Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-08-2017, ECLI:NL:GHARL:2017:6787, 16/01058

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-08-2017, ECLI:NL:GHARL:2017:6787, 16/01058

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15 augustus 2017
Datum publicatie
18 augustus 2017
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2017:6787
Formele relaties
Zaaknummer
16/01058

Inhoudsindicatie

Overdrachtsbelasting. Het Hof acht de bedrijfsopvolgingsregeling van toepassing op de overdracht van aandelen in een vennootschap die een materiële onderneming drijft.

Uitspraak

locatie Leeuwarden

nummer 16/01058

uitspraakdatum: 15 augustus 2017

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 12 juli 2016, nummer LEE15/4030, in het geding tussen de Inspecteur en

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft op 27 februari 2015 een bedrag van € 141.360 aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de Inspecteur gelast om teruggaaf te verlenen van het op aangifte voldane bedrag van € 141.360.

1.4.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2017. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Bij akte van schenking van 31 december 2014 heeft belanghebbendes moeder, mevrouw [A] , alle aandelen in het geplaatste kapitaal in [B] BV aan belanghebbende geschonken. Tot de bezittingen van [B] BV behoorden onder andere enkele onroerende zaken, alsmede alle aandelen in [C] BV. De schenking omvatte ruim 40 panden (voornamelijk kamergewijs verhuurde studentenpanden, alsmede een viertal winkelpanden) en drie garageboxen. De aandelen in [B] BV vormden ten tijde van de schenking een fictieve onroerende zaak als bedoeld in artikel 4 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (de Wet).

2.2.

Belanghebbende heeft naar aanleiding van de schenking een bedrag van € 141.360 aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan door op 26 februari 2015 een betalingsopdracht aan de bank te geven. Dit bedrag is op 27 februari 2015 op de bankrekening van de Ontvanger bijgeschreven.

2.3.

Belanghebbende heeft, eveneens op 26 februari 2015, ter zake van de voldoening een aangiftebiljet voor de overdrachtsbelasting ingevuld en ondertekend. Bij vraag 6a („Maakt u aanspraak op vrijstelling van overdrachtsbelasting?”) is aangekruist „Nee”, met als toelichting: „maar zie reeds ingediend verzoek van mr. [D] van [E]”.

2.4

De Inspecteur heeft het aangiftebiljet op 3 maart 2015 ontvangen. Op 9 februari 2015 had de Inspecteur reeds een bezwaarschrift met dagtekening 6 februari 2015 ontvangen, dat was gericht tegen de voldoening op aangifte.

2.5

Met dagtekening 11 september 2015 heeft de Inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan. Daarbij heeft de Inspecteur besloten om niet aan belanghebbendes bezwaar tegemoet te komen, op de gronden die zijn vermeld in zijn brieven aan belanghebbende van 10 september 2015 en 25 maart 2015.

2.6

Voorafgaand aan de schenking van 31 december 2014 had belanghebbendes gemachtigde, met dagtekening 17 maart 2014, een brief aan de Belastingdienst gestuurd omtrent de voorgenomen bedrijfsopvolging binnen de familie [X] . In de brief is onder meer de beoogde schenking aan belanghebbende aan de orde gesteld, alsmede de beoogde daaraan voorafgaande juridische splitsing.

2.7

Met een e-mailbericht van 26 april 2014 heeft de Inspecteur gereageerd op de brief van belanghebbendes gemachtigde van 17 maart 2014. De Inspecteur heeft daarbij geschreven:

Mede op grond van de bevindingen in het jaar 2008 zijn wij van mening dat de overdracht in dit geval een materiële onderneming betreft. Met de door u aangegeven waarde ga ik akkoord. De door uw cliënt gewenste overdracht kan dus fiscaal gefacilieerd plaatsvinden. Wel ontvang ik van u op korte termijn het splitsingsvoorstel; daarna zal ik mijn standpunt per brief naar u toesturen.”

2.8

Ter zake van de bedrijfsoverdracht heeft de Inspecteur de geldende faciliteiten uit artikel 4.17c van de Wet IB 2001 en artikel 35b en verder van de Successiewet 1956 toegekend en heeft belanghebbende deze in de betreffende aangiften toegepast.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of belanghebbende ontvankelijk was in het door hem ingediende bezwaar en voorts of de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de verkrijging door belanghebbende van toepassing is, welke beide vragen door de Inspecteur ontkennend en door belanghebbende bevestigend worden beantwoord.

3.2.1

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaar stelt de Inspecteur in hoger beroep dat belanghebbende prematuur bezwaar heeft aangetekend tegen de voldoening. Ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift was noch de opdracht tot betaling verstrekt, noch aangifte gedaan. De Rechtbank heeft de door belanghebbende op het aangiftebiljet gestelde toelichting „maar zie reeds ingediend verzoek” ten onrechte opgevat als indiening van een nieuw bezwaar.

3.2.2

Inhoudelijk stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat voormelde vrijstelling niet van toepassing kan zijn op de verkrijging van aandelen in een besloten vennootschap die belast is op grond van het bepaalde in artikel 4 van de Wet. Voorts is in het onderhavige geval niet voldaan aan de eis dat sprake is van voortzetting van een materiële onderneming.

3.3.

Belanghebbende heeft de standpunten van de Inspecteur gemotiveerd betwist. Ter zitting heeft hij zijn aanvankelijk ingenomen standpunt ingetrokken dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is wegens overschrijding van de aan de Inspecteur voor de motivering van het hoger beroep verleende termijn. Belanghebbende heeft het Hof verzocht de Inspecteur te veroordelen in een vergoeding van de integrale proceskosten van belanghebbende.

4 Beoordeling van het geschil

6 Beslissing