Gerechtshof Amsterdam, 17-02-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:529, 25/678
Gerechtshof Amsterdam, 17-02-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:529, 25/678
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 17 februari 2026
- Datum publicatie
- 12 maart 2026
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2024:14244, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 25/678
- Relevante informatie
- Art. 2 Wet Vpb 1969, Art. 4 Wet Vpb 1969, Art. 6b Wet Vpb 1969, Art. 8e Wet Vpb 1969, Art. 4:21 Awb, Art. 107 Werkingsverdrag, Art. 6c Wet Vpb 1969, Wet Vpb 1969, Art. 3 LCW, LCW, Art. 8:108 Awb, Art. 8:75 Awb, WHW, BPB, Subsidieregeling NLR [Tekst geldig vanaf 01-04-2018] [Regeling ingetrokken per 2018-04-01], Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen [Tekst geldig vanaf 01-01-2017], Art. 23 Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek [Tekst geldig vanaf 21-11-2025 tot 01-04-2028] [Regeling ingetrokken per 2028-04-01], Art. 43 Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek [Tekst geldig vanaf 21-11-2025 tot 01-04-2028] [Regeling ingetrokken per 2028-04-01], Subsidieregeling instituten voor toegepast onderzoek [Tekst geldig vanaf 21-11-2025 tot 01-04-2028] [Regeling ingetrokken per 2028-04-01]
Inhoudsindicatie
Aanslag Vpb 2016 en verliesvaststellingsbeschikking. Hoger beroep inspecteur en incidenteel hoger beroep belanghebbende ongegrond. Belanghebbende, een stichting die met contractonderzoek exploitatieoverschotten behaalt, drijft een onderneming en is belastingplichtig voor de Vpb. De onderwijsvrijstelling van artikel 6b, lid 1, aanhef en onder b, Wet Vpb is wel op haar van toepassing. Onvoldoende aanknopingspunten in parlementaire geschiedenis voor opvatting inspecteur over "bekostiging uit publieke middelen".
Uitspraak
kenmerk 25/678
17 februari 2026
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
alsmede op het incidenteel hoger beroep van
[X] , gevestigd te [Y] , belanghebbende,
(gemachtigde: J.E. van Oostenbrugge MSc)
tegen de uitspraak van 17 december 2024 in de zaak met kenmerk HAA 23/1580 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2016 een aanslag vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd, berekend naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van negatief € 389.265. Bij verliesvaststellingsbeschikking is een verlies vastgesteld van € 389.265.
Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 19 december 2022 heeft de inspecteur het tegen de aanslag en de verliesvaststellingsbeschikking gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank.
Bij uitspraak van 17 december 2024 heeft de rechtbank als volgt op het beroep beslist (belanghebbende en de inspecteur worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiseres’ respectievelijk ‘verweerder’) :
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.435,50; en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden.”
Het tegen de uitspraak van de rechtbank door de inspecteur ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 24 januari 2025 en nader gemotiveerd bij brief van
13 maart 2025. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.
Met dagtekening 23 juni 2025 heeft de inspecteur een zienswijze omtrent het incidenteel hoger beroep alsmede een conclusie van repliek in hoger beroep ingediend.
Bij brief van 23 juli 2025 heeft belanghebbende bericht geen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het indienen van een conclusie van dupliek.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2 Feiten
De rechtbank heeft in haar uitspraak de volgende feiten vastgesteld:
“1. Eiseres is een door de rijksoverheid opgerichte stichting die toegepast onderzoek verricht op het gebied van de lucht- en ruimtevaart (ook wel genoemd een Toegepast Onderzoek Organisatie of TO2-instelling).
2. De afnemers van de diensten en producten van eiseres zijn: overheden, het bedrijfsleven, luchtvaartinstanties, ruimtevaartorganisaties en non-gouvernementele organisaties in binnen- en buitenland.
3. De onderzoekswerkzaamheden van eiseres kunnen worden onderverdeeld in:
- publiek gesubsidieerd onderzoek; en
- contractonderzoek ten behoeve van (semi-)publieke en private partijen.
4. In het kader van het publiek gesubsidieerde onderzoek ontvangt eiseres in 2016 subsidies in de vorm van programmasubsidies en instandhoudingsbijdragen. Het contractonderzoek wordt volledig gefinancierd door de betreffende opdrachtgevers.
5. De omzet van eiseres over het jaar 2016 kan als volgt worden gespecificeerd:
|
Soort onderzoek |
Omzet |
Aandeel totale omzet |
|
Publiek gesubsidieerd onderzoek |
€ 24.200.000 |
29,62% |
|
Contractonderzoek voor (semi-)publieke partijen |
€ 37.100.000 |
45,41% |
|
Contractonderzoek voor private partijen |
€ 20.400.000 |
24,97% |
Uit deze specificatie volgt dat de totale omzet over het jaar 2016 voor (afgerond) 70% bestaat uit baten afkomstig uit het contractonderzoek en voor 30% uit subsidies.
6. Eiseres heeft in de jaren 2010 tot en met 2018 de volgende commerciële resultaten behaald:
|
Jaar |
Resultaat |
|
2010 |
€ - 144.000 |
|
2011 |
€ 3.713.000 |
|
2012 |
€ 2.255.000 |
|
2013 |
€ 8.276.000 |
|
2014 |
€ 3.503.000 |
|
2015 |
€ 5.057.000 |
|
2016 |
€ - 219.000 |
|
2017 |
€ 17.000 |
|
2018 |
€ 925.000 |
In de jaarrekeningen zijn de overschotten op ontvangen subsidies, vanwege de daarop rustende terugbetalingsverplichtingen, als kortlopende schuld verantwoord. Dit geldt niet voor overschotten die voortvloeien uit het contractonderzoek (niet-subsidies); die overschotten zijn begrepen in de winst. De instandhoudingsbijdragen werden als passiefpost geboekt. Kwalificerende investeringen werden daarop afgeboekt. Een eventueel restant moest na acht jaar worden terugbetaald.
7. Eiseres kwalificeert als privaatrechtelijk overheidslichaam in de zin van artikel 8e, vijfde lid, letter a, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 2016; hierna: de Wet Vpb). Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet modernisering vennootschapsbelastingplicht overheidsondernemingen zijn overheidslichamen per 1 januari 2016 belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting, indien en voor zover zij een onderneming drijven.”
Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten en voegt hier nog het volgende aan toe.
In het proces-verbaal van de zitting bij het Hof is onder meer het volgende opgenomen:
“De voorzitter houdt aan belanghebbende voor dat er behoorlijk wat overschotten zijn uit publiek bekostigd contractonderzoek, waarmee 45% van de omzet wordt behaald. Zij vraagt aan belanghebbende hoe de overschotten zijn opgebouwd en hoe dit zich verhoudt tot het bekostigingsmodel.
De heer [naam 1] [Hof: namens belanghebbende]verklaart:
De tarieven worden vastgesteld op basis van een begroting, overeenkomstig de IKS (griffier: integrale kostensystematiek) van het Ministerie van Economische Zaken. Er zit geen winstopslag in de tarifering en het gaat om een sluitende begroting. Deze begroting wordt gedeeld met het Ministerie van Economische Zaken en het Ministerie van Defensie. Dan gaat het jaar lopen en kunnen afwijkingen van de begroting ontstaan vanwege de werkelijke omzet of kosten. Deze elementen leiden tot positieve of negatieve resultaten. Die komen dus voort uit een afwijking van de begroting. Belanghebbende heeft in ieder geval geen winststreven.
Voor de vraag of afwijkingen binnen een bepaalde marge moeten blijven, is van belang dat sinds de Wet NLR (griffier: Subsidieregeling NLR) is afgeschaft, belanghebbende zelfstandig moet opereren. Als voorbeeld noem ik de financiering van nieuwbouw in 2016, deels door de overheid en deels door belanghebbende. Belanghebbende moet zo’n eigen bijdrage kunnen financieren. We streven niet naar winst. Uiteindelijk worden de overschotten gebruikt voor investeringen van belanghebbende. Een ander voorbeeld waarvoor de overschotten worden gebruikt is onderhoud van gebouwen. Voor de systematiek van omzet en kosten zijn er geen verschillen per typen onderzoek. (…)
Belanghebbende krijgt subsidies en verricht daarnaast contractonderzoek voor publieke en private partijen. De overschotten worden ingezet als eigen vermogen, om een buffer op te bouwen. De instandhoudingsbijdrage en programmasubsidies zijn bedoeld voor het dekken van exploitatietekorten. De onderzoeksfaciliteiten leiden bij belanghebbende tot exploitatietekorten vanwege de afschrijvingslast. De bijdragen/subsidies mogen gedurende acht jaren worden meegenomen naar volgende jaren, in afwijking van een normale subsidieregeling op grond waarvan bedragen maar één jaar mogen worden meegenomen.
(…)
De inspecteur verklaart:
De jongste raadsheer houdt aan mij het begrip ‘bekostiging’ voor en vraagt aan welke passage in de parlementaire geschiedenis van artikel 6b, eerste lid, aanhef en letter b,
Wet Vpb ik ontleen dat er ingeval van ‘bekostiging uit publieke middelen’ geen contractuele tegenprestatie mag zijn.
Ik ben bang dat die passage niet te vinden is. Er zijn wel wat aanwijzingen in de parlementaire geschiedenis. In de Nota naar aanleiding van het Verslag van de Tweede Kamer “(…)” staat dat fundamenteel onderzoek wel onder het bereik van de vrijstelling valt maar commercieel onderzoek niet.
Voor de grammaticale uitleg van het begrip ‘bekostiging’ kijkt de rechtbank naar de
[bedrijf] . Wij hebben een paar voorbeelden aangedragen waaruit blijkt dat de uitleg van de rechtbank schuurt met doel en strekking van de vrijstelling, zoals het voorbeeld van de cateraar die is ingehuurd voor een bedrijfsfeest van een overheidslichaam. De catering wordt dan betaald uit publieke middelen maar niet bekostigd.”
3 Geschil in (incidenteel) hoger beroep
In hoger beroep is in geschil of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat belanghebbende op grond van artikel 6b, eerste lid, aanhef en letter b, van de Wet Vpb is vrijgesteld van vennootschapsbelasting.
In incidenteel hoger beroep is in geschil of belanghebbende een onderneming drijft op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en letter e, juncto artikel 4, aanhef en letter a, van de Wet Vpb.