Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11-07-2017, ECLI:NL:GHARL:2017:5862, 16/00328 en 16/00329

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11-07-2017, ECLI:NL:GHARL:2017:5862, 16/00328 en 16/00329

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11 juli 2017
Datum publicatie
28 juli 2017
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2017:5862
Formele relaties
Zaaknummer
16/00328 en 16/00329

Inhoudsindicatie

IB/PVV. Winst uit onderneming. Bosbouwvrijstelling? Exploitant van bos?

Uitspraak

Belastingkamer

Locatie Arnhem

nummers 16/00328 en 16/00329

uitspraakdatum: 11 juli 2017nummer 06/001470121

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Doetinchem (hierna: de Inspecteur),

en het incidentele hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] (hierna: belanghebbende),

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 25 februari 2016, nummers AWB 15/4431 en 15/4432, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.182.

1.2.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 7.457.

1.3.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 18 juni 2015 de aanslagen gehandhaafd.

1.4.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 25 februari 2016 de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de aanslag IB/PVV 2010 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.226, en de aanslag Zvw 2010 verminderd tot een aanslag berekend naar een bijdrage-inkomen van € 2.567.

1.5.

De Inspecteur heeft bij brief van 16 maart 2016, ingekomen bij het Hof op 21 maart 2016, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.6.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

Belanghebbende heeft bij brief van 4 juli 2016, ingekomen bij het Hof op 5 juli 2016, incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.8.

De Inspecteur heeft op het incidentele hoger beroep gereageerd.

1.9.

De griffier van het Hof heeft bij brief van 24 april 2017 aan belanghebbende enige informatie gevraagd.

1.10.

Belanghebbende heeft bij brief van 23 mei 2017 daarop gereageerd.

1.11.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2017 te Arnhem. Belanghebbende is verschenen, vergezeld van zijn echtgenote en bijgestaan door mr. [A] , advocaat te [B] . Namens de Inspecteur zijn verschenen mw. mr. [C] en [D] .

1.12.

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en ingebracht.

1.13.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende en zijn echtgenote drijven een onderneming onder de naam VOF [E] (hierna: de VOF). De activiteiten van de onderneming bestaan uit loonwerkzaamheden, werk in de agrarische sector, werk in de bosbouw en verkoop van kersen uit eigen kwekerij. De werkzaamheden omvatten onder meer het hakken van grienden, oogsten van hout en onderhoud van knotbomen (hierna: de werkzaamheden). De opbrengsten van de werkzaamheden bestaan uit een geldelijke vergoeding van de opdrachtgever en de opbrengst van de verkoop van het hout.

2.2.

De werkzaamheden worden onder andere verricht in opdracht van [F] (hierna: [F] ) en [G] . De bossen waar de werkzaamheden worden verricht, waaronder de grienden, zijn eigendom van [F] dan wel [G] .

2.3.

Bij brief van 9 november 2007 heeft de Inspecteur met betrekking tot de aangifte IB/PVV 2005 onder meer het volgende aan belanghebbendes gemachtigde geschreven:

“U heeft aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2005 voor [belanghebbende] gedaan. Om de aangifte van uw cliënt te kunnen beoordelen, vraag ik u aanvullende informatie te verstrekken. Hierna leest u om welke informatie het gaat.

(…)

Winst uit onderneming

U vermeldt een bedrag voor landbouwvrijstelling. Om te kunnen beoordelen of de aangegeven landbouwvrijstelling juist is, verzoek ik u mij de volgende informatie te sturen:

-de kadastrale gegevens van de verkochte grond, inclusief de oppervlakte;

-de bestemming van de verkochte grond, vóór de verkoop;

-een kopie van de verkoopakte;

-indien die er is, een kopie van het taxatierapport;

-een berekening van de landbouwvrijstelling.”

2.4.

Bij brief van 14 november 2007 heeft belanghebbende als volgt gereageerd:

“In uw brief d.d. 9 november 2007 verzoekt u om aanvullende informatie betreffende de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2005 van bovengenoemde belastingplichtige.

In de aangifte is geen bedrag voor landbouwvrijstelling vermeldt. Het vermelde bedrag betreft bosbouwvrijstelling.”

2.5.

De Inspecteur heeft vervolgens de aanslag IB/PVV 2005 met toepassing van de bosbouwvrijstelling vastgesteld.

2.6.

Op 12 maart 2012 heeft de Inspecteur een actualiteitsbezoek gebracht aan de VOF. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in een rapport van 14 maart 2012. Daarin is onder meer het volgende opgemerkt:

“Op 12 maart 2012 heb ik de V.O.F. (…) bezocht. Doel van het bezoek was het verzamelen van informatie over de door de V.O.F. in 1994 gestarte onderneming (activiteiten) en om inzicht te krijgen in de actuele bedrijfsvoering.

Het bezoek heeft zich beperkt tot de volgende elementen:

-het verzamelen van actuele informatie over relevante ontwikkelingen binnen uw bedrijf;

-het waarnemen van de actuele bedrijfsactiviteiten;

-het beoordelen van het ondernemerschap voor de inkomstenbelasting en omzetbelasting.

Ik wijs er op dat het bezoek er niet op is gericht om onderzoek te doen naar een specifieke aangifte. Tijdens het bezoek heb ik dan ook geen door de V.O.F. (…) ingediende aangifte beoordeeld. Hierdoor kan aan dit bezoek geen rechten worden ontleend over de aanvaardbaarheid van enige fiscale aangifte.

(…)

In de afgelopen twaalf maanden (2011/2012) is o.a. gewerkt in opdracht van:

- Het [F] gevestigd te [H] ;

Voor deze natuurbeheerder verricht de VOF diverse loonwerkzaamheden o.a. het oogsten van hout en het onderhoud van knotbomen; dit betreffen jaarlijks terugkomende werkzaamheden;

(…)”

2.7.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2010 het standpunt ingenomen dat voor een bedrag van € 4.234 de bosbouwvrijstelling als bedoeld in artikel 3.11 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) van toepassing is. Ter zitting hebben partijen eensluidend verklaard dat dit voordeel betrekking heeft op de volgende twee activiteiten:

- het afzetten van griendhout voor het [F] ;

- de verkoop van datzelfde griendhout aan Handelsonderneming [I] BV.

2.8.

De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslagen IB/PVV 2010 en Zvw 2010, met dagtekening 18 december 2014, de vrijstelling voor bosbedrijf gecorrigeerd.

2.9.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat met de bosbouwvrijstelling is beoogd de voordelen die samenhangen met de exploitatie van een bos vrij te stellen van de heffing van inkomstenbelasting, dat de onderneming van belanghebbende zich echter niet bezighoudt met de exploitatie van een bos maar met het verrichten van boswerkzaamheden tegen vergoeding, en dat mitsdien de bosbouwvrijstelling geen toepassing kan vinden. Verder heeft de Rechtbank geoordeeld dat de Inspecteur gedurende een aantal jaren de aangiften heeft gevolgd waarin de bosbouwvrijstelling is toegepast, dat voor het jaar 2005 tussen belanghebbende en de Inspecteur is gecorrespondeerd over toepassing van de bosbouwvrijstelling, dat de Inspecteur daarover geen nadere vragen heeft gesteld, dat daarmee het gerechtvaardigde vertrouwen bij belanghebbende is gewekt dat toepassing van de bosbouwvrijstelling akkoord is bevonden, zodat het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt.

3 Geschil

3.1.

In geschil is in hoeverre belanghebbende de bosbouwvrijstelling ten bedrage van € 4.234 kan toepassen. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Volgens belanghebbende is het oordeel van de Rechtbank op dit punt juist.

3.2.

Belanghebbende stelt zich in het incidentele hoger beroep op het standpunt dat de Rechtbank een te beperkte uitleg heeft gegeven aan de bosbouwvrijstelling van art. 3.11 Wet IB 2001. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3.

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot bevestiging van de uitspraken op bezwaar. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Overwegingen

5 Proceskosten

6 Beslissing