Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 01-07-2014, ECLI:NL:GHARL:2014:5259, 200.112.023

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 01-07-2014, ECLI:NL:GHARL:2014:5259, 200.112.023

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
1 juli 2014
Datum publicatie
2 oktober 2014
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2014:5259
Formele relaties
Zaaknummer
200.112.023

Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht; verjaring; stuiting; verlengingsgrond; devolutieve werking hoger beroep

De eis van ondubbelzinnige afwijzing van de aanspraak van de verzekerde bij aangetekende brief met ondubbelzinnige vermelding van het in art. 7:942 lid 3 BW vermelde gevolg, is een eenmalige eis.

Art. 36 Fw heeft alleen betrekking op rechtsvorderingen die voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben zoals bedoeld in art. 26 Fw.

Uitspraak

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.112.023

(zaaknummer rechtbank Utrecht 311979)

arrest van de eerste kamer van 1 juli 2014

inzake

de naamloze vennootschap

ASR Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Utrecht,

appellante,

advocaat: mr. S.P.A. Wensink-Vergunst,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te Nijmegen,

geïntimeerde,

advocaat: mr. P-P.F. Tummers.

Partijen zullen hierna ASR en [geïntimeerde] genoemd worden.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de tussen [geïntimeerde] als eiser en ASR als gedaagde gewezen vonnissen van de rechtbank Utrecht van 30 november 2011, 16 mei 2012 en 18 juli 2012. In het vonnis van 18 juli 2012 heeft de rechtbank bepaald dat van het vonnis van 16 mei 2012 tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding in hoger beroep d.d. 15 augustus 2012;

-

de memorie van grieven;

-

de memorie van antwoord tevens houdende exceptie van onbevoegdheid;

-

de akte na memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd en is arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Voor de vaststaande feiten verwijst het hof naar de feiten zoals deze door de rechtbank in het bestreden vonnis van 16 mei 2012 zijn vastgesteld onder 2.1 tot en met 2.12. Ook het hof gaat van deze feiten uit.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5 De beslissing