Home

Gerechtshof Amsterdam, 03-02-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:428, 24/3473 tot en met 24/3479

Gerechtshof Amsterdam, 03-02-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:428, 24/3473 tot en met 24/3479

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
3 februari 2026
Datum publicatie
27 februari 2026
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:428
Formele relaties
Zaaknummer
24/3473 tot en met 24/3479
Relevante informatie
Art. 5.1 Wet IB 2001, Art. 5:9 Awb, Art. 8:29 Awb, Art. 8:31 Awb, Art. 8:42 Awb, Art. 16 AWR, Art. 47 AWR, Art. 67e AWR, Art. 67g AWR, Art. 6 EVRM

Inhoudsindicatie

Verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR; projectmatige aanpak; voortvarendheidseis; hoogte navorderingsaanslagen; vergrijpboeten.

Uitspraak

kenmerken 24/3473 tot en met 24/3479

3 februari 2026

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

alsmede op het incidenteel hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

gemachtigde: mr. A.W. van Dalen (Fier Advocaten)

tegen de uitspraak van 4 juli 2024 in de zaken met kenmerken HAA 22/975 tot en met HAA 22/985 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2008 tot en met 2011 en 2013 tot en met 2019 (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd en heffings-/belastingrentebeschikkingen en boeten vastgesteld. Hieronder zijn per jaar het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) en de rente- en boetebedragen opgenomen.

Jaar

Dagtekening

Belastbaar inkomen box 3

Rente

Vergrijpboete

2008

11 december 2020

€ 4.827

€ 621

Geen

2009

27 maart 2021

€ 4.813

€ 571

€ 1.082

2010

27 maart 2021

€ 8.474

€ 911

€ 1.906

2011

27 maart 2021

€ 12.130

€ 1.245

€ 2.729

2013

7 april 2021

€ 13.091

€ 1.031

€ 2.928

2014

7 april 2021

€ 13.191

€ 874

€ 2.925

2015

7 april 2021

€ 13.179

€ 719

€ 2.928

2016

7 april 2021

€ 13.281

€ 563

€ 2.907

2017

7 april 2021

€ 14.002

€ 427

€ 3.042

2018

7 april 2021

€ 12.749

€ 241

€ 2.800

2019

13 april 2021

€ 11.316

€ 15

€ 449

1.2.

Belanghebbende heeft op 12 januari 2021 bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2008. Op 26 april 2021 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2009 tot en met 2011, 2013 tot en met 2018 en de aanslag IB/PVV voor het jaar 2019. Belanghebbende heeft voor alle jaren bezwaar gemaakt tegen de rente- en boetebeschikkingen.

1.3.

De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 17 december 2021 de hierboven vermelde belastingaanslagen, rentebeschikkingen en boetebeschikkingen 2009 tot en met 2011 en 2013 tot en met 2018 gehandhaafd. Voor het jaar 2019 zijn de aanslag en beschikking belastingrente gehandhaafd en is de boetebeschikking vernietigd.

1.4.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft in haar uitspraak het volgende beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen die zien op de belastingjaren 2017, 2018 en 2019 ongegrond;

- verklaart de overige beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor de belastingjaren 2008, 2009, 2010, 2011, 2013, 2014 en 2015;

- vernietigt de navorderingsaanslagen IB/PVV, de rentebeschikkingen en de boetebeschikkingen voor de belastingjaren 2008, 2009, 2010, 2011, 2013, 2014 en 2015;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor het belastingjaar 2016, doch uitsluitend voor de beslissing over de vergrijpboete;

- vermindert de vergrijpboete voor het belastingjaar 2016 tot € 2.470 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de deels vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder tot het vergoeden van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 500;

- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 1.000;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.555; en

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.”

1.5.

De inspecteur heeft op 13 augustus 2024 hoger beroep ingesteld en zijn hoger beroep gemotiveerd bij brief van 13 november 2024. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en op 22 januari 2025 (deels voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft op het incidenteel hoger beroep schriftelijk gereageerd.

1.6.

De inspecteur heeft in de motivering van zijn hoger beroep verzocht om beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van delen van bijlage 28 (“Projectstukken CRS NP”). Een ongeschoonde versie van die bijlage heeft hij in een gesloten envelop aan het Hof doen toekomen.

1.7.

Het verzoek om beperkte kennisneming is in behandeling genomen door de zevende enkelvoudige belastingkamer van het Hof, fungerend als geheimhoudingskamer (hierna: de geheimhoudingskamer). Bij tussenuitspraak van 8 augustus 2025 heeft de geheimhoudingskamer beslist dat het beroep van de inspecteur op beperkte kennisneming gedeeltelijk gerechtvaardigd is.

1.8.

Ter voldoening aan de beslissing in de bovengenoemde tussenuitspraak heeft de inspecteur nadere stukken (in een geschoonde en een ongeschoonde versie) aan de geheimhoudingskamer verstrekt.

1.9.

De geheimhoudingskamer heeft bij een nadere tussenuitspraak van 9 september 2025 beslist dat het beroep van de inspecteur op beperkte kennisneming gerechtvaardigd is. Het procesdossier is vervolgens ter beschikking gesteld van de kamer die de hoofdzaak behandelt (de derde meervoudige belastingkamer), waarbij de geheimhoudingskamer heeft verstaan dat de kamer die de hoofdzaak behandelt onderzoekt of belanghebbende aan die kamer toestemming verleent om kennis te nemen van de ongeschoonde versie van de stukken waarop het verzoek van de inspecteur betrekking heeft.

1.10.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

“1. Eiser heeft in zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2008 tot en met 2011 en 2013 tot en met 2019 geen melding gemaakt van de door hem aangehouden bankrekeningen bij de Duitse bank Sparkasse-Hilden-Ratingen-Velbert (hierna: de Sparkasse Bank).

2. Voor het jaar 2012 heeft eiser geen aangifte gedaan en heeft verweerder geen (navorderings)aanslag opgelegd.

3. De Duitse autoriteiten hebben via het Central Liaison Office (hierna: CLO) op grond van de Common Reporting Standard gegevens van eiser gerenseigneerd over de door hem aangehouden bankrekeningen bij de Sparkasse Bank. De gegevens van eiser die werden gerenseigneerd, waren onder meer het burgerservicenummer, de bankrekeningnummers en de banksaldi per einde kalenderjaar.

4. Over het jaar 2016 zijn de gegevens van eiser door de Duitse autoriteiten gerenseigneerd op 11 oktober 2017 en ontvangen door verweerder op 26 oktober 2017. Over het jaar 2017 zijn de gegevens van eiser gerenseigneerd op 28 augustus 2018 en ontvangen door verweerder op 7 september 2018. Over het jaar 2018 zijn de gegevens van eiser gerenseigneerd op 15 augustus 2019 en ontvangen door verweerder op 4 februari 2020.

5. Op basis van de gegevens van het CLO over het jaar 2018 heeft verweerder eiser opgenomen in het project Common Reporting Standard natuurlijke personen (hierna: project CRS NP).

6. Op 12 februari 2020 heeft verweerder een vragenbrief aan eiser gestuurd met het verzoek informatie te geven over zijn buitenlandse vermogen bij de Sparkasse Bank.

7. Op 16 april 2020 heeft eiser verzocht om uitstel voor het aanleveren van de stukken naar aanleiding van de brief van 12 februari 2020.

8. Op 10 juli 2020 heeft verweerder nadere informatie ontvangen van eiser.

9. In de periode september 2020 tot en met november 2020 hebben eiser en verweerder enige malen gecorrespondeerd.

10. Op 28 november 2020 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij over het jaar 2008 een navorderingsaanslag IB/PVV heeft opgelegd. Bij het opleggen van deze navorderingsaanslag heeft verweerder het gemiddelde saldo van de bankrekeningen bij de Sparkasse Bank aan de hand van de saldi per 31 december 2009 en 31 december 2010 geschat op € 141.000, omdat geen bankafschriften over het jaar 2008 meer beschikbaar waren. Voor het jaar 2008 is geen boete opgelegd.

11. In diezelfde brief van 28 november 2020 heeft verweerder zijn voornemen medegedeeld tot het opleggen van (navorderings)aanslagen IB/PVV en vergrijpboetes van 150% vanwege het (voorwaardelijk) opzettelijk doen van onjuiste aangiften over de jaren 2009 tot en met 2019.

12. In januari 2021 hebben eiser en verweerder gecorrespondeerd over de vergrijpboetes.

13. Op 12 maart 2021 heeft een gesprek via Webex plaatsgevonden tussen eiser en zijn gemachtigde en verweerder.

14. Op 15 maart 2021 heeft verweerder aan eiser aangekondigd dat hij voor de jaren 2009 tot en met 2019 (navorderings)aanslagen IB/PVV en een vergrijpboete van 75% voor het met grove schuld doen van onjuiste aangiften zal opleggen. Ten aanzien van de vergrijpboete is – voor zover relevant – het volgende vermeld:

“Mededeling opleggen vergrijpboete IH 2009 tot en met 2019

Naast de gevolgen voor de belastingheffing heb ik besloten om aan u een vergrijpboete op te leggen ingevolge art. 67d, eerste en/of vijfde lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en/of art. 67e, eerste en/of zesde lid, AWR.

Hoogte vergrijpboete

De aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2009 tot en met 2019 zijn ingediend na 1 juli 2009. Hierop is het nieuwe boeteregime van toepassing zodat (voor box 3) maximaal 300% opgelegd kan worden. Naar mijn mening is een vergrijpboete van 75% passend en geboden.

Motivering boete

De reden waarom ik een vergrijpboete opleg, motiveer ik hierna nader. Het is algemeen bekend dat u (al dan niet in het buitenland aangehouden en/of opgekomen) inkomens- en/of vermogensbestanddelen in de belastingaangifte moet opnemen. De vraagstelling hieromtrent is in de belastingaangifte voldoende duidelijk. Desondanks heeft u (buitenlandse) inkomens- en/of vermogensbestanddelen niet in de aangiften verantwoord. Ik ben van mening dat u voor deze belastingjaren met grove schuld onjuiste aangiften heeft gedaan voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

Strafverzwarende- en strafverminderende omstandigheden

Bij de bepaling van de hoogte van de boete is rekening gehouden met onderstaande

strafverzwarende- en strafverminderende omstandigheden:

- Het feit dat over meerdere jaren, elk jaar opnieuw een bewuste keuze is gemaakt om een onjuiste aangifte te doen (stelselmatig gedrag).

- Het feit dat er bewust voor is gekozen om géén gebruik te maken van de diverse inkeerregelingen.

- Het feit dat de vooringevulde aangifte van 2017 op 29 maart 2018 is ingekeken, waarop reeds de buitenlandse rekeningnummers vermeld stonden. Op 30 maart 2018 is de aangifte voor 2017 ingediend waarbij slechts een klein bedrag (€ 3.755) is aangegeven voor buitenlands vermogen, echter stond het aangegeven bedrag niet in verhouding tot het daadwerkelijke saldo op de Duitse rekeningen (€ 325.547).

- Het feit dat, ondanks herhaald verzoek, de saldo gegevens van 2009 en eerder niet ontvangen zijn.

- Uit de informatie van uw advocaat heb ik begrepen dat u kennelijk wel een adviseur raadpleegt om een hoger rendement op uw vermogen te behalen, maar hebt nagelaten om u te (laten) informeren naar de betekenis van de zeker niet onduidelijke vragen in de aangifte biljetten die u ieder jaar invult.

- Uit het gesprek gevoerd op 12 maart 2021 met u en uw advocaat de heer van Dalen is gebleken dat u, bij het doen van de aangiften, bewust het risico hebt genomen dat er fouten in de aangiften zaten. U vertelde de aangiften niet goed te lezen en alleen 'op de knopjes' te hebben gedrukt om maar van het doen van de aangiften af te zijn.

- De in de aankondiging vermelde kwalificatie (voorwaardelijke) opzet is verlaagd naar de kwalificatie grove schuld. De hierboven beschreven slordigheid en nalatigheid (u hebt pas een boekhouder gezocht nadat u de brief van 12 februari 2020 gekregen had) rechtvaardigt in ruim voldoende mate de kwalificatie grove schuld.”

15. De navorderingsaanslagen IB/PVV 2009 tot en met 2011 zijn opgelegd met dagtekening 27 maart 2021, de navorderingsaanslagen IB/PVV 2013 tot en met 2018 met dagtekening 7 april 2021 en de aanslag IB/PVV 2019 met dagtekening 13 april 2021. Op elk van de aanslagbiljetten is ten aanzien van de vergrijpboete het volgende vermeld:

“Vergrijpboete

U heeft een brief van de Belastingdienst ontvangen waarin wordt uitgelegd waarom

u een vergrijpboete krijgt. De Belastingdienst beschouwt uw nalatigheid als zogeheten 'grove schuld' en behandelt deze nalatigheid als een vergrijp. Daarom legt de Belastingdienst u naast het bedrag van de navorderingsaanslag een vergrijpboete op. Het bedrag van de vergrijpboete is met toepassing van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst vastgesteld op (…).

U kunt bezwaar maken tegen deze boete.”

16. In de uitspraken op bezwaar van 17 december 2021 zijn de navorderingsaanslagen en de vergrijpboetes voor de jaren 2009 tot en met 2018 gehandhaafd. Voor het jaar 2019 is de aanslag gehandhaafd en wat betreft de vergrijpboete is tegemoetgekomen aan het bezwaar van eiser en is de boetebeschikking vernietigd.

17. In verband met de uitspraak van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 en de Wet rechtsherstel box 3 heeft verweerder voor de jaren 2017, 2018 en 2019 de volgende verminderingsbeschikkingen vastgesteld.

IB/PVV 2017 (dagtekening 27 februari 2024)

- belastbaar inkomen uit sparen en beleggen: € 798

- inkomstenbelasting box 3 € 239

- belastingrente € 15

IB/PVV 2018 (dagtekening 13 maart 2024)

- belastbaar inkomen uit sparen en beleggen: € 432

- inkomstenbelasting box 3 € 129

- boete € 54

- belastingrente € 4

IB/PVV 2019 (dagtekening 20 oktober 2022)

- belastbaar inkomen uit sparen en beleggen: € 1.210

- inkomstenbelasting box 3 € 363

- belastingrente € 0”

2.2.

De hiervoor vermelde feiten zijn door partijen op zichzelf niet bestreden, behoudens de vermelding in overweging 3 dat het renseignement het burgerservicenummer (hierna: bsn) van belanghebbende bevat. De inspecteur heeft hierover ter zitting in hoger beroep gesteld dat in het renseignement het in Duitsland gehanteerde ‘tax identication number’ is opgenomen en dat tijdens de bewerking door de afdeling Centrale Administratieve Processen van de Belastingdienst (hierna: CAB) het bsn van belanghebbende is gekoppeld aan de gerenseigneerde gegevens. Het Hof voegt verder de volgende feiten toe.

2.3.

In hoger beroep heeft de inspecteur de stukken overgelegd van het ‘Project Common Reporting Standard’ van de Belastingdienst (hierna: project CRS). Tot deze projectstukken, waarvan een aantal hierna (in 2.3 tot en met 2.12) deels wordt weergegeven, behoort een memo ‘Plan van aanpak gebruik FATCA/CRS-gegevens in de handhaving’ van 21 april 2017, dat is gericht aan “Stuurgroep ViB [Hof: Stuurgroep Vermogen in het Buitenland], stuurgroep AEOI [Hof: Stuurgroep Automatic Exchange of Information] en CDO2”. In dit memo is onder meer het volgende vermeld (voetnoten zijn weggelaten, tenzij anders aangegeven):

1. Inleiding

(…) Sinds 2014 worden met de Verenigde Staten onder FATCA [voetnoot 2: Foreign Account Tax Compliance Act] gegevens over inkomen en vermogen uitgewisseld. Nieuw is dat vanaf september 2017 de gegevensuitwisseling onder de Common Reporting Standard (CRS) start. In 2017 zullen 53 landen gegevens met Nederland uitwisselen. Na dit jaar zal dit aantal landen groeien tot circa 100. Dit plan van aanpak is gericht op de inzet van deze (FATCA- en CRS-) gegevens in de handhaving. Het PvA geeft inzicht in de komende gegevensuitwisseling, geeft zicht op lopende bijbehorende activiteiten en doet voorstellen voor verdere opvolging.

(…)

5. Voorbereiding op CRS-gegevens en stappenplan

5.1.

Voorbereiding op ontvangst CRS-gegevens in sept. 2017

September 2017 worden de eerste gegevens onder CRS ontvangen. Voorbereidingen die daarvoor uitgevoerd dienen te worden:

1. Om een inschatting te maken van het belang van de CRS-gegevens onderzoeken we nu welke internationale vermogens en inkomsten reeds uit 'CRS landen' worden aangegeven.

2. Op basis van ervaring met FATCA- en ESRR-gegevens en de reeds bekende gegevens die wij aan andere landen gaan verzenden kan ook een inschatting gemaakt worden van de hoeveelheid gegevens uit de nieuw toegevoegde landen.

3. Gebruik maken van het reeds bestaand risicomodel box 3 (geautomatiseerde risicodetectie) en op basis van ervaringen met het gebruik van ESRR- en FATCA- gegevens bezien of de bestaande selectieregels herbruikbaar zijn.

Voor bovengenoemde activiteiten dient analysecapaciteit beschikbaar te zijn. (…) Na het uitvoeren van de analyses is het mogelijk om 'keuzes t.a.v. de handhavingsmix op te stellen waaruit blijkt

hoeveel handhavingscapaciteit, waaronder behandelcapaciteit, nodig is bij die verschillende keuzes.

5.2.

Stappenplan gebruik gegevens

Bij ontvangst van de FATCA/CRS-gegevens dienen de volgende vier stappen doorlopen te worden. Per stap is een toelichting gegeven. (…) Voor CRS is onderstaande pas van toepassing na ontvangst van de eerste gegevensset.

1. Overall analyse op ontvangen gegevens

> Biedt inzicht in de kwaliteit van de gegevens (ook nodig voor feedback aan andere landen).

(…)

2. Sofiëren en identificeren van de gegevens t.b.v. inzet handhavingsinstrumenten

> Verrijken van gesofiëerde gegevens met interne data.

> Analyse uitvoeren op de verrijkte gegevens.

> Vergelijken van gesofiëerde posten met de aangiften.

> Gesofiëerde gegevens na analyse verdelen in subgroepen ten behoeve van gedifferentiëerde vervolgstappen in de handhaving.

3. Instellen pilots CRS-NP, CRS-NNP en FATCA-NNP op gesofiëerde data

> Instellen pilot op CRS-NP en CRS-NNP: verkennen van de mogelijkheden voor gebruik in de handhaving (Q4 2017/Q1 2018).

> Instellen pilot FATCA-NNP 13: verder verkennen van mogelijkheden voor handhaving.

> (Pilot FATCA-NP loopt)

4. Inzetten handhavingsinstrumenten volgens §4.2 Handhavingsmix.

Dit betekent dat een aantal keuzes in de handhavingsmix gemaakt moeten worden na stap 2 en 3. (…) De keuzevragen zullen na stap 2 en 3 met voorstellen voorgelegd worden aan het management.

(…)

4. Conclusie

In dit PvA zijn de handhavingsstappen met betrekking tot FATCA en CRS beschreven. Eén van de belangrijkste constateringen hierbij is dat de komst van CRS-gegevens de komende periode mogelijkheden biedt en capaciteit vraagt voor de handhaving. Van belang is om daar nu al (verder) op voor te sorteren door de benodigde voorbereidingen te treffen. Door middel van dit PvA worden de volgende voorstellen ter goedkeuring voorgelegd:

1. De stappen zoals genoemd in het stappenplan onder 5.2 uitvoeren.

2. De bij de handhavingsactiviteiten beschreven benodigde capaciteit daar op inzetten.

3. Door CDO2 wordt de Landelijk directeur GO als opdrachtgever aangesteld.”

2.4.

In het memo ‘CRS-aanpak natuurlijke personen 2018/2019’ van 17 juli 2018, gericht aan de Stuurgroep ViB, is – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“Inleiding

Medio 2017 heeft toenmalig CDO2 het plan van aanpak Fatca/CRS goedgekeurd. Dit plan geeft handvatten voor de handhaving aan de hand van CRS-data (Common Reporting Standard).

In de periode september 2017 - januari 2018 hebben 45 landen in het kader van CRS data geleverd aan Nederland. Voor de handhaving zouden die data aan EHI [Hof: Expertisecentrum voor Handhaving en Intelligence] overgedragen worden. Vanwege diverse technische onvolkomenheden heeft die levering door CAP aan EHI een tijdlang gestagneerd.

Op dit moment heeft EHI de beschikking over een groot deel van die gegevens. Deze levering is nu goed genoeg om een pilot te kunnen gaan draaien (ondanks nog enkele omissies). Op deze leveringen heeft EHi een nieuwe analyse gemaakt (zie voor het beschrijvende deel de bijlage) en die analyse is nu aanleiding om voor de natuurlijke personen een pilot voor te stellen. Dit voorstel volgt hierna.

Analyse

(…)

De groep van individuals (natuurlijke personen) betreft 356K records. Daarvan zijn er 294K gesofieerd en daarvan hebben er 139K betrekking op personen die tot en met 7 juli 2018 de IH-aangifte`2017 ingediend hebben. Deze groep is nader geanalyseerd.

De 139K records zijn te verdelen over de volgende, elkaar uitsluitende groepen (…). (…)

Pilotvoorstel

Doel van de pilot

Na de uitgevoerde desk-analyses is het moment aangebroken om in contact met bel.pl. na te gaan wat de betekenis van de CRS data in handhaving kan zijn.

Het doel van de pilot is daarbij:

-

Kunnen we grote heffingsbelangen onderkennen die met een hoog risico optreden? Welke criteria spelen daarbij een differentiërende rol?

-

Welke handhavingsmiddelen kunnen ingezet worden? Daarvoor moet uit de pilot blijken waarom bel.pl. hun buitenlandse financiële gegevens niet correct hebben aangegeven (bijvoorbeeld onkunde of bewust).

Pré-pilot

Naast de bijgevoegde desk-analyse heeft de afgelopen maanden een pré-pilot op 30 posten plaatsgevonden. Deze 30 posten hadden betrekking op 7 verschillende landen.

Aan deze bel.pl. zijn brieven verstuurd. Uit de reactie op deze verificatiebrieven blijkt dat 26 belastingplichtigen aangeven dat de rekening bekend is, lx is sprake van een ontkenner en 3x is verzocht om uitstel voor beantwoording. (…) De uitkomsten van deze pré-pilot zijn betrokken bij het formuleren van de volgende voorstellen. Deze voorstellen leiden tot een nieuwe pilot. (…) De posten in de pilot worden volledig behandeld. (…)

Voorstellen pilot posten

(…)

Vraag aan Stuurgroep: akkoord op dit pilotvoorstel.”

2.5.

In het memo ‘Handhavingsstrategie CRS/FATCA’ van 16 november 2018 is onder meer het volgende vermeld:

“5 Handhavingsacties CRS

(…)

1. CRS-gegevens voor handhaving

(…)

Wat is er overgedragen aan EHI?

Ten aanzien van de CRS-uitwisseling 2017 (betreffende het belastingjaar 2016) is de stand eind oktober 2018 dat 377.945 CRS-records (van Individuals en van Organisations) afkomstig uit 35 landen aan EHI beschikbaar zijn gesteld. Deze gegevens zijn verkregen door middel van een query. In de query zijn niet alle velden opgenomen. Een query was nodig omdat er geen mogelijkheid bestond om rechtstreeks bij deze gegevens te komen. (…) In september/oktober 2018 worden van 112 landen CRS-gegevens verwacht in het kader van de gegevensuitwisseling 2018. Dit betreffen dan gegevens over belastingjaar 2017.

In de CRS uitwisseling is sprake van 3 verschillende soorten personen:

1. Individuals

2. Organisations

3. Controlling Persons

(…) Er zijn meer waardevolle velden niet beschikbaar gesteld, bijvoorbeeld de naam van de financiële instelling (in 131.184 van de 377.945 records is de naam wel juist).

Door deze omissies kunnen de analyses voor handhaving slechts ten dele uitgevoerd worden.

Deze omissies zijn gemeld bij het Bestuurlijk Platform AEOI. (…) Op dit moment (oktober 2018) wordt door CAP op aanwijzing van EHI gewerkt aan een tijdelijke oplossing voor deze problemen. Een robuuste oplossing ontbreekt nog.

Zowel de gegevens die in 2017 zijn binnen gekomen (jaar 2016) als de gegevens die in 2018 zijn binnen gekomen (jaar 2017) worden opnieuw geïdentificeerd. Dit betreft circa 1,4 miljoen records.

Volgens planning zouden deze 1,4 miljoen records voor eind november 2018 allemaal moeten zijn verwerkt. (…) Voor de totale populatie exclusief controlling persons is het identificatiepercentage nu ongeveer 75%.

Ondanks de omissies in de levering van de CRS gegevens aan EHI zijn een aantal activiteiten uitgevoerd met behulp van de wel aanwezige gegevens.

2. CRS-natuurlijke personen

In de Stuurgroep VhV [Hof: Stuurgroep Verhuld Vermogen] van 20 juli 2018 is de pilot CRS besproken en geaccordeerd. Deze pilot houdt het volgende in.

Pré pilot.

Er heeft een pré-pilot op 30 posten plaatsgevonden. Deze 30 posten hadden betrekking op 7 verschillende landen. Ongeveer in de helft van de gevallen moest nader onderzoek ingesteld worden om na te gaan of een correctie op zijn plaats is. De uitkomsten van deze pré-pilot zijn betrokken bij het opstellen van pilotplan.

Pilot

De posten in de pilot worden volledig behandeld. Dit houdt in dat deze posten aan de hand van het CRS-gegeven fiscaal worden beoordeeld en indien nodig worden correcties over de afgelopen 12 jaar opgelegd. (…) In de pilot worden 145 posten behandeld. Deze 145 posten zijn over 8 groepen verdeeld. Het pilotplan is in het Stuurgroep VhV overleg van 20 juli 2018 geaccordeerd.

(…)

Vervolgstappen

Als de CRS gegevens over de jaren 2016 en 2017 opnieuw geïdentificeerd zijn en aan EHI zijn aangeleverd dan zal op basis van de bestaande kennis en selectieregels en de ervaringen van de pilot een integrale weging van de totale populatie plaatsvinden. Op basis van deze integrale analyse zullen nadere voorstellen voor behandeling worden geformuleerd. Ook zal een uitspraak gedaan worden in hoeverre er sprake is van compliant gedrag. Bij de integrale analyse wordt nagegaan of differentiatie naar landen logisch is.”

2.6.

In de ‘Tussenrapportage pilot CRS + voorstel voor vervolgaanpak’ van 4 februari 2019 is onder meer het volgende gerapporteerd:

“Doel: stuurgroep VhV informeren over (…) stand van zaken pilot CRS + voorstel voor vervolgaanpak

(…)

Inleiding

Na juli 2018 heeft VT-Handhaving (een deel van EHI is inmiddels overgegaan naar Vaktechniek-handhaving) veelvuldig contact met CAP gehad over het oplossen van gebreken die bij het doorleveren van CRS-gegevens aan VT-handhaving waren geconstateerd. Dit heeft tot diverse maatregelen bij CAP geleid die op de nieuwe ontvangsten van CRS-gegevens in het najaar 2018 toegepast konden worden. Dit heeft er toe geleid dat van de circa 100 landen die CRS gegevens aan Nederland leveren er 80 zijn waarvan de gegevens inmiddels ook bij VT-handhaving beschikbaar zijn. De sofiëringsgraad bij deze gegevens is hoger dan medio vorig jaar en komt nu voor natuurlijke personen op ongeveer 86% uit.

Aangezien de meeste CRS-gegevens over natuurlijke personen nu bij VT-handhaving voorhanden zijn is het zinvol om met voorstellen te komen hoe die gegevens in de handhaving gebruikt kunnen worden. Daarbij dienen we ons te realiseren dat een mix van handhavingsinstrumenten het grootste effect zal sorteren. (…) Het voorinvullen wordt op dit moment op de daarvoor geëigende manier voorbereid. Zoveel mogelijk CRS/FATCA-gegevens van de ontvangst in najaar 2018 zullen voor de aangifte IH 2018 vooringevuld worden. Op dit moment staan ruim 800.000 gegevens klaar om verwerkt te worden in dit traject. De andere instrumenten komen aan bod na de paragraaf over de analyse van de pilot.”

2.7.

De ‘Tussenrapportage CRS pilot 1 mei 2019’ uitgebracht aan de Stuurgroep VhV, bevat onder meer de volgende informatie:

Rapportage uitbreiding pilot met 600 posten

Na overleg met de stuurgroep VhV op 7 februari is besloten om de pilot met 600 posten uit te breiden. (…) Besloten is om eerst een selectie te laten plaatsvinden door het geoefend oog, gebruikmakend van alle beschikbare applicaties. (…) Na deze voorselectie zijn er door het VHV centrum 447 brieven "vermogen in het buitenland" verzonden aan de overgebleven belastingplichtigen. Na ontvangst van de antwoorden vindt er een beoordeling plaats op het VHV centrum te Breda (…).

(…)

Voorlopige conclusie:

Door de pilot zijn we in staat om nauwkeuriger te selecteren welke posten voor nadere beoordeling in aanmerking komen. Van groot belang is om het aantal posten dat beoordeeld moet worden te beperken door geautomatiseerde beoordeling en indien nodig beoordeling door het geoefend oog. Hierdoor kunnen we de inzet van medewerkers beperken. Dat is nodig omdat de aantallen gegevens uit CRS sterk zullen gaan toenemen.”

2.8.

In het memo ‘Voorstel escalatie problematiek verrijking gegevens CRS’ van 17 mei 2019, gericht aan de directeur Grote Ondernemingen, is onder meer het volgende vermeld:

“In dit memo schetsen wij in het kort de problematiek die op dit moment speelt bij de verrijking van CRS gegevens die wij uit het buitenland ontvangen. Deze gegevens blijken niet compleet en betrouwbaar. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij het dienstonderdeel CAP in Apeldoorn. Deze afdeling herkent de problematiek en erkent dat er wat gedaan moet worden. Wij vragen u bij de Directie die verantwoordelijk is voor CAP om snelle maatregelen. Die bestaan uit:

1) Voor de korte termijn moet de CAP-query op een aanvaardbaar niveau worden gebracht. Een tijdpad is noodzakelijk. Ons voorstel is om hiervoor 1 juli 2019 aan te houden. CAP moet er voor zorgen dat Toezicht en DF&A de beschikking krijgt over alle aangeleverde CRS/FATCA gegevens, met daaraan gekoppeld de leverende financiële instelling en de aanduiding of er sprake is van een verbeterde en/of gecorrigeerde levering.

2) Robuuste oplossing.

De onder één bedoelde query is een tijdelijk hulpmiddel. CAP moet er zorg voor dragen dat alle informatie structureel, compleet en verrijkt aan DF&A ter beschikking worden gesteld. Hiervoor moet een aanvaardbaar tijdpad worden opgesteld.

Toelichting

Landen leveren volgens harde afspraken de CRS gegevens aan in zogenaamde xml bestanden. De ontvangen gegevens worden door CAP beoordeeld op een aantal technische aspecten. De gegevens worden vervolgens geïdentificeerd en buitenlandse valuta worden omgerekend naar Eurobedragen. De aldus verrijkte gegevens worden opgeslagen in CMG (Controle Module Gegevens). De gegevens die in CMG zijn opgeslagen en betrekking hebben op natuurlijke personen zijn in RBG inkijk voor onze toezichtmedewerkers raadpleegbaar. (…)

Stavaza overdracht CRS en FATCA gegevens aan Handhaving/DF&A

1) De ontvangen gegevens van het 1e CRS jaar (kalenderjaar 2016) zijn met behulp van een BICC query incompleet en met gebreken aan EHI overgedragen. De query is onder verantwoordelijk van CAP tot stand gekomen. Volgens afspraak met EHI zouden in de query alle ontvangen CRS gegevens moeten zijn opgenomen. In juli 2018 is er gerapporteerd aan zowel de tactische als de strategische stuurgroep AEOI dat dit niet het geval was. In de strategische stuurgroep AEOI is vervolgens besloten om niet terug te komen op het verleden, maar om de gegevens van het 2e

CRS jaar (kalenderjaar 2017) wederom door middel van een query op CMG volledig en juist aan EHI aan te leveren. In de periode december 2018 tot en met februari 2019 zijn een groot aantal records overgedragen (zowel kalenderjaar 2017 als inhaal kalenderjaar 2016).

In de loop van 2019 is vastgesteld dat in veel gevallen een financiële instelling aan een verkeerde rekeninghouder was gekoppeld. Dit is een fors probleem en is door (…) CAP bevestigd en men is op zoek gegaan naar de oorzaak of oorzaken. Op dit moment is onbekend wat de stand van zaken van dat onderzoek is en wanneer we nieuwe verbeterde gegevens verwachten te ontvangen.

Naast EHI heeft ook CAP/OAG geprobeerd om zicht te krijgen op de ontvangen CRS en FATCA gegevens, vanuit hun rol in het VIA proces. Zij hebben alle ontvangen CRS bestanden (de originele xml bestanden!) nogmaals zelfstandig ingelezen en van daar uit geprobeerd om aansluiting te vinden met de CRS verwerkingen. Deze aansluiting is niet gelukt. (…) Duidelijk is dat een en ander tot op de bodem uitgezocht moet worden. (…)

Conclusie

Duidelijk is dat de query nog niet goed genoeg is, maar ook is duidelijk door OAG is aangetoond dat er binnen het verwerkingsproces issues spelen die op korte termijn in kaart gebracht moeten worden en bij voorkeur ook worden opgelost. Toezicht en DF&A hebben nu niet de beschikking over alle (actuele) CRS gegevens van de jaren 2016 en 2017. Toezicht moet nu aan CAP vragen om een oplossing voor de geconstateerde gebreken met een vigerend tijdpad. (…).”

2.9.

In het rapport ‘Evaluatie kwaliteit gegevens VIA voor IH 2018’ van 27 augustus 2019 is onder meer het volgende vermeld:

5.24 Buitenlandse spaartegoeden

Inleiding

Voor de stroom Buitenlandse spaartegoeden kan niet op bedragen worden vergeleken omdat er geen saldi vooraf ingevuld worden. Voor deze stroom worden alleen de naam van de financiële instelling, het rekeningnummer en de landcode vooraf ingevuld (= indicatie).

Voor de LJN IH2018 is gebruikgemaakt van de geleverde gegevens in het kader van CRS en FATCA.

(…)

Toelichting juistheid

Het percentage juistheid 2018 voor de downloaders is 40,3% en daarmee lager dan 2017 (49,3%). (…)”

2.10.

In het memo ‘Afspraken en actiepunten kernteam VhV’ van 17 januari 2020 is onder meer het volgende opgenomen:

“17-1-20 VIA en CRS

Punt 10 [Naam] geeft een update, zij heeft vanmorgen een overleg met een aantal betrokkenen gehad. [Naam] gaat door met de posten die er nu liggen. Zodra de informatie CRS 2018 binnen is gaan we ermee aan de slag.”

2.11.

In het memo ‘Mededelingen FATCA/CRS en leaks’ van 16 april 2020, dat is gericht aan de Stuurgroep VhV, is onder meer het volgende vermeld:

“(…)

CRS/FATCA

Voor CRS en FATCA zijn de afgelopen jaren enkele pilots binnen het programma uitgevoerd. (…) Het voornemen was om met behulp van de FATCA/CRS data die door de Belastingdienst in najaar 2019 (over het jaar 2018) zouden worden ontvangen en op basis van de ervaringen van de pilots, binnen het programma handhavingsacties uit te gaan voeren op zowel natuurlijk als niet-natuurlijk personen. Daarbij zijn twee belemmeringen opgetreden:

1. CAP heeft tav de CRS data ontvangen in 2019 een damage geconstateerd waardoor de data niet aan Df&A geleverd konden worden. De damage is inmiddels opgelost en de laatste melding is dat op 8 april alle CRS data van 2019 aan Df&A zijn geleverd (op een paar herstel- en naleveringen

na). Tegelijk zijn ook de CRS data ontvangen in 2018 (over het jaar 2017) door CAP aan Df&A geleverd. Deze belemmering lijkt dus opgelost.

2. Df&A heeft van EHI een platform overgenomen om CRS-data op te werken. Dit platform moest omgebouwd worden. Nu de CRS data bij Df&A zijn kan blijken of dit goed functioneert. (…)

Ondertussen wordt door VhV-medewerkers gewerkt met een bestand (niet volledig en deels onjuist) van circa 10.000 posten. Op dit bestand wordt een bureau beoordeling uitgevoerd (…) waaruit mogelijk 1.500 behandelwaardige posten voortkomen. (…).”

2.12.

Tot de in hoger beroep overgelegde stukken van het project CRS behoren tevens afschriften van projectlogboeken van respectievelijk de CRS programmamanager, CRS projectleider niet-natuurlijke personen en CRS projectleider natuurlijke personen.

2.13.

De inspecteur heeft als bijlage 3 bij zijn verweerschrift in eerste aanleg een aantal schermprints gevoegd met de omschrijving ‘gegevens CRS NP’. In deze schermprints zijn met betrekking tot de jaren 2016 tot en met 2021 voor elk jaar de bankrekeningnummers vermeld alsmede het saldo per 31 december en de opbrengsten van de vijf door belanghebbende bij de Sparkasse Bank aangehouden bankrekeningen. Voorts is daarbij een aantal gegevens vermeld, waaronder het bsn van belanghebbende, de berichtsoort (omschreven als ‘CRSEU’) en de datum van ontvangst van de renseignementen over de jaren 2016 tot en met 2021.

2.14.

De inspecteur heeft als bijlage 4 bij zijn verweerschrift in eerste aanleg een aantal schermprints gevoegd met de omschrijving ‘Gegevens applicatie ViB Renseignementen’. In deze schermprints is een aantal tabbladen weergeven met de titel ‘Bewerken belastingplichtige’, waarin onder meer de naam- en adresgegevens van belanghebbende alsmede (onder de regel ‘CRS info’) de saldi per 1 januari 2018 zijn vermeld van de hiervoor vermelde vijf bankrekeningen van belanghebbende bij de Sparkasse Bank. Voorts zijn in deze schermprints de datums vermeld van de eerste vragenbrief aan belanghebbende (zoals hieronder vermeld) en de daarop gevolgde correspondentie tussen de inspecteur en de toenmalige gemachtigde van belanghebbende. Als datum waarop de beoordeling van de gegevens omtrent de Duitse bankrekeningen van belanghebbende is aangevangen, is vermeld: ‘Datum aangevangen 12 februari 2020’.

2.15.

Belanghebbende heeft in de door hem ingediende aangiften IB/PVV voor de jaren 2008 tot en met 2011 en 2013 tot en met 2016 geen tegoeden op in het buitenland aangehouden bankrekeningen vermeld. In de door hem ingediende aangiften IB/PVV voor de jaren 2017 en 2018 heeft belanghebbende bij de in de aangifte vooringevulde rekeningnummers van de vijf bankrekeningen bij de Sparkasse Bank tegoeden vermeld van in totaal respectievelijk € 3.755 (2018) en € 3.859 (2018). De tegoeden op de vijf bankrekeningen bij de Sparkasse Bank bedroegen op 31 december 2016 in totaal afgerond € 325.549 en op 31 december 2017 afgerond € 325.882.

2.16.

Bij brief van 12 februari 2020 heeft de inspecteur vragen gesteld aan belanghebbende over door hem in Duitsland aangehouden bankrekeningen. In deze brief is – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“De Belastingdienst is een onderzoek gestart naar Nederlandse ingezetenen die gerechtigd zijn (geweest) tot buitenlandse vermogensbestanddelen, waarbij het vermoeden bestaat dat in de

ingediende aangiften inkomstenbelasting geen opgaaf is gedaan van deze vermogensbestanddelen en de eventuele opbrengsten daaruit. (…) Uit de mij ter beschikking staande informatie blijkt dat u en/of uw (fiscale) partner tenminste één rekening aanhouden of heeft/hebben aangehouden in het buitenland. Het betreft: [Hof: volgt vermelding van vijf bankrekeningen bij de Sparkasse Hilden Ratingen Velbert’ (hierna: de Sparkasse Bank), met weergave van de rekeningnummers]. Wij wijzen u erop dat u op grond van artikel 47 lid 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verplicht bent de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken voor zover deze zien op de belastingheffing. (…) Ik stel u daarom nadere vragen en verzoek u de relevante (bank)stukken aan mij toe te zenden. Ik verwijs u naar de bijgevoegde Verklaring vermogen in het buitenland (…).”

2.17.

De inspecteur heeft het door de toenmalige gemachtigde van belanghebbende ingevulde formulier ‘Verklaring vermogen in het buitenland’ op 10 juli 2020 retour ontvangen. Op dit formulier is voor de jaren 2005 tot en met 2017 per jaar een bedrag van € 20.086 ingevuld aan niet eerder aangegeven onroerende zaken in Griekenland en zijn voor de jaren 2010 tot en met 2017 bedragen ingevuld aan niet eerder aangegeven, op Duitse bankrekeningen aangehouden tegoeden. Voor de jaren 2005 tot en met 2009 is met betrekking tot banktegoeden telkens ingevuld: ‘onbekend’. Bij de in het formulier gestelde vraag “Geef voor iedere bezitting/schuld (…) aan hoe en wanneer u er eigenaar van bent geworden” is het volgende antwoord ingevuld:

“Dit is nog altijd niet geheel duidelijk. De bankrekening in Duitsland stond op naam van de vader van [belanghebbende], hij was secundair opgenomen als rekeninghouder. Toen zijn vader overleed is alles op zijn naam gekomen.”

Als bijlagen bij de ‘Verklaring vermogen in het buitenland’ zijn afschriften gevoegd met op naam van belanghebbende gestelde vermogensoverzichten van de Sparkasse Bank, met daarop vermeld de saldi per 31 december van vijf door belanghebbende bij de Sparkasse Bank aangehouden bankrekeningen voor de jaren 2009 tot en met 2014. Het totaalbedrag van de door belanghebbende op 31 december 2009 aangehouden tegoeden (spaarrekeningen en beleggingsdepot tezamen) is € 141.803. Het totaalbedrag van de door belanghebbende op 31 december 2010 bij de Sparkasse aangehouden tegoeden (spaarrekeningen en beleggingsdepot tezamen) is € 324.043,54.

2.18.

Naar aanleiding van een verzoek om nadere informatie van de inspecteur, waarin onder meer is gevraagd op welke datum de vader van belanghebbende is overleden en is verzocht om de ontbrekende overzichten van de saldi op 1 januari en 31 december van de jaren 2008 en 2009, heeft de toenmalige gemachtigde van belanghebbende bij e-mailbericht van 16 oktober 2020 onder meer als volgt gereageerd:

“De vader van [belanghebbende] is op [datum] overleden in Duitsland waar hij reeds woonachtig was vanaf de jaren '50. [Belanghebbende] heeft het vermogen van zijn vader medio 2009 geërfd, wat zou betekenen dat de jaren 2005-2008 wellicht minder relevant zijn aangezien er toen spraken was van een gering vermogen.”

2.19.

De inspecteur heeft in een brief aan belanghebbende van 28 november 2020 (met als onderwerp “Aankondiging (navorderings)aanslagen en kennisgeving vergrijpboete”) onder meer het volgende geschreven:

“(…) Ook is, ondanks verzoek, geen bewijsstuk ontvangen van de sterfdatum van de vader van [belanghebbende]. Het op 30 juli 2010 gestorte bedrag van € 179.900 "lijkt de erfenis van de medio 2008 overleden vader" te zijn, echter is in de mail van 16 oktober door de boekhouder geschreven dat de erfenis medio 2009 zou zijn ontvangen.”

2.20.

In zijn verweerschrift in eerste aanleg heeft de inspecteur zijn standpunt over de juridische kwalificatie van de aan de vergrijpboeten ten grondslag gelegde feitelijke gedragingen gewijzigd: hij heeft primair het standpunt ingenomen dat het aan voorwaardelijk opzet van belanghebbende is te wijten dat de definitieve aanslagen IB/PVV 2009 tot en met 2018 te laag zijn vastgesteld en subsidiair dat sprake is van grove schuld. Tijdens de zitting bij de rechtbank heeft hij blijkens het proces-verbaal van de zitting (blz. 5) dit standpunt herhaald (“Verweerder benadrukt dat hij voor de boetes primair uitgaat van opzet en subsidiair van grove schuld”).

2.21.

Tijdens de zitting in eerste aanleg is namens de inspecteur onder meer het volgende verklaard:

“[De inspecteur] licht toe dat de gegevens uit de gegevenswisseling volgens een bepaald format binnenkwamen. De gegevens die werden aangeleverd waren voorletters, achternaam, TIN-nummer en BSN. De afdeling Centrale Administratieve Processen koppelt de gegevens aan gegevens die bij de Belastingdienst bekend zijn. Verweerder merkt op dat indien een koppeling mogelijk was het bankrekeningnummer opgenomen werd in de vooringevulde aangifte. Dit is ook gebeurd bij [belanghebbende], waarbij de bankrekeninggegevens zijn opgenomen zonder saldo.”

2.22.

Tijdens de zitting in hoger beroep is door belanghebbende onder meer het volgende verklaard:

“Mijn vader is in 2008 overleden in Griekenland en ik heb geld van hem geërfd. Mijn zus heeft ook wat geërfd. Ik heb het geld overgeboekt van een Griekse bank naar de Duitse bank. Ik heb eerst niets met dat geld gedaan, het plan was om ooit een restaurant te openen.

De voorzitter houdt mij voor dat ik nu voor het eerst verklaar dat ik ook tegoeden op bankrekeningen in Griekenland heb geërfd en merkt op dat in 2010 de spaartegoeden van mij bij de Duitse Sparkasse bank fors zijn toegenomen. Het klopt dat dit de overboeking was van de Griekse bank naar de Duitse bank. Mijn ouders woonden voordat zij naar Griekenland gingen in Duitsland, zij hadden toen al de bankrekeningen bij Duitse banken. Mijn vader heeft een deel van het geld naar Griekenland meegenomen toen hij naar Griekenland is verhuisd. Ik ben in Duitsland opgegroeid. Bij de Duitse bankrekeningen was ik aangemerkt als secundair rekeninghouder.”

3 Geschil in hoger beroep

In het principale hoger beroep is in geschil of de navorderingsaanslagen voor de jaren 2008 tot en met 2011 en 2013 tot en met 2015, alsmede de gelijktijdig met die navorderingsaanslagen genomen rente- en boetebeschikkingen, terecht en naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. In het bijzonder is in geschil of de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) van toepassing is.

In het incidenteel hoger beroep is in geschil of de vergrijpboeten voor de jaren 2016 tot en met 2018 terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd.

De rechtbank heeft als volgt overwogen:

Beoordeling van het geschil

Voortvarend opleggen navorderingsaanslagen 2008 tot en met 2015

28. Op grond van artikel 16, vierde lid, van de AWR heeft verweerder, in afwijking van artikel 16, derde lid, van de AWR, gedurende twaalf jaar de bevoegdheid tot navordering, indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen (hierna: de verlengde navorderingstermijn).

29. In de arresten van de Hoge Raad van 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092 en ECLI:NL:HR:2010:BJ9120 is geoordeeld dat bij toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR ter zake van spaartegoeden die in een andere lidstaat van de Europese Unie worden aangehouden de inspecteur na het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, de navorderingsaanslag met redelijke voortvarendheid voorbereidt en vaststelt aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan (hierna: de voortvarendheidseis).

30. Uit de arresten van de Hoge Raad van 27 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:717, en van 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1105, volgt dat indien de inspecteur meer dan zes maanden onverklaarbaar stil heeft gezeten er geen sprake is van voortvarend handelen.

31. Eiser stelt dat hij niet kan beoordelen of verweerder heeft voldaan aan de voortvarendheidseis omdat onduidelijk is wanneer verweerder voor het eerst aanwijzingen had dat eiser buitenlands vermogen aanhield. Na ontvangst van de renseignementen op 26 oktober 2017 is het eerste verzoek om informatie gestuurd in februari 2020, dat is een periode van langer dan zes maanden. Dat de renseignementen alleen informatie gaven over de bankrekeningen op 31 december 2016 laat onverlet dat verweerder binnen zes maanden informatie had moeten opvragen. Verweerder had immers een aanwijzing over in het buitenland aangehouden vermogen, aldus eiser.

32. Verweerder stelt voldoende voortvarend te hebben gehandeld. Ter onderbouwing stelt verweerder dat op 26 oktober 2017 gegevens over de bankrekeningen van eiser bij de Sparkasse Bank bekend werden. Bekend werd dat eiser op 31 december 2016 deze bankrekeningen aanhield. Pas na het verzoek om informatie van 12 februari 2020 is duidelijk geworden dat eiser ook al voor 31 december 2016 deze bankrekeningen aanhield. Na het sturen van het eerste verzoek om informatie heeft verweerder niet langer dan zes maanden onverklaarbaar stil gezeten, aldus verweerder.

33. Ter zitting heeft verweerder aangevuld dat de informatie die op 26 oktober 2017 was ontvangen, onderdeel was van een grote hoeveelheid gegevens uit verschillende landen in het kader van gegevensuitwisseling. Het renseignement bevatte de persoonsgegevens, bankrekeningnummers en de banksaldi. Van deze grote informatiestroom was onzeker of de informatie voldoende betrouwbaar was; de banksaldi waren bijvoorbeeld niet altijd correct. Om die reden zijn in de vooraf ingevulde aangifte IB/PVV 2017 van eiser de bankrekeningnummers ingevuld zonder saldi zodat eiser de saldi zelf kon aanvullen. Eiser heeft in die aangifte 2017 saldi aangegeven die binnen het heffingvrije vermogen bleven, wat maakte dat verweerder geen aanwijzing had op grond waarvan vragen moesten worden gesteld. Pas later werden de informatiestromen in het kader van gegevensuitwisseling betrouwbaarder. Op basis van die gegevens bleek dat de renseignementen banksaldi vermeldden die een veelvoud waren van de aangegeven banksaldi en toen heeft verweerder ook vragen gesteld.

34. De rechtbank stelt vast dat de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2008 tot en met 2015 zijn vastgesteld met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR, dat zij betrekking hebben op spaartegoeden die werden aangehouden in een andere lidstaat van de Europese Unie en dat voor het opleggen van die navorderingsaanslagen dus de voortvarendheidseis geldt. Wellicht ten overvloede overweegt de rechtbank dat de voortvarendheidseis niet geldt ten aanzien van de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2016, 2017 en 2018 nu deze navorderingsaanslagen binnen de reguliere navorderingstermijn zijn vastgesteld (vgl. Hoge Raad 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2163).

35. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en overweegt hiertoe als volgt. Op 26 oktober 2017 heeft verweerder in het kader van gegevensuitwisseling informatie ontvangen over de door eiser aangehouden bankrekeningen bij de Sparkasse Bank. Verweerder heeft naar aanleiding van die gegevens besloten de bankrekeningen op te nemen in de vooraf ingevulde aangifte IB/PVV 2017 zonder vermelding van de saldi. Verweerder heeft echter geen vragen gesteld aan eiser over de buitenlandse bankrekeningen. Dat had verweerder naar het oordeel van de rechtbank wel moeten doen. Gelet op de hoogte van de banksaldi van in totaal € 325.549, in combinatie met het beperkte arbeidsinkomen van eiser, vormden de renseignementen naar het oordeel van de rechtbank immers een voldoende aanwijzing voor verweerder dat het buitenlandse vermogen ook in de jaren vóór 2016 werd aangehouden. Voor het jaar 2015 geldt bovendien dat het renseignement ontvangen op 26 oktober 2017 een bewijsvermoeden opleverde dat eiser buitenlandse banktegoeden aanhield (vlg. Hoge Raad 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63, r.o. 3.8.4.). Daarbij komt dat tussen de door eiser aangegeven banksaldi en de gerenseigneerde banksaldi een dusdanige discrepantie bestond dat een verzoek om informatie voor de hand lag. Bovendien heeft verweerder ook naar aanleiding van de renseignementen over de jaren 2017 en 2018 én de discrepantie tussen die gegevens en de aangegeven saldi geen vragen gesteld aan eiser. Dat verweerder vanaf het moment van het eerste verzoek om informatie niet langer dan zes maanden heeft stil gezeten, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat sprake is van voortvarend handelen. Dit verklaart namelijk niet waarom verweerder niet al in 2017 nadere informatie bij eiser heeft opgevraagd. Het handelen van verweerder is onvoldoende voortvarend geweest en verweerder heeft daarom niet aan genoemde voortvarendheidseis voldaan.

36. De stelling van verweerder dat de informatie ontvangen op 26 oktober 2017 mogelijk onvoldoende betrouwbaar was, maakt dit niet anders. De rechtbank is van oordeel dat het feit dat de informatie mogelijk onvoldoende betrouwbaar is, juist een reden was om vragen te stellen. Bovendien doet dit er niet aan af dat de informatie een aanwijzing vormt voor in het buitenland aangehouden vermogen. Dat de informatie onvoldoende betrouwbaar zou zijn, is bovendien niet met stukken onderbouwd.

37. Voor zover verweerder heeft willen stellen dat er sprake was van een projectmatige aanpak middels het project CRS NP waarmee geruime tijd gemoeid kan zijn (vgl. Hoge Raad 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1105), volgt de rechtbank verweerder niet in deze stelling. Verweerder heeft geen inzicht gegeven in de start en de inhoud van het project CRS NP. Ook heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt hoe het project CRS NP eruitzag ten aanzien van eiser, anders dan dat eiser op enig moment was opgenomen in het project CRS NP. Verweerder heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat een projectmatige aanpak geboden was, noch dat daarmee de nodige tijd en coördinatie gemoeid was, laat staan dat het project voortvarend ter hand is genomen. Hierbij heeft de rechtbank in overweging genomen dat verweerder desgevraagd te kennen heeft gegeven dat vanaf het moment van de eerste renseignering aan de hand van het burgerservicenummer direct een koppeling kon worden gemaakt tussen de gerenseigneerde gegevens en eiser en verweerder dus met voldoende zekerheid kon vaststellen om welke individuele belastingplichtige het ging (vgl. Hoge Raad 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:689).

38. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2008 tot en met 2015. Dit betekent dat de navorderingsaanslagen 2008 tot en met 2015 moeten worden vernietigd. Dit brengt mee dat ook de vergrijpboetes over die jaren moeten worden vernietigd.

Onrechtmatigheid onderzoek

39. Naar aanleiding van de toelichting ter zitting van verweerder over het proces van opvragen van informatie aan eiser, heeft eiser het standpunt ingenomen dat dit onderzoek onrechtmatig is geweest en dat daarom geen van de aanslagen in stand kan blijven. De rechtbank volgt deze stelling van eiser niet. Ten aanzien van de voortvarendheidseis stelt eiser dat verweerder eerder informatie had moeten opvragen, waarin de rechtbank eiser heeft gevolgd. De stelling dat het opvragen van informatie überhaupt onrechtmatig was, strijdt daarmee. Daarbij komt dat verweerder op basis van artikel 47 van de AWR een ruime bevoegdheid heeft om informatie te vragen aan belastingplichtigen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze bevoegdheid niet te buiten is gegaan. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat bij het instellen van een onderzoek sprake is geweest van schending van enig beginsel van behoorlijk bestuur.

40. Voor zover eiser een beroep doet op artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) omdat verweerder geen inzicht heeft gegeven in het project CRS NP, verbindt de rechtbank aan het ontbreken van die stukken geen nadere gevolgen. Ten eerste omdat de navorderingsaanslagen 2008 tot en met 2015 al moeten worden vernietigd vanwege het onvoldoende voortvarend handelen en ten tweede omdat stukken over het project CRS NP zien op gegevens die door eiser niet betwist worden.

Saldo bankrekeningen 2008

41. Het door eiser ingenomen standpunt ten aanzien van de banksaldi voor het jaar 2008 behoeft geen bespreking meer aangezien de navorderingsaanslag 2008 moet worden vernietigd vanwege het onvoldoende voortvarend handelen van verweerder.

Vergrijpboetes 2016 tot en met 2018

42. Op grond van artikel 67e, eerste lid, van de AWR is het een vergrijp als het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige te wijten is dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven en kan de inspecteur ter zake daarvan een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 100% van het bedrag van de navorderingsaanslag.

43. Op grond van artikel 67e, zesde lid, van de AWR bedraagt de boete voor zover de navorderingsaanslag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op belastbaar inkomen als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet IB 2001, in zoverre in afwijking van het eerste lid, ten hoogste 300% van de daarover verschuldigde belasting zoals deze bij de navorderingsaanslag is vastgesteld. Artikel 5.1 van de Wet IB 2001 bepaalt dat het inkomen uit sparen en beleggen het voordeel uit sparen en beleggen is verminderd met de persoonsgebonden aftrek.

44. In de wetsgeschiedenis bij artikel 67e van de AWR (Kamerstukken 1993/94, 23 470, nr. 3, blz. 45) staat:


“Het ten onrechte achterwege blijven van een aanslag kan onder omstandigheden berusten op een onjuiste of onvolledige aangifte, doch ook op de omstandigheid dat iemand, hoewel daartoe verplicht, niet om de uitreiking van een aangiftebiljet heeft verzocht en daardoor geen aangiftebiljet uitgereikt heeft gekregen. Indien de termijn van 3 jaren voor het opleggen van een definitieve aanslag is verstreken, zal herstel moeten geschieden door middel van navordering. Indien opzet of grove schuld van de belastingplichtige kan worden bewezen, is de oplegging van een vergrijpboete op de voet van artikel 67e op zijn plaats.”

45. Voor het opleggen van de vergrijpboete is nodig dat sprake is van opzet of grove schuld. Van opzet is sprake als de belastingplichtige willens en wetens zodanige handelingen verricht of nalaat dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Voor het bestaan van voorwaardelijk opzet is niet alleen vereist dat eiser ten tijde van het doen van de aangifte de wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven, maar ook dat hij die kans toen bewust heeft aanvaard (Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526). Grove schuld doet zich voor als aan de belastingplichtige een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid kan worden verweten. Daarbij kan gedacht worden aan laakbare slordigheid of ernstige nalatigheid. Bij grove schuld had de belastingplichtige redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden geheven of betaald. De inspecteur dient overtuigend aan te tonen dat sprake is van grove schuld aan de zijde van de belastingplichtige. De aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit kan alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan (Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526).

46. Op grond van artikel 5:9 van de Awb vermeldt de beschikking tot oplegging van een bestuurlijke sanctie – voor zover in dit geval relevant – de overtreding en het overtreden voorschrift.

47. Op grond van artikel 67g, tweede lid, van de AWR moet de inspecteur de belastingplichtige uiterlijk bij het vaststellen van de boetebeschikking in kennis stellen van de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de boete.

48. Met betrekking tot de hoogte van de boete dient te worden beoordeeld of deze passend en geboden is en in verhouding staat tot de ernst van het feit (bijv. Hoge Raad 11 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5791).

Vereisten opleggen boete

49. Volgens eiser is niet aan de vereisten van artikel 5:9 van de Awb en artikel 67g, tweede lid, van de AWR voldaan omdat op de aanslagbiljetten niet is verwezen naar artikel 67e van de AWR. Dat in de brief van 15 maart 2021 waarin de vergrijpboetes werden aangekondigd wel naar die bepaling is verwezen, maakt dit volgens eiser niet anders. Daarbij verwijst eiser naar de uitspraak van de Hoge Raad van 7 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:704.

50. Volgens verweerder is wel aan de vereisten voor het opleggen van vergrijpboetes voldaan met de motivering in de brieven van 28 november 2020 en 15 maart 2021. Verweerder heeft in die brieven aan eiser medegedeeld dat hij beboetbare feiten heeft begaan en daarbij verwezen naar onder meer artikel 67e van de AWR. Dit maakt dat is voldaan aan artikel 67g van de AWR. Volgens verweerder is het door eiser genoemde arrest in dit geval niet van toepassing omdat sprake is van één vergrijp, wat duidelijk is gemaakt in genoemde brieven, terwijl het in het arrest van de Hoge Raad ging over de onduidelijkheid dat sprake was van meerdere overtredingen.

51. De rechtbank is van oordeel dat is voldaan aan de vereisten voor het vaststellen van een boetebeschikking en overweegt daartoe als volgt. Op grond van artikel 67g van de AWR in samenhang met artikel 5:9 van de Awb stelt de inspecteur de belastingplichtige uiterlijk bij het opleggen van de bestuurlijke boete in kennis van de overtreding (feiten) alsmede van het overtreden voorschrift (juridische kwalificatie). Dit voorschrift moet worden bezien in het licht van het recht van een verdachte om zich behoorlijk te kunnen voorbereiden op zijn verdediging (verdedigingsbeginsel) (vgl. Hoge Raad 4 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0851). In de brief van 15 maart 2021 heeft verweerder de beboetbare feiten genoemd en verwezen naar artikel 67e van de AWR. Hiermee was het voor eiser voldoende duidelijk welke overtreding hem verweten werd.

52. Verweerder stelt primair dat sprake is van opzet en subsidiair dat sprake is van grove schuld aan de zijde van eiser. Ter onderbouwing stelt verweerder dat eiser jarenlang zijn aangifte onjuist heeft ingevuld. Uit verklaringen van eiser is gebleken dat hij een bestedingsdoel voor dit substantiële vermogen voor ogen had en dus wist van het bestaan van het vermogen. De vraag over buitenlands vermogen in de aangifte is volgens verweerder voldoende duidelijk en daaruit had eiser kunnen afleiden dat het vermogen had moeten worden aangegeven. Dat eiser in een aantal jaren wel aftrekposten opvoerde, duidt er volgens verweerder op dat eiser niet slechts snel door de aangifte klikte maar de aangifte heeft gelezen. Eiser heeft de vraag over het buitenlands vermogen volgens verweerder stelselmatig bewust onjuist ingevuld. Dat de aangifte van invloed was op de definitieve aanslag, was eiser bekend aangezien hij vrijwel ieder jaar na indiening van de aangifte geld terugkreeg bij vaststelling van de primitieve aanslag. Daar komt bij dat voor de jaren 2017 en 2018 de bankrekeningen bij de Sparkasse Bank in de vooraf ingevulde aangiften waren opgenomen en dat eiser ervoor heeft gekozen lagere bedragen in te vullen. Met deze gedragingen heeft eiser bewust aanvaard dat zijn aanslagen IB/PVV tot een te laag bedrag zouden worden vastgesteld. Gelet op artikel 67e van de AWR in samenhang met het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst bedraagt de boete dan in beginsel 150%. De boetes zijn opgelegd tegen een percentage van 75% en zijn daarmee volgens verweerder eerder te laag dan te hoog vastgesteld. Mocht de rechtbank oordelen dat geen sprake is van opzet, dan zijn deze gedragingen volgens verweerder te kwalificeren als grove schuld.

53. Eiser stelt dat geen sprake is van opzet of grove schuld. Hij erkent wel dat hij slordig is geweest bij het invullen van de aangiften. Eiser is kelner van beroep en heeft geen kennis van de fiscale regelingen. Hij was zich daarom niet ervan bewust dat hij de bankrekeningen moest aangeven en hij was ook niet bekend met de inkeerregeling. Dat hij pas in 2020 een boekhouder inschakelde, kan hem niet worden verweten. Zijn zaken zijn niet ingewikkeld en daarom mocht hij ervan uitgaan dat hij geen specialistische hulp hoefde in te schakelen. Ter zitting is door eiser aangevuld dat hij de bedragen in de vooraf ingevulde aangiften IB/PVV voor de jaren 2017 en 2018 heeft gewijzigd omdat het ingevulde bedrag hem niet bekend voorkwam en hij anders niet verder kon met het invullen van de aangifte. Eiser wist niet precies welke bedragen er op de buitenlandse bankrekeningen stonden en dus heeft hij een bedrag bedacht.

54. Daarnaast stelt eiser dat de boetes niet passend en geboden zijn. Het evenredigheidsbeginsel maakt volgens eiser dat de boete in redelijke verhouding moet staan tot de zwaarte van de overtreding. Als al een boete kan worden opgelegd, dient deze te worden gematigd naar 25% omdat er anders een wanverhouding bestaat tussen de ernst van het feit en de opgelegde boete, aldus eiser. Tot slot stelt eiser dat bij het opleggen van de boetes onvoldoende rekening is gehouden met de menselijke maat. Eiser verdient niet veel en is door corona lange tijd werkloos geweest. Ter zitting heeft eiser aangevuld dat hij momenteel niet werkt vanwege ziekte en afhankelijk is van een uitkering.

55. Verder stelt verweerder dat de boetes passend en geboden zijn, niet in wanverhouding staan tot de overtreding en dat voldoende rekening is gehouden met de menselijke maat. Ter onderbouwing voert verweerder aan dat de wetgever ervoor heeft gekozen dit vergrijp te straffen met maximaal 300%, terwijl in het geval van eiser een boete is opgelegd van 75%. Daarnaast gaat het om meerdere overtredingen en heeft eiser jaarlijks onjuist aangifte gedaan. De hoogte van de boete moet ook worden afgezet tegen het meermaals plaatsvinden van de overtreding. Ook is meegewogen dat eiser substantieel meer draagkracht heeft dan aangegeven en dat dit vermogen liquide is. Volgens verweerder is de ontbrekende fiscale kennis van eiser onvoldoende argument om de boete verder te matigen.

56. Vaststaat dat eiser wist van het bestaan van de banksaldi bij de Sparkasse Bank . Ook staat vast dat eiser die saldi had moeten opnemen in zijn aangifte IB/PVV en dat hij dit over het jaar 2016 niet heeft gedaan. Verder staat vast dat eiser in de jaren 2017 en 2018 onjuiste en aanzienlijk lagere bedragen heeft ingevuld in de aangiften. Tot slot staat vast dat dit ertoe heeft geleid dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder overtuigend heeft aangetoond dat het aan de opzet van eiser te wijten is dat er te weinig belasting is geheven. Uit de vraag in het aangifteformulier blijkt voldoende duidelijk – ook voor niet fiscaal geschoolden – dat ook buitenlandse banksaldi moeten worden aangegeven. Daarbij komt dat de bankrekeningen vermeld werden in de vooraf ingevulde aangiften voor de jaren 2017 en 2018 en dat eiser de vooraf ingevulde banksaldi in de aangifte 2018 bewust heeft gewijzigd naar onjuiste, substantieel lagere bedragen. Dat eiser dit deed omdat die bedragen hem niet bekend voorkwamen en hij wilde doorgaan met de aangifte, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Ook met de juiste, en voor 2018 bovendien al ingevulde bedragen, had eiser de aangiften kunnen afronden en als de bedragen hem niet bekend voorkwamen, had het op de weg van eiser gelegen om deskundige hulp in te schakelen. De stelling van eiser dat niet kan worden verwacht dat hij deskundige hulp zou inschakelen vanwege de eenvoud van zijn belastingzaken, volgt de rechtbank niet. Gelet op de omvang van de banksaldi, het feit dat dit buitenlands vermogen betrof en het ontbreken van eigen fiscale kennis, had het juist wel op de weg van eiser gelegen om specialistische hulp in te schakelen. Bij dit alles merkt de rechtbank nog op dat het voor de onderhavige jaren van algemene bekendheid was dat het (forfaitaire) voordeel uit banktegoeden die het heffingvrij vermogen te boven gaan, is onderworpen aan heffing van IB/PVV zodat die tegoeden aangegeven moesten worden (vgl. Hoge Raad 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63, r.o. 3.11.3).

57. De rechtbank acht de boetes passend en geboden. Eiser heeft zich schuldig gemaakt aan belastingontduiking. Dat is een ernstig vergrijp, dat kan leiden tot verzwaring van de belastingdruk voor alle Nederlanders en kan bijdragen aan de ondermijning van de belastingmoraal. Daarbij passen verhoudingsgewijs stevige boetes. De hoogtes van de aan eiser opgelegde boetes zijn gebaseerd op de kwalificatie grove schuld, terwijl de rechtbank van oordeel is dat sprake is van opzet aan de zijde van eiser. Bovendien zijn de financiële omstandigheden van eiser geen reden om de boetes te matigen, aangezien eiser over voldoende liquide vermogen bij de Sparkasse Bank beschikt. Dat eiser momenteel niet in staat is om te werken, maakt dit niet anders. Gelet op het strafmaximum van 300% en het feit dat boetes van 75% zijn opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat voldoende rekening is gehouden met de menselijke maat.

58. De rechtbank ziet echter wel aanleiding de boetes te matigen wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor vergrijpboetes geldt immers dat die moeten worden gematigd indien de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden (‘undue delay’). Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten uit het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Uitgangspunt is dat de redelijke termijn in beginsel 24 maanden bedraagt, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt aan op het moment dat vergrijpboetes zijn aangekondigd en eiser op de hoogte is geraakt van de boeteoplegging. Indien de redelijke termijn is overschreden kan voor de matiging van de boete worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298.

59. Bij de verminderingsbeschikking over het jaar 2018 is de vergrijpboete voor 2018 verminderd naar € 54. In de verminderingsbeschikking over het jaar 2017 is niets vermeld over de vergrijpboete. De rechtbank gaat ervan uit dat met de verminderingsbeschikking over 2017 de vergrijpboete navenant is verminderd en dat de vergrijpboete dus € 63 bedraagt.

60. Niet in geschil is dat het voornemen tot het opleggen van de vergrijpboetes aan eiser is bekendgemaakt bij brief van 28 november 2020. Vanaf het moment van deze aankondiging van de boetes tot het moment waarop de rechtbank uitspraak doet, zijn afgerond 44 maanden verstreken. Dat betekent een overschrijding van de redelijke termijn met 20 maanden. Bijzondere omstandigheden die een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen, zijn niet gesteld of gebleken. Bij een overschrijding van de redelijke termijn met 20 maanden past een matiging van de boetes met 15%. De rechtbank zal de vergrijpboete over het jaar 2016 dan ook verminderen tot € 2.470 (85% van € 2.907). Voor de vergrijpboetes over de jaren 2017 en 2018 volstaat de rechtbank – gelet op het geringe bedrag van die boetes – met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Immateriële schade

61. Eiser heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Als uitgangspunt voor de behandeling van bezwaar en beroep geldt een redelijke termijn van twee jaar. Daarbij geldt voor de bezwaarfase een redelijke termijn van een half jaar en voor de beroepsfase van anderhalf jaar. Bijzondere omstandigheden kunnen een langere termijn dan twee jaar rechtvaardigen. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dan heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden.

62. De bezwaarschriften zijn door verweerder ontvangen op 12 januari 2021 (inzake 2008) en op 26 april 2021 (overige jaren). Verweerder heeft op 17 december 2021 uitspraak op bezwaar gedaan. Het beroepschrift is bij de rechtbank ontvangen op 20 januari 2022. De rechtbank doet uitspraak op 4 juli 2024. De redelijke termijn is dus met afgerond achttien maanden overschreden. Dit maakt dat eiser recht heeft op een schadevergoeding van € 1.500. Gelet op genoemde data is de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar met afgerond zes maanden overschreden en die voor de behandeling van het beroep met twaalf maanden. Verweerder dient daarom 1/3e deel van € 1.500 te betalen (€ 500) en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) 2/3e deel (€ 1.000).

Proceskosten

63. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.555. Dit betreft 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 310, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor van 1 voor het gewicht van de zaken en een wegingsfactor 1,5 vanwege het aantal samenhangende zaken (vier of meer). De rechtbank zal ook bepalen dat het griffierecht aan eiser wordt vergoed.”

5 Beoordeling van het geschil

6 Kosten

7 Beslissing