Home

Gerechtshof Amsterdam, 20-01-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:127, 24/3390

Gerechtshof Amsterdam, 20-01-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:127, 24/3390

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20 januari 2026
Datum publicatie
21 januari 2026
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:127
Zaaknummer
24/3390
Relevante informatie
Art. 22 WOZ, BPB

Inhoudsindicatie

Artt. 17 en 30a Wet WOZ; Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en bpm; bijzonder geval; no cure no pay.

Uitspraak

kenmerk 24/3390

20 januari 2026

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] (Verenigd Koninkrijk), belanghebbende,

gemachtigde: A. Oosters (WOZ Consultants),

tegen de uitspraak van 20 juni 2024 in de zaak met kenmerk HAA 23/2875 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Edam-Volendam, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking als bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Q] (hierna: de woning) op de peildatum 1 januari 2021 voor het jaar 2022 (hierna ook: de WOZ-waarde) vastgesteld op € 413.000.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de beschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft als volgt op het beroep beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):

“De rechtbank:

-

verklaart het beroep ongegrond;

-

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 218,75;

-

veroordeelt de verweerder tot het vergoeden van de door eiser geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500;

-

veroordeelt verweerder tot vergoeding van de wettelijke rente over de vergoeding van de proceskosten en de immateriële schade vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de rechtbank, tot aan de dag van algehele voldoening.”

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 28 september, 17 november en 15 december 2025 een nader stuk met producties ingediend. De heffingsambtenaar heeft 23 december 2025 een nader stuk ingediend.

1.5.

De dertiende enkelvoudige belastingkamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige belastingkamer.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de woning. De opstal van de woning heeft een oppervlakte van 85 m2 (waarvan 10 m2 door de heffingsambtenaar wordt aangeduid als aanbouwwoonruimte). De kavel heeft een oppervlakte van 244 m2. De woning heeft één dakkappel. De woning grenst aan één zijde tegen een andere woning. Het zadeldak heeft aan de voorzijde een topgevel.

3 Geschil in hoger beroep

Evenals in eerste aanleg is in geschil of de WOZ-waarde van de woning te hoog is vastgesteld. Voorts is in geschil welk bedrag aan proceskostenvergoeding moet worden toegekend indien het hoger beroep gegrond is en het Hof de vastgestelde waarde vermindert.

4 Het oordeel van het Hof

5 Kosten

6 Beslissing