Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-11-2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8747, 12/00273 t/m 12/00278

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-11-2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8747, 12/00273 t/m 12/00278

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17 november 2015
Datum publicatie
27 november 2015
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2015:8747
Formele relaties
Zaaknummer
12/00273 t/m 12/00278

Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. KB Lux. Navordering. Voortvarendheid. Tijdigheid aanslagen. Onrechtmatig bewijs? Identificatie. Omkering bewijslast. Redelijkheid schatting.

Uitspraak

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummers 12/00273 tot en met 12/00278

uitspraakdatum: 17 november 2015

nummer /

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

en het incidentele hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland van 5 april 2012, nummers AWB 06/345, 08/2518, 09/3115, 09/4671, 11/4121 tot en met 11/4125, 11/4127 tot en met 11/4136 en 11/4138 (ECLI:NL:RBARN:2012:BW3268),

in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 1993 tot en met 2002, navorderingsaanslagen vermogensbelasting voor de jaren 1994 tot en met 2000 en aanslagen IB/PVV voor de jaren 2003 tot en met 2006 opgelegd. Gelijktijdig met de vaststelling van de belastingaanslagen zijn boeten opgelegd en is heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de belastingaanslagen, de boeten en de heffingsrente. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren afgewezen.

1.3.

Belanghebbende is tegen de uitspraken van de Inspecteur in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft

-

de beroepen inzake de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2003 en 2004 niet-ontvankelijk verklaard,

-

de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1993 tot en met 1999, de navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting voor de jaren 1994 tot en met 2000, de daarmee verband houdende boeten en de daarmee verband houdende heffingsrentebeschikkingen vernietigd,

-

de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2000, 2001, 2002 en de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2005 en 2006, de daarmee verband houdende heffingsrente en de daarmee verband houdende boeten verminderd.

1.4.

Het beroepschrift tegen de uitspraak van de Rechtbank is op 15 mei 2012 ter griffie ingekomen.

1.5.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2013 te Arnhem. Namens belanghebbende is verschenen mr. [A] , bijgestaan door [B] . Namens de Inspecteur is verschenen [C] , bijgestaan door [D] en [E] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is toegezonden.

1.7.

Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het vooronderzoek heropend. Belanghebbende heeft nadere inlichtingen verstrekt bij brief van 19 december 2013. De Inspecteur heeft nader inlichtingen verstrekt bij brief van 20 januari 2014. Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief van 21 februari 2014.

1.8.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2014 te Arnhem. Namens belanghebbende is verschenen mr. [A] , bijgestaan door [F] . Namens de Inspecteur is verschenen [C] , bijgestaan door [D] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1.

De Belgische Bijzondere belastinginspectie heeft bij brief van 27 oktober 2000 aan het Ministerie van Financiën fotokopieën van microfiches verstrekt (hierna: de fotokopieën). Deze brief vermeldt dat de microfiches gegevens bevatten in verband met rekeningen van inwoners van Nederland bij de Kredietbank Luxembourg (hierna: KB-Lux). De microfiches vermelden saldi op rekeningen bij deze bank per 31 januari 1994. Naar aanleiding van de bij deze brief verstrekte gegevens hebben de FIOD-ECD en de Belastingdienst een onderzoek ingesteld, het zogenoemde Rekeningenproject. De ontwikkelingen binnen dit project zijn intern door middel van het Draaiboek Rekeningenproject en nieuwsbrieven verspreid.

2.2.

Over deze microfiches schreef de regionaal directeur a.i. van de Belgische belastingdienst [G] op 14 december 1999 aan de Procureur-Generaal:

‘ Il entre dans les intentions de l’Administration fiscale de transmettre vers certaines Administrations sœurs sises à l’étranger l’ensemble des copies des comptes (...) aux noms de résidents de pays étrangers retrouvés sur les microfiches’.

2.3.

In een bij de brief van 27 oktober 2000 gevoegde nota staat onder meer:

‘ 0. ALGEMEEN (...)

Deze microfiches bevatten gegevens in verband met financiële rekening(en) bij de KREDIETBANK LUXEMBOURG (KB-Lux) op naam van inwoners van uw land.

(…)

4. AARD VAN DE OVERGEMAAKTE INFORMATIE (...)

De onderverdeling per nationaliteit is door KB-Lux zelf gemaakt. (...) Ter hoogte van de lijn met de LMI-sleutel is de nationaliteit van de rekeninghouder van de lijst aangegeven. (…)

5. FEEDBACK VAN DE INFORMATIE (...)

Meer bepaald indien bij identificatie blijkt dat de rekeninghouder, inwoner van uw land, zich na 31/12/1994 in België gevestigd heeft’.

2.4.

In de nota ‘Rechtmatigheid gebruik informatie rekeninghouders’ staat onder 2. feiten onder meer:

‘ De Belgische bevoegde autoriteiten hebben het deel van deze gegevens dat betrekking heeft op Nederlandse ingezetenen spontaan verstrekt aan Nederland.’

2.5.

In het draaiboek staat op pagina 24 een afdruk van een microfiche. Boven de aanduiding NL staat (NAT PERSOON). Onder (5) staat:

‘ In de volgende kolom staat achter “Cle IML (Cle = sleutel) o.a. het woonland van de rekeninghouder aangegeven’.

2.6.

In een proces-verbaal van ambtshandeling schrijft [H] – projectleider van de FIOD/ECD te Haarlem – op pagina 5:

‘ De vermelding op de overzichten van het land geeft volgens de BBI het woonland aan van de rekeninghouder’.

Op pagina 7 staat:

‘ Eind 2000 zijn de afdrukken van microfiches van rekeninghouders van niet Belgische nationaliteit (...).’

2.7.

[H] is als getuige gehoord. In het proces-verbaal dat van het getuigenverhoor is opgesteld is – onder meer – opgenomen:

‘ De getuige verklaart:

2. (…) In het algemeen bevatten de fiches uitsluitend rekeninghouders met de aanduiding NL voor Nederlandse nationaliteit. Een enkele keer werd er iemand met een andere nationaliteit op een apart deel van het fiche vermeld.

(…)

24. Ik weet zeker dat de afkorting NL op de fiches sloeg op de nationaliteit en niet op het woonland van de betrokkene. Dat was ons door de Belgische autoriteiten medegedeeld in de aanbiedingsbrief.’

2.8.

Op een van de fotokopieën (hierna: de fotokopie) komt de volgende regel voor: 52‑ [000000] ‑77‑0000 00 0060 VUE [X] 15,11. Op een andere fotokopie komt de volgende regel voor: 53‑ [000000] ‑07‑0000 00 0060 TER LDO [X] 250.441,19. Hier staan volgens het Draaiboek Rekeningenproject de eerste tien cijfers voor het rekeningnummer van de rekeninghouder. De zes cijfers tussen de gedachtestrepen behoren toe aan één enkele rekeninghouder, dit is een uniek nummer. De code 060 staat voor Duitse marken en de woorden ‘vue’ en ‘ter ldo’ duiden op de aard van de rekening. [X] is de naam van de rekeninghouder. Het laatste bedrag is het tegoed op de desbetreffende rekening, in dit geval DM 15,11, respectievelijk DM 250.441,19.

2.9.

Op basis van de in het Draaiboek Rekeningenproject opgenomen wijze van identificatie van de op de fotokopieën genoemde rekeninghouders heeft de Belastingdienst vastgesteld dat belanghebbende als enige houder van de rekening met nummer [000000] bij KB-Lux in aanmerking komt.

2.10.

Vervolgens heeft de Inspecteur belanghebbende bij brief van 8 februari 2005 onder meer het volgende geschreven:

‘ De Belastingdienst is een onderzoek gestart naar Nederlandse ingezetenen die gerechtigd zijn (geweest) tot buitenlandse vermogensbestanddelen, waarbij het vermoeden bestaat dat in aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting en/of vennootschapsbelasting geen opgaaf is gedaan van deze vermogensbestanddelen en eventuele opbrengsten daaruit.

Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat u gerechtigd bent (geweest) tot vermogensbestanddelen in het buitenland. De gegevens hiervan kunnen van belang zijn voor uw belastingheffing over de afgelopen twaalf jaren. Ik verzoek u daarom mij de gegevens en inlichtingen over die jaren te verstrekken welke worden gevraagd op de ingesloten “Opgaaf Buitenlands vermogen”.

Ik wijs u erop dat u op grond van artikel 47 lid 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verplicht bent de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. (...) Indien u niet of niet volledig aan deze verplichtingen voldoet is op grond van artikel 25 lid 6, letter b en artikel 27e, letter b AWR omkering van de bewijslast van toepassing. (...)

Indien u de gevraagde gegevens en inlichtingen niet, onjuist of onvolledig verstrekt pleegt u bovendien een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR.

Na invulling moet u de opgaaf ondertekend aan mij terugsturen binnen tien werkdagen (...) ’

De bijlage bevat een formulier ‘Opgaaf Buitenlands vermogen’ waarin belanghebbende gevraagd wordt om - onder vermelding van onder andere rekeningnummers, namen van buitenlandse banken en jaren van opening van de rekeningen - aan te geven tot welke in het buitenland aangehouden bankrekeningen hij gerechtigd is geweest.

2.11.

Met dagtekening 21 februari 2005 schrijft belanghebbende aan de Inspecteur:

‘ Ik ben uiteraard bereid mee te werken aan een onderzoek van de Belastingdienst in Nijmegen. Zeker als de wet dat kennelijk voorschrijft. Maar voordat ik kan meewerken en U enig zinnig antwoord kan geven op uw vragen, verzoek ik U vriendelijk mij duidelijk te maken over welke gegevens U beschikt en waarom dit dan vervolgens van belang zou zijn voor mijn belastingheffing over de afgelopen jaren.’

2.12.

Met dagtekening 11 april 2005 schrijft de Inspecteur aan belanghebbende:

‘ Op 11‑4‑2005 heeft er met u een gesprek plaatsgevonden op het belastingkantoor te Nijmegen. Tijdens dit gesprek gaf u ondermeer aan dat u niet over een bankrekening te Luxemburg beschikte. (…)

Ik stel u hierbij voor de laatste maal in de gelegenheid om de gevraagde gegevens in inlichtingen binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief, over de afgelopen twaalf jaren te verstrekken. Indien u de gevraagde gegevens niet verstrek[t] zullen wij zelf de verschuldigde belasting schattenderwijs vaststellen en navorderingsaanslagen op leggen.’

2.13.

Met dagtekening 19 april 2005 schrijft belanghebbende aan de Inspecteur:

‘ Op 11‑04‑2005 heb ik op het belastingkantoor te Nijmegen een gesprek met u beide gehad. In dat gesprek heeft Dhr. [I] gezegd, en ik citeer woordelijk: “De belastingdienst raakt nooit iets kwijt en zeker geen gegevens. Wij zeggen bewust wel eens dat wij iets kwijtgeraakt zijn, maar dat is dan niet zo”.

Derhalve concludeer ik, dat de gegevens waar U om vraagt reeds in uw bezit zijn.’

2.14.

Bij brieven van 24 mei 2005 en van 11 juli 2005 schrijft de Inspecteur aan belanghebbende dat hij navorderingsaanslagen zal opleggen in de IB/PVV voor de jaren 1993 tot en met 2002 en in de vermogensbelasting voor de jaren 1993 tot en met 2000, alle met boeten.

2.15.

Met dagtekening 29 juli 2005 heeft de Inspecteur navorderingsaanslagen in de IB/PVV voor de jaren 1993 tot en met 2002 en in de vermogensbelasting voor jaren 1994 tot en met 2000 opgelegd, alle met boete en heffingsrente.

2.16.

In een proces-verbaal van ambtshandeling Rekeningenproject van 14 april 2006 staat onder meer:

‘ 1. Op de afdrukken van de microfiches van de KB Lux komt onder meer voor de naam: [X].

2. Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand komen 8 hits voor met de familienaam [----] , van het mannelijk geslacht met als eerste voorletter de letter R.

3. Uit de match van het BVR-bestand met het RDW-bestand zie ik dat er 5 personen [----] met een voornaam worden genoemd. Maar één persoon heet [X] . (…)

4. Van drie personen zijn de voornamen opgevraagd bij verschillende gemeenten. Geen van deze personen heeft als voornaam [X1] .’

2.17.

Met dagtekening 9 november 2006 en 27 november 2006 schrijft de Inspecteur aan belanghebbende dat hij de aanslag IB/PVV voor het jaar 2003 zal vaststellen in afwijking van de gedane aangifte en dat hij een boete zal opleggen. De aanslag voor het jaar 2003 wordt opgelegd met dagtekening 16 december 2006. Daarbij wordt een boete opgelegd en heffingsrente in rekening gebracht.

2.18.

Met dagtekening 24 september 2007 en 31 oktober 2007 schrijft de Inspecteur aan belanghebbende dat hij de aanslag IB/PVV voor het jaar 2004 zal vaststellen in afwijking van de gedane aangifte en dat hij een boete zal opleggen. De aanslag wordt opgelegd met dagtekening 30 november 2007. Daarbij wordt een boete opgelegd en heffingsrente in rekening gebracht.

2.19.

Met dagtekening 21 februari 2008 doet de Inspecteur uitspraak op de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2003 en 2004 en de daarmee samenhangende boeten en heffingsrentebeschikkingen.

2.20.

Met dagtekening 7 februari 2008 en 15 juni 2009 schrijft de Inspecteur aan belanghebbende dat hij de aanslag IB/PVV voor het jaar 2005 zal vaststellen in afwijking van de gedane aangifte en dat hij een boete zal opleggen. De aanslag wordt opgelegd met dagtekening 30 juni 2009. Daarbij wordt een boete opgelegd en heffingsrente in rekening gebracht. Met dagtekening 13 oktober 2009 doet de Inspecteur uitspraak op het bezwaarschrift van belanghebbende.

2.21.

Met dagtekening 30 oktober 2008 en 19 maart 2009 schrijft de Inspecteur aan belanghebbende dat hij de aanslag IB/PVV voor het jaar 2006 zal vaststellen in afwijking van de gedane aangifte en dat hij een boete zal opleggen. De aanslag wordt opgelegd met dagtekening 27 maart 2009. Daarbij wordt een boete opgelegd en heffingsrente in rekening gebracht. Met dagtekening 11 augustus 2009 doet de Inspecteur uitspraak op het bezwaarschrift van belanghebbende.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de in 1.1. vermelde navorderingsaanslagen, heffingsrentebeschikkingen en boetebeschikkingen terecht zijn vastgesteld. Voorts is in geschil of de Rechtbank belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beroep inzake de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2003 en 2004.

3.2.

Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen daaraan ter zittingen van 10 december 2013 en van 2 september 2014 is toegevoegd, is vermeld in de processen-verbaal van de zittingen. Het proces-verbaal van de zitting van 10 december 2013 is aan partijen toegezonden. Het proces-verbaal van de zitting van 2 september 2014 is aan deze uitspraak gehecht.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, gegrondverklaring van de beroepen en vernietiging van de navorderingsaanslagen, vermindering van de aanslagen en vernietiging van de boeten en de heffingsrentebeschikkingen. De Inspecteur concludeert eveneens tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en (uiteindelijk) tot gegrondverklaring van het beroep en vermindering van de navorderingsaanslagen, heffingsrentebeschikkingen en boeten.

4 Beoordeling van het geschil

5 Kosten

6 Beslissing