verweerder heeft op 6 mei 2017 een definitieve aanslag IB/PVV 2016 en op
14 mei 2019 een definitieve aanslag IB/PVV 2017 overeenkomstig de aangiften opgelegd.
Strafonderzoek
6. Eiser was onderwerp van een onderzoek door de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD). Proces-verbalen van dit onderzoek behoren tot de gedingstukken. Onderdeel van het strafrechtelijk onderzoek was een doorzoeking van het huis van eiser op 14 februari 2018 en het tappen van telefoongesprekken tussen 16 november 2017 en 13 december 2017 en van 19 januari 2018 tot en met 15 februari 2018. Tijdens de doorzoeking is 1,81 kilogram qat aangetroffen.
7. Tot de gedingstukken behoort een proces-verbaal met dagtekening 26 juni 2014 van een aangifte van een aangever ( [A] ) tegen eiser wegens verduistering. In de aangifte stelt [A] dat eiser handelt in qat. [A] heeft op 20 februari 2018 in het kader van het strafrechtelijk onderzoek een getuigenverklaring afgelegd. In deze verklaring staat dat [A] ten tijde van het doen van de aangifte reeds twee jaar klant was van eiser.
8. Tot de gedingstukken behoort een vonnis van rechtbank Rotterdam van 1 juni 2021, waarin eiser veroordeeld is voor het handelen in qat over de periode van 1 juli 2017 tot en met 13 februari 2018 en voor het uitvoeren van geldtransfers zonder vergunning over de periode van 1 oktober 2015 tot en met 14 februari 2018. Eiser is niet tegen dit vonnis in beroep gegaan. De officier van justitie heeft wel hoger beroep ingesteld, waarna eiser door gerechtshof Den Haag is veroordeeld voor terrorismefinanciering wegens het (direct of indirect) doen van diverse geldbetalingen aan [B] in [land] , onder andere in verband met de invoer van machines.
Navorderingsaanslagen en bezwaarfase
9. Verweerder heeft met dagtekening 23 april 2019 een voornemen tot het opleggen van navorderingsaanslagen voor de belastingjaren 2014 tot en met 2017 naar eiser verstuurd. Eiser heeft bij brieven van 6 mei en 17 mei 2019 gereageerd en aangegeven het niet eens te zijn met het voornemen.
10. Verweerder heeft met dagtekening 12 juni 2019 navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw over de jaren 2014 tot en met 2017 opgelegd. Eiser is tegen deze navorderingsaanslagen in bezwaar gegaan.
11. Eiser heeft op 16 september 2019 (nogmaals) een aangiftebiljet ingediend voor de IB/PVV 2015 en daarbij een verzamelinkomen van € 9.581 aangegeven.
12. Eiser heeft op 11 november 2019 (nogmaals) een aangiftebiljet ingediend voor de IB/PVV 2014 en daarbij een verzamelinkomen van € 11.721 aangegeven.
13. Verweerder heeft op 30 juli 2019 bezwaarformulieren tegen de navorderingsaanslagen Zvw 2014 en 2017 ontvangen.
14. Verweerder heeft met dagtekening 17 oktober 2022 uitspraken op bezwaar gedaan voor de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw over de jaren 2014 tot en met 2017. De navorderingsaanslagen zijn op 18 oktober 2022, per e-mailbericht aan de gemachtigde van eiser verstuurd.”
Nu partijen ter zitting van het Hof hebben bevestigd dat de hiervoor beschreven feiten juist zijn, zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof voegt hier het volgende aan toe.
In het proces-verbaal met dagtekening 26 juni 2014 van de aangifte van [A] tegen belanghebbende wegens verduistering (hierna: [A] ; zie onderdeel 7 van de uitspraak van de rechtbank) staat onder andere het volgende vermeld:
“Hierbij wil ik aangifte doen van verduistering van mijn paspoort en bankpas.
Afgelopen donderdag 19 juni 2014, tussen 16:00 - 17:00 uur bevond ik mij op de [adres] te [Z] . Aldaar woont [belanghebbende] (…). Hij is een dealer van Qat, hij heeft geen ander werk. Die Qat komt vanuit Engeland omdat het daar niet verboden is. Ik ben verslaafd aan Qat en [belanghebbende] is degene bij wie ik dit altijd kocht. Normaal gesproken betaal ik voor ongeveer 400 gram Qat 5 euro. Ik gebruikte dit 2 dagen per week ongeveer. Ik had enkele keren de Qat meegekregen zonder te betalen, dat geld zou ik later betalen. Ik heb hem toen mijn paspoort gegeven als onderpand/ borgsom, zodat [belanghebbende] er zeker van was dat ik het geld zou betalen.
Ik wilde afgelopen donderdag mijn paspoort en bankpas gaan terug halen en [belanghebbende] mijn restgeld betalen. [Belanghebbende] vroeg toen ineens veel meer geld per 400 gram, hij zei dat het 17 euro voor dezelfde hoeveelheid kostte. Dit betekende dat ik in plaats van 100 euro, nu 300 euro moest betalen. Ik zei dat ik dat veel te veel vond en dit niet wilde betalen.”
Tot de gedingstukken behoren de processen-verbaal uit een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd door de FIOD en waarvan belanghebbende het onderwerp van onderzoek was (zie onderdeel 6 van de uitspraak van de rechtbank). De volgende passages hieruit zijn van belang.
Blijkens een proces-verbaal met betrekking tot de doorzoeking van het huis van belanghebbende (zie onderdeel 6 van de uitspraak van de rechtbank) is naast de aldaar aangetroffen qat onder andere de administratie met betrekking tot qat aangetroffen. Deze bestaat uit Exceloverzichten, handgeschreven documenten en een oranje schriftje met handgeschreven aantekeningen. In een proces-verbaal met dagtekening 14 februari 2018 van een verhoor van belanghebbende als verdachte staat onder andere het volgende vermeld:
“Vraag verbalisanten:
Zoals aan u voorgehouden wordt u verdacht van terrorismefinanciering, qat-handel en
bijstandsfraude. Wat is uw reactie op deze verdenking?
Antwoord gehoorde:
lk kauw Qat, maar ik handel er niet in. lk ben persoonlijk tegen alles wat met terrorisme te maken heeft. Om die reden ben ik ook naar dit land gekomen, voor de veiligheid. lk heb geen contacten met een terroristische organisatie. lk ben getrouwd, zes kinderen, mijn vrouw en ik hebben een bijstandsuitkering. Het geld waar wij recht op hebben ontvangen wij van de gemeente. Het geld dat wij ontvangen krijgen wij binnen op onze bankrekening.
(…)
Vraag verbalisanten:
Waar bestaat het gezinsinkomen uit?
Antwoord gehoorde:
We krijgen een gezinsuitkering van de gemeente op de bankrekening. Ook krijgen we toeslagen van de Belastingdienst. We krijgen van de gemeente 1220 euro op de rekening, daarnaast zorg- en huurtoeslag. De huurtoeslag is 310 euro per maand en de zorgtoeslag is 170 euro per maand. Daarnaast krijgen we een kindgebonden budget van 260 euro per maand.
Vraag verbalisanten:
Waar geeft u het gezinsinkomen aan uit?
Antwoord gehoorde:
722 euro besteden we aan huur, 63 euro aan elektriciteit en gas, 153 aan zorgverzekering voor mijn vrouw, 118 voor mijn eigen zorgverzekering 30 euro voor internet, en aan woonverzekering 12 euro per maand. Het eigen risico van de zorgverzekering wordt automatisch via de sociale dienst van de bijstandsuitkering overgemaakt naar Zilveren kruis.
(…)
Opmerking verbalisanten:
Uit de opgenomen tapgesprekken is naar voren gekomen dat u naast de handel en verhuur van
machines ook geld verdient met de handel in qat/garaba.
In een telefoongesprek dat u op 20 januari 2018 (sessie 35) heeft gevoerd, geeft u aan dat u 1.000 euro netto winst gaat maken op een partij Garaba(Qat).
In een telefoongesprek dat u heeft gevoerd op 12 februari 2018 (sessie 2936), geeft u aan dat u in een magazijn in Amsterdam nog 100 zakjes qat heeft liggen.
Vraag verbalisanten:
Vorenstaande telefoongesprekken maken duidelijk dat u in qat handelt. Hoe lang handelt u al in qat?
Antwoord gehoorde:
Komt mij niet bekend voor. lk kauw qat, maar ik handel niet in qat.
Vraag verbalisanten:
Op 23 juni 2014 is er aangifte tegen u gedaan door [A] , In deze aangifte staat dat [X] dealer is van qat en woonachtig is op het adres [adres] te [Z] wat is daarop uw reactie?
Antwoord gehoorde:
lk handel niet in qat. Iemand heeft qat naar ons gebracht, wij wilden samen gaan kauwen. Wij kregen toen ruzie. Iemand uit Engeland heeft qat naar ons gebracht, daar was qat toen legaal. Ik woonde toen inderdaad op de [adres] te [Z] . (…)”
Het strafrechtelijk onderzoek bevat een naar het Nederlands vertaalde weergave van een getapt telefoongesprek van de echtgenote van belanghebbende, [C] . In het gesprek dat plaatsvond op 14 februari 2018 kort na de doorzoeking van de woning van belanghebbende waarbij 1,81 kg qat in beslag werd genomen (zie onderdeel 6 van de uitspraak van de rechtbank), zegt de echtgenote onder andere het volgende over belanghebbende:
“hij verkocht een beetje qat en hij is verklikt”
"ze hebben niet veel qat gevonden, klein beetje wat hij kan zeggen dat hij aan het gebruiken
is..."
"er wordt wat blaadjes gekauwd dat had hij moeten zeggen, want de blaadjes liggen wel in huis hij heeft het gisterenavond gebracht, niet veel maar 2 kg, [X] was die gisteravond in een zakje aan het doen en Alah weet dat ik ook mee aan het vullen was van die zakjes ben naar de buurvrouw geweest om te helpen. 2 kg had hij moeten zeggen ik at het, 1 kg per x ik en mijn vrouw kauwen qat als hij dat gezegd had dan is het goed zo kun je ook ontkomen.”
In het proces-verbaal met dagtekening 20 februari 2018 van de getuigenverklaring van [A] (zie onderdeel 7 van de uitspraak van de rechtbank) staat onder andere het volgende vermeld:
“Vraag verbalisanten:
Hoe bent u in contact gekomen met deze man [Hof: belanghebbende]?
Antwoord gehoorde:
“Ik was verslaafd aan qat. [Belanghebbende] verkocht qat, dus ik was zijn klant. Drie
jaar geleden ben ik gestopt met qat[.]”
(…)
Ik was 2 jaar klant van hem [Hof: belanghebbende]. Er was een kleine ruzie. Hij kreeg geld van mij en als onderpand nam hij mijn paspoort en bankpas. lk had € 300 qat gekocht van hem en wilde dit later betalen. Toen wilde ineens extra geld, dat vond ik ten onrechte. Hij wilde volgens mij € 280 extra hebben ineens. Hij zei dat ik mijn paspoort en bankpas niet kreeg als ik dat niet zou betalen. Dat was de reden dat ik aangifte deed.
(…)
lk kocht al 2 jaar vanaf de aangiftedatum qat bij hem.
(…)
lk betaalde contant voor de qat, aan het einde van de maand. Hij schreef in een kleine
boekje hoeveel stuks iemand meegenomen had. Dit was de gebruikelijke manier, de
meeste mensen betaalden achteraf.”
Tot de stukken van het geding behoort voorts een proces-verbaal met dagtekening 20 februari 2018 van een getuigenverklaring van [D] . Hierin staat onder andere het volgende vermeld:
“Vraag verbalisanten:
Wat kunt u over uzelf vertellen?
Antwoord gehoorde:
"Ik ben een beetje gespannen. lk weet niet waarom u bij mij bent gekomen.
lk woon sinds oktober 2008 in Nederland. lk ben vanwege de oorlog in [land] naar Nederland gekomen. lk wilde in een veilige land wonen, ik wil mijn kinderen een veilige toekomst geven.
lk heb geen werk, ik ben huismoeder, ik verzorg mijn kinderen en ga naar school.
Mijn familie woont in [land] , niet in Nederland."
Mededeling verbalisanten
Wij tonen u een foto. [Hof: van belanghebbende]
Vraag verbalisanten
Herkent u de man op deze foto?
Antwoord gehoorde
"Ja ik herken hem. Dit is een man die regelmatig contact heeft met mijn man, hij komt soms wel in mijn wijk. lk groet hem dan ook wel. Hij woonde eerst in [Z] , nu woont hij in [Y] . lk weet niet hoe hij echt heet, maar hij is kaal, dus wij noemen hem [X] , dat staat voor 'de kale'."
Vraag verbalisanten:
Hoe bent u in contact gekomen met deze man?
Antwoord gehoorde
"Ik weet niet wanneer ik hem voor het eerst heb gezien, maar er is een ontmoetingshuis
die hier in de buurt staat. Hij belt ons soms om te vragen hoe het met ons gaat.
(…)
Mededeling verbalisanten:
Uit onderzoek is naar voren gekomen dat [belanghebbende] vermoedelijk qat verkoopt of verkocht heeft.
Uit een opgenomen telefoongesprekgesprek van 24 januari 2018 komt naar voren dat u 574 plus 2 Garabe (qat) moest betalen aan [belanghebbende].
Vraag verbalisanten:
Wat kunt u over de garabe of qat vertellen?
Antwoord gehoorde:
"Ik kauw zelf geen qat. Mijn man kauwt ook geen qat.
[Belanghebbende] krijgt geld van mij dat wel. Maar die qat is niet voor mij, niet voor eigen gebruik. Als we visite hebben, dan willen die mensen misschien qat hebben. 1k ben een beetje
voorzichtig in wat ik moet zeggen, dus ik wil hier liever niets over zeggen."
Mededeling verbalisanten:
In het hiervoor genoemde telefoongesprek, dat door onze tolken is vertaald, zegt [belanghebbende] dat hij 574 plus 2 Garabe (qat) is 594 van u krijgt.
Vraag verbalisanten
Bood [belanghebbende] ook Hawala diensten aan?
Antwoord gehoorde
"Ja hij biedt hawala diensten aan. Wij nemen sinds 2017 deze dienst af. (…) Bij [belanghebbende] betaal ik 5 % per opdracht. Dus bijvoorbeeld als ik € 200 wil overmaken, dan ben ik € 10 verschuldigd aan hem.”
Tot de stukken van het geding behoort een proces-verbaal met dagtekening 29 maart 2018 van een getuigenverklaring van [E] . Hierin staat onder andere het volgende vermeld:
“Vraag verbalisanten
Hoe lang werkt u samen met [belanghebbende] ter zake van de hawala activiteiten?
Antwoord gehoorde
"1k denk dat ik dit al 2,5 jaar doe voor hem. lk wilde geld naar mijn moeder sturen en zo
kwam ik bij hem terecht. Op dat moment liepen de hawala activiteiten dus al. lk denk dat er
iets meer dan een half jaar tussen zat dat ik hem voor het eerst benaderde voor de hawala
overboeking en dat ik de administratie deed.
De bedragen fluctueerden over de afgelopen jaren niet veel."”
Tot de stukken van het geding behoort voorts een proces-verbaal met dagtekening 29 november 2018 van een getuigenverklaring van [F] (hierna: [F] ). Hierin staat onder andere het volgende vermeld:
“Mededeling verbalisanten
Wij tonen u een foto. [Hof: van belanghebbende]
Vraag verbalisanten
Herkent u de man op deze foto?
Antwoord gehoorde
"Dat is [X] [Hof: belanghebbende]. Hij woonde daar in [Z] , en [land] mensen kennen elkaar. Het is een hechte gemeenschap. We doen veel dingen samen. De [land] gemeenschap is niet een hele grote club. In [Z] kennen ze elkaar allemaal. Het is niet zo dat we de [land] in Amsterdam West ook kennen. Zo ken ik bijvoorbeeld hier in Haarlem ook geen [land] .
[X] krijgt een uitkering denk ik. lk weet niet waar hij werkt. lk zie hem niet dagelijks. Hij woont nu in [Y] , ik zie hem 1 a 2 keer in de maand. Toen hij in [Z] woonde zag ik hem 1 a 2 keer per week. lk weet verder dat [X] een vrouw heeft, maar ik weet niet hoeveel kinderen hij heeft.
We bellen met elkaar dat is wel makkelijk. lk weet niet hoe vaak ik hem bel.
We zijn kennissen, geen vrienden. lk heb geen vrienden, alleen familie en kennissen.”
(…)
Mededeling verbalisanten:
Op 5 februari 2018 belde [belanghebbende]. Met een persoon die hij aansprak met [F] op het telefoonnummer (…). Bij het raadplegen van de telecomprovider komt naar voren dat dit telefoonnummer geregistreerd staat op (…).
In dit gesprek zei [belanghebbende]:
“ [G] krijgt van mij 7.200 nog. lk heb een machine gekocht.
Mijn deel is 3000 ook een andere machine die ik heb gekocht. Hij krijgt dus 7.200 van mij. Ik heb mijn oom gebeld en 9.000 van hem ontvangen. 6.000 heb ik aan (…) uit [plaatsnaam] gegeven naar [land 2] voor haar verzonden. lk krijg het hier dan..."
[G] van [H] verklaarde op 14 februari 2018 aan de FIOD dat [belanghebbende] op 8 februari 7.000 heeft betaald aan hem.
Vraag verbalisanten:
Wat kunt u hierover verklaren?
Antwoord gehoorde:
“Ik ken de naam [G] . Dat is iemand die landbouw machines verkocht. lk ken hem van
[belanghebbende]. lk ben als tolk opgetreden voor [belanghebbende] met [G] . [Belanghebbende] wou de machines kopen en exporteren. lk herinner me geen bedragen. lk weet niet wat [belanghebbende] exact in [land] doet. lk ben een paar keer met [belanghebbende] naar [G] geweest. lk denk wel dat er al machines zijn geëxporteerd naar [land] . lk weet niet hoeveel machines [belanghebbende] in [land] heeft.
(…)
Ik wil graag het volgende nog zeggen over [belanghebbende]. Deze meneer heb ik leren kennen in 2016. Wij kauwden qat samen. In 2017 zag ik dat hij zeer actief was in de landbouwmachines. (…)
Mededeling verbalisanten
Op 14 februari 2018 werd een SMS gestuurd van telefoonnummer […] naar
[belanghebbende]. Hierin staat:
"Sturen op 1200 [I] in Londen haar nummer is […]"
Vraag verbalisanten
Waarom vraagt u [belanghebbende] 1.200 te sturen naar [I] in Londen?
Antwoord gehoorde
"Dit is hawala. Dat is geld voor mijn zus in Londen. Mijn zus had geld geleend van iemand, 900 Britse ponden. lk vroeg [X] om 1.200 Amerikaanse Dollar te sturen naar Londen. Dit is niet uitgevoerd uiteindelijk, omdat hij is opgepakt door u.
Hawala werkt zo, je geeft opdracht om geld te versturen en dan betaal je dat achteraf eventueel in termijnen terug. Dat is ook de reden dat ik dit via [X] doe.
(…)
lk heb eerder, 2 of 3 keer, geld via [X] verzonden. De andere keren dat het wel
doorging gaat het als volgt, ik bel of SMS met het verzoek geld over te maken. lk betaal
dan nooit meteen, dat gaat later. Als je nu niet geld hebt, doe je het via [X] . Hij voert
de opdracht uit en maakt contact met de mensen daar. De mensen daar die bellen de
ontvangende partij op. lk krijg bericht van de familie als ze het geld daar hebben
opgehaald. U vraagt of ik met iemand anders dan [X] contact heb in dit hele traject,
nee dat heb ik niet.
U vraagt hoe [X] geld in [land] krijgt, als hij hier geld voor hawala ontvangt. Hij
koopt hier machines en die machines gaan dan naar [land] toe."”
Tot de stukken van het geding behoren voorts afschriften van alle transacties die hebben plaatsgevonden van de bankrekening van belanghebbende met nummer [nummer] . Hierop zijn onder andere zichtbaar ontvangsten van Belastingdienst (toeslagen) en van de dienst werk en inkomen Amsterdam en uitgaven aan Woningstichting eigen haard (met omschrijving ‘incasso huur’), aan OHRA Zorgverzekeringen, aan N.V. Univé Zorg (met omschrijving ‘zorgverzekeraar’), aan NUON en aan KPN B.V.
In het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank staat onder andere het volgende vermeld:
“Eiser verduidelijkt zijn standpunt inzake de hawala en geeft aan dat niet is deelgenomen aan
het economisch verkeer omdat de overboekingen voor familie zijn gedaan. Volgens eiser is
sprake van een grote familie die voor elkaar zorgt.
(…)
Eiser geeft aan dat [A] een vriend is en verduidelijkt dat hij qat in bezit had voor
eigen gebruik en voor vrienden en familie maar dat geen sprake is van handel.
(…)
Eiser benadrukt dat hij wel qat heeft geconsumeerd maar nooit erin heeft gehandeld.”
Ter zitting van het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende onder andere het volgende verklaard:
“U houdt mij voor dat belanghebbende weliswaar erkent dat hij vanaf 2012 en dus ook in de jaren waarop de aanslagen zien qat heeft verkocht. Dat klopt, maar belanghebbende stelt nu juist dat hij dit voor rekening van [A] deed en niet voor eigen rekening. [A] gaf hem als wederprestatie slechts wat qat voor eigen gebruik.”
3 Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil of de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw voor de jaren 2014 tot en met 2017 terecht zijn opgelegd en niet te hoog zijn. Tevens verzoekt belanghebbende om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van zijn zaak.