Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 01-11-2016, ECLI:NL:GHARL:2016:8743, 15/01524

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 01-11-2016, ECLI:NL:GHARL:2016:8743, 15/01524

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
1 november 2016
Datum publicatie
18 november 2016
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2016:8743
Formele relaties
Zaaknummer
15/01524

Inhoudsindicatie

Leges. Aanvraag omgevingsvergunning. Heffing terecht?

Uitspraak

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

Nummer 15/01524

uitspraakdatum: 1 november 2016

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Zevenaar (hierna: de heffingsambtenaar)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 oktober 2015, nummer AWB 15/551, in het geding tussen heffingsambtenaar en

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De heffingsambtenaar heeft belanghebbende bij factuur (hierna: de legesnota) een bedrag aan leges in rekening gebracht welk bedrag hij, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij uitspraak op bezwaar heeft gehandhaafd.

1.2

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 29 oktober 2015 gegrond verklaard, de uitspraak van de heffingsambtenaar en de legesnota vernietigd, en gelast dat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed.

1.3

De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.5

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2016 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende alsmede mr. [A] , [B] en mr. [C] namens de heffingsambtenaar.

1.6

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende heeft op 29 juli 2013 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning aan de [a-straat] 1 te [Z] . De omgevingsvergunning is op 16 januari 2014 afgegeven.

2.2

De [a-straat] is gelegen in het buitengebied van de gemeente Zevenaar. Het aldaar vigerende bestemmingsplan op 29 juli 2013 was het Bestemmingsplan Buitengebied 2000, dat op 24 oktober 2001 is vastgesteld.

2.3

De legesnota bedraagt € 8.606,90 en is opgebouwd uit de volgende bedragen:

Artikel 2.12, lid 1a onder 3o Wabo € 4.154,79

Welstandsbeoordeling € 516,32

Bouwactiviteiten € 4.154,79

Verminderingen in verband met de conceptaanvraag € 219,00 neg.

Totaal € 8.606,90

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de legesnota terecht is vastgesteld.

3.2

De heffingsambtenaar is van mening dat artikel 3.1, vierde lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening (hierna ook wel: de legessanctie) het heffen van leges niet verbiedt doch slechts de invordering daarvan. Hij stelt voorts dat de legessanctie in het onderhavige geval niet van toepassing is omdat geen sprake is van een dienst die verband houdt met het bestemmingsplan, nu de omgevingsvergunning is verleend met toepassing van een buitenplanse afwijkingsmogelijkheid. Tot slot stelt de heffingsambtenaar dat de Rechtbank ten onrechte alle onderdelen van de in rekening gebrachte leges onder de legessanctie heeft gebracht. De sanctie treft slechts de toets van de bouwactiviteiten aan het bestemmingsplan waaraan naar schatting 10 percent van de geheven leges kan worden toegerekend. Op die grond kunnen de geheven leges worden verminderd met € 415,48 tot € 8.191,42.

3.3

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de leges ten onrechte zijn geheven omdat, op het moment dat hij de aanvraag indiende, het ter plaatse vigerende bestemmingsplan meer dan tien jaar oud was. Gelet op artikel 3.1, vierde lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) is de bevoegdheid tot het in rekening brengen van leges vervallen. Dit geldt voor alle onderdelen van de legesnota.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5

De heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en, primair en subsidiair, tot ongegrond verklaring van het beroep en meer subsidiair tot vermindering van de legesnota tot € 8.191,42.

3.6

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vergoeding door de heffingsambtenaar van de door hem gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

4 Beoordeling van het geschil

5 Proceskosten

6 Beslissing