Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23-02-2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1476, 15/00699 en 15/00700

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23-02-2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1476, 15/00699 en 15/00700

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23 februari 2016
Datum publicatie
4 maart 2016
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2016:1476
Formele relaties
Zaaknummer
15/00699 en 15/00700

Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Verwijzingsprocedure HR 24 april 2015, nr. 14/01504. Box 3. Verhuurde woningen. Strijd met art. 1 Eerste Protocol EVRM. Decent profit?

Uitspraak

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummers 15/00699 en 15/00700

uitspraakdatum: 23 februari 2016

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Amsterdam (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 maart 2013, nummer AWB 12/7555 IB/PVV, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 142.209 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 31.235.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd en ambtshalve de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 28.967 met behoud van de overige elementen van de aanslag.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 29 maart 2013 gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten alsmede de Inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht ad € 42 aan belanghebbende te vergoeden.

1.4

Belanghebbende en de Inspecteur hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (hierna: het gerechtshof). Beide partijen hebben een verweerschrift en nadere stukken ingediend. Het gerechtshof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een inkomen uit sparen en beleggen van € 25.912 met behoud van de overige elementen van de aanslag, de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd, de Inspecteur opgedragen het griffierecht van € 118 aan belanghebbende te vergoeden en het onderzoek heropend voor wat betreft het verzoek tot vergoeding van immateriële schade.

1.5

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld. In zijn arrest van 24 april 2015, nr. 14/01504 (hierna: het verwijzingsarrest) heeft de Hoge Raad zowel het principale als het incidentele beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van het gerechtshof vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het verwijzingsarrest. Het Hof begrijpt het arrest van de Hoge Raad aldus, dat de uitspraak van het gerechtshof is vernietigd behoudens de beslissing tot heropening van het onderzoek voor wat betreft het verzoek tot vergoeding van immateriële schade. Partijen hebben ter zitting van het Hof met deze uitleg ingestemd.

1.6

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, de dossiers van de Rechtbank, het gerechtshof en de Hoge Raad die op deze zaken betrekking hebben, alsmede alle stukken die na de verwijzing door de Hoge Raad, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.7

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2015 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en mr. [A] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. [B] .

1.8

De Inspecteur heeft een pleitnota overgelegd.

1.9

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende heeft in 1997 een onroerende zaak aan de [a-straat] 75 te [Z] gekocht voor (omgerekend) € 444.705. De onroerende zaak bestaat uit een benedenwoning, die thans door belanghebbende zelf wordt bewoond, en een bovenwoning, die ten tijde van de aankoop reeds was verhuurd. De onroerende zaak is in 1998 gesplitst in twee appartementsrechten, te weten de benedenwoning en de bovenwoning.

2.2

De huurster van de bovenwoning betaalde in het jaar 2010 een brutohuur van € 6.246,84 op jaarbasis. Zij heeft recht op huurbescherming in de zin van afdeling 5 van titel 4 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Belanghebbende kan de huur niet aanpassen aan marktconforme prijzen. De huur valt onder het regime van voor de liberalisering. De huur mag jaarlijks maximaal worden geïndexeerd met een in de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte vastgesteld percentage.

2.3

Voor de berekening van de rendementsgrondslag is de waarde van de bovenwoning op grond van artikel 5.20, lid 3, Wet IB 2001 gesteld op de voor het kalenderjaar vastgestelde waarde volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) vermenigvuldigd met de in artikel 17a, lid 2, Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (hierna: UBIB 2001) opgenomen leegwaarderatio.

2.4

De WOZ-waarde van de bovenwoning is voor het kalenderjaar 2010 uiteindelijk vastgesteld op € 623.000. De WOZ-waarde vermenigvuldigd met de leegwaarderatio als bedoeld hiervoor in 2.3 bedraagt € 373.800 (60% van € 623.000).

2.5

Volgens belanghebbendes beroepschrift bij de Rechtbank belopen de aan de bovenwoning toe te rekenen kosten voor het jaar 2010, exclusief de forfaitair door belanghebbende berekende financieringskosten dan wel afschrijving op de aankoopkosten, in totaal € 2.741. In de conclusie na verwijzing heeft belanghebbende daaraan toegevoegd, dat tevens rekening gehouden moet worden met € 585 aan afschrijvingskosten ter zake van de in 2015 uitgevoerde werkzaamheden aan de achtergevel.

2.6

Op verzoek van belanghebbende heeft een taxateur een taxatierapport opgesteld voor de bovenwoning. In dat taxatierapport wordt de waarde per juli 2010 getaxeerd op € 285.000 in verhuurde staat.

2.7

In het taxatierapport dat in opdracht van de Belastingdienst/Kantoor Amsterdam door een rijkstaxateur is opgemaakt, is de waarde van de bovenwoning per 1 januari 2009 getaxeerd op € 309.000 in verhuurde staat. In het taxatierapport heeft de rijkstaxateur vermeld, dat hij bij de waardering rekening heeft gehouden met alle bekende factoren die op de waarde van invloed kunnen zijn.

2.8

Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2009 de bovenwoning aangegeven tegen een waarde van € 82.000. De Inspecteur heeft deze waarde bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2009 gevolgd.

2.9

Uitgaande van de door partijen ingenomen (maximale) standpunten leidt dit tot de volgende gevolgen voor de belastingheffing over het inkomen uit sparen en beleggen:

Inspecteur Belanghebbende

Rendementsgrondslag volgens aangifte € 804.298 € 804.298

Waarde bovenwoning na verwijzing € 309.000 € 82.000

Af: waarde bovenwoning volgens aangifte € 430.500 € 430.500

Af: correctie € 121.500 € 348.500

Rendementsgrondslag € 682.798 € 455.798

Heffingvrij vermogen € 20.661 € 20.661

Kindertoeslag € 2.762 € 2.762

€ 23.423 € 23.423

€ 659.375 € 432.375

Voordeel uit sparen en beleggen (4%) € 26.375 € 17.295

Belastingheffing box 3 (30%) € 7.912 € 5.188

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de Inspecteur bij de vaststelling van de rendementsgrondslag ter bepaling van het inkomen uit sparen en beleggen artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP) heeft geschonden, omdat hij is uitgegaan van een waarde van de bovenwoning die niet kan leiden tot een redelijk rendement (decent profit) als bedoeld in - onder meer - EHRM (Grote Kamer) 19 juni 2006, nr. 35014/97 (Hutten-Czapska/Polen). Voorts is in geschil of de Inspecteur met het op deze wijze vaststellen van de aanslag de discriminatieverboden van artikel 14 EVRM, het Twaalfde Protocol bij het EVRM en artikel 26 van het IVBPR en ongeschreven algemene rechtsbeginselen heeft geschonden. De Inspecteur beantwoordt deze vragen ontkennend en belanghebbende beantwoordt deze bevestigend.

3.2

De Inspecteur bepleit een waarde van de bovenwoning van € 309.000 en ziet geen schending van artikel 1 EP, discriminatieverboden of ongeschreven algemene rechtsbeginselen.

3.3

Belanghebbende is van mening dat dergelijke schendingen zich wel hebben voorgedaan en bepleit een waarde van de bovenwoning van € 82.000, zijnde dertien maal de brutojaarhuur (hierna: de rendementswaarde) dan wel een waarde waarbij ermee rekening is gehouden dat de belegger een redelijk rendement kan behalen.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.5

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspaak op bezwaar en vermindering van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen tot € 26.375.

3.6

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspaak op bezwaar en vermindering van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen tot € 17.295 (zie 2.9) of subsidiair een hoger bedrag tot maximaal € 26.375.

4 Beoordeling van het geschil

5 Proceskosten

6 Beslissing