Home

Gerechtshof Amsterdam, 27-01-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:163, 200.300.335/01

Gerechtshof Amsterdam, 27-01-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:163, 200.300.335/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27 januari 2026
Datum publicatie
27 januari 2026
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:163
Zaaknummer
200.300.335/01

Inhoudsindicatie

Anders dan de rechtbank heeft het hof niet kunnen vaststellen dat de chauffeurs die voor Uber werken dat doen op basis van een arbeidsovereenkomst. De in hoger beroep aan de zijde van Uber gevoegde Chauffeurs hebben geen arbeidsovereenkomst omdat bij hen sprake is van een sterke mate van ondernemerschap. Factoren die hierbij onder meer van belang zijn: de hoogte van de investeringen die de chauffeurs deden (zoals voor hun auto), de vrijheid in het kiezen van de tijdstippen waarop ze werken, de strategie bij het wel of niet accepteren van ritten en de daarbij behorende verdiensten, en het risico op aansprakelijkheid en arbeidsongeschiktheid. Hoewel het hof niet uitsluit dat er individuele chauffeurs zijn die op basis van een arbeidsovereenkomst voor Uber werken, heeft het hof bij gebreke van gegevens met betrekking tot individuele omstandigheden geen individuele chauffeurs of groepen van chauffeurs kunnen vaststellen voor wie dat geldt. Omdat niet is komen vast te staan of en, zo ja, welke chauffeurs een arbeidsovereenkomst hebben, kan ook geen algemeen oordeel gegeven worden over de toewijsbaarheid van de gevorderde vergoedingen. Ook die vorderingen worden daarom afgewezen. Volgt vernietiging vonnis rechtbank.

Uitspraak

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.300.335/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 8937120 CV EXPL 20-22882

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 januari 2026

inzake

[appellant] ,

gevestigd te [plaats 1] ,

appellante, tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. J.M. van Slooten te Amsterdam,

en

1 [geïntimeerde 1] ,

wonend te [plaats 1] ,

2. [geïntimeerde 2], h.o.d.n. [geïntimeerde 2] ,

wonend te [plaats 2] ,

3. [geïntimeerde 3], h.o.d.n. [geïntimeerde 3] ,

wonend te [plaats 3] ,

4. [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5], h.o.d.n. [geïntimeerde 5] ,

beiden wonend te [plaats 3] ,

5. [geïntimeerde 6], h.o.d.n. [geïntimeerde 6] ,

wonend te [plaats 5] ,

6. [geïntimeerde 7], h.o.d.n. [geïntimeerde 7] ,

wonend te [plaats 4] , gemeente Heusden,

gevoegde partijen,

advocaat: mr. J. Schulp te Amsterdam,

tegen

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging [geïntimeerde 8] ,

gevestigd te [plaats 6] ,

geïntimeerde, tevens incidenteel appellante,

advocaat: mr. J.H. Mastenbroek te Groningen.

Partijen worden hierna wederom [appellant] , de [geïntimeerden] genoemd. Alle chauffeurs van [appellant] worden verder met de chauffeurs of (alle) [appellant] -chauffeurs aangeduid.

1 De zaak in het kort

[geïntimeerde 8] heeft een verklaring voor recht gevorderd, inhoudende dat alle chauffeurs van [appellant] op basis van een arbeidsovereenkomst werken. Volgens [geïntimeerde 8] kan deze verklaring ook voor een groep chauffeurs van [appellant] worden gegeven. In het verlengde daarvan heeft [geïntimeerde 8] een verklaring voor recht gevorderd dat de CAO Zorgvervoer en Taxi (hierna: de CAO Taxivervoer) op de chauffeurs van toepassing is in de periodes dat deze cao algemeen verbindend verklaard was en voorts de veroordeling van [appellant] de chauffeurs op basis van de cao vergoedingen te betalen. Het hof wijst de vorderingen van [geïntimeerde 8] af. De Chauffeurs hebben geen arbeidsovereenkomst, onder andere omdat bij hen sprake is van een sterke mate van ondernemerschap. Hoewel het hof niet uitsluit dat er individuele chauffeurs zijn die op basis van een arbeidsovereenkomst voor [appellant] werken, heeft het hof bij gebreke van gegevens met betrekking tot individuele omstandigheden geen individuele chauffeurs of groepen van chauffeurs kunnen vaststellen voor wie dat geldt. Omdat niet is komen vast te staan of en, zo ja, welke chauffeurs een arbeidsovereenkomst hebben, kan ook geen algemeen oordeel gegeven worden over de toewijsbaarheid van de gevorderde vergoedingen. Ook die vorderingen worden daarom afgewezen.

2 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

In deze zaak heeft het hof tussenarresten gewezen op 3 oktober 2023 (hierna: het eerste tussenarrest) en 13 februari 2024 (hierna: het tweede tussenarrest). Voor het verloop van het geding tot 13 februari 2024 verwijst het hof naar beide tussenarresten.

In het tweede tussenarrest heeft het hof prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld. De Hoge Raad heeft deze vragen bij beslissing van 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:319, beantwoord (hierna: de prejudiciële beslissing). Daarna hebben partijen ieder een memorie na beantwoording prejudiciële vragen genomen, [appellant] en de Chauffeurs op 17 juni 2025, [geïntimeerde 8] op 15 juli 2025.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 31 oktober 2025 opnieuw laten toelichten, [appellant] door mr. J.M. van Slooten voornoemd en mr. M. Jovović, advocaat te Amsterdam, de Chauffeurs door mr. J. Schulp voornoemd en mr. L.H.F. Stuurop, advocaat te Amsterdam, en [geïntimeerde 8] door mr. J.H. Mastenbroek voornoemd en mr. J.F.H. Terpstra, advocaat te Groningen, ieder aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. [appellant] heeft voorafgaand aan de zitting een aanvullende productie 78 in het geding gebracht. Partijen hebben tevens vragen van het hof beantwoord.

Ten slotte is uitspraak bepaald op heden.

3 Feiten

4 Het geschil in eerste aanleg

5 De verdere beoordelingStandpunten in hoger beroep

6 Beslissing