Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24-04-2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3532, 18/00302

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24-04-2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3532, 18/00302

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24 april 2019
Datum publicatie
3 mei 2019
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2019:3532
Formele relaties
Zaaknummer
18/00302

Inhoudsindicatie

Invordering. Kosten dwangbevel bij versnelde invordering.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummer 18/00302

uitspraakdatum: 24 april 2019

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 april 2018, nummer AWB 17/2264, ECLI:NL:RBGEL:2018:1661, in het geding tussen belanghebbende en

de ontvanger van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Ontvanger)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De belastingdeurwaarder heeft op 13 december 2016 € 11.599 aan belanghebbende in rekening gebracht wegens het betekenen van een dwangbevel met betrekking tot een op dezelfde dag opgelegde naheffingsaanslag loonheffingen over het jaar 2011.

1.2.

De Ontvanger heeft bij uitspraak op administratief beroep het beroep tegen de in rekening gebrachte kosten ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2019. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende exploiteert een schoonmaakbedrijf. Ongeveer 60% van haar omzet behaalde zij tot 1 januari 2017 met werkzaamheden als onderaannemer van [A] BV en [B] BV. De overige circa 40% werd behaald uit werkzaamheden als hoofdaannemer.

2.2.

In de loop van het jaar 2012 is belanghebbende van accountant gewisseld. De nieuwe accountant heeft onjuistheden in de administratie van belanghebbende geconstateerd. Dit heeft geleid tot een bij de Inspecteur ingediende verbeterde aangifte vennootschapsbelasting (te betalen € 76.207) en een suppletie omzetbelasting over de jaren 2009 tot en met 2011 (te betalen € 96.307).

2.3.

Op 1 oktober 2013 heeft de Inspecteur een boekenonderzoek aangekondigd naar (onder andere) de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen vanaf 2008.

2.4.

Op 9 oktober 2013 heeft belanghebbende voor de loonheffing correctieberichten ingediend bij de Inspecteur. Volgens deze berichten diende belanghebbende nog aan loonheffing te betalen: € 45.113 (2008), € 45.638 (2009), € 7.552 (2010), € 46.067 (2011) en € 24.401 (2012). Naar aanleiding van deze correctieberichten heeft de Inspecteur naheffingsaanslagen loonheffing over de jaren 2008 tot en met 2012 opgelegd. Bij brieven van 2 en 4 februari 2016 heeft de Ontvanger onder de voorwaarde van het stellen van zekerheid een tot 1 december 2016 lopende betalingsregeling getroffen voor het niet-bestreden bedrag van de over de genoemde jaren opgelegde aanslagen en uitstel verleend voor het overige. De betalingsregeling is belanghebbende nagekomen.

2.5.

Bij brief van 29 november 2016 heeft de Inspecteur een concept-controlerapport aan belanghebbende gezonden. In de aanbiedingsbrief kondigt de Inspecteur aan aanslagen loonheffing over de jaren 2011 tot en met 2015 op te zullen leggen. Tevens worden vergrijpboetes aangekondigd. Belanghebbende wordt in de gelegenheid gesteld op het voornemen te reageren. Met betrekking tot het jaar 2011 is in deze brief opgenomen:

“Voorts zal ik in verband met de verjaringstermijn - ter behoud van rechten - over het jaar 2011 een naheffingsaanslag loonheffingen opleggen van € 366.597, exclusief heffingsrente. De boete bedraagt € 165.745. Deze bedragen zijn conform het concept-rapport. Nadat ik de definitieve versie van het controle-rapport heb toegezonden, zal ik - indien daartoe aanleiding bestaat - deze naheffingsaanslag aanpassen aan het definitief vastgestelde bedrag. De naheffingsaanslag zal binnenkort apart worden toegezonden.”

2.6.

In het concept-rapport zijn de bevindingen van het ingestelde boekenonderzoek vastgelegd. Op grond van diverse waarnemingen in de administratie van belanghebbende heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat van het netto loon dat feitelijk is uitgekeerd aan de werknemers van belanghebbende een gedeelte van gemiddeld 39,6% op naam is gezet van personen die niet in dienst van belanghebbende waren (fictieve werknemers). Omdat niet kan worden vastgesteld aan wie van de werknemers dit netto loon dan feitelijk moet worden toegerekend, heeft de Inspecteur de verschuldigde loonheffing over dit netto loon tegen het anoniementarief (gebruteerd) berekend. Het verschil met de aan dit netto loon toe te rekenen afgedragen loonheffing moet volgens het rapport van belanghebbende worden nageheven. Voor het jaar 2011 is dat een bedrag van € 296.385. Daarnaast worden de met deze lonen samenhangende kostenvergoedingen gecorrigeerd tot een bedrag van € 63.335. Ten slotte worden tot een bedrag van € 6.857 correcties van andere kostenvergoedingen aangebracht. In het rapport wordt tevens aangekondigd dat een boete van 50% (fictieve werknemers) en 25% (correcties kostenvergoedingen) zal worden opgelegd. Voor de jaren 2009 en 2010 wordt in het concept-rapport geconcludeerd dat de reeds opgelegde aanslagen tot een aanzienlijk bedrag te laag zijn vastgesteld. Ook voor de jaren 2012 tot en met 2015 worden aanzienlijke naheffingsaanslagen aangekondigd.

2.7.

Met dagtekening 13 december 2016 heeft de Inspecteur overeenkomstig het concept-rapport een naheffingsaanslag loonheffingen over 2011 opgelegd van € 366.597 met een vergrijpboete van € 165.745. Daarnaast is € 62.739 aan heffingsrente berekend. Het totaal te betalen bedrag bedraagt € 595.081. Op het aanslagbiljet is vermeld dat de betaaltermijn van 14 dagen na dagtekening niet van toepassing is, maar dat de aanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is op grond van artikel 10, lid 1, onderdeel b en e, van de Invorderingswet 1990 (hierna: Invorderingswet).

2.8.

De naheffingsaanslag is blijkens het exploot van de belastingdeurwaarder op 13 december 2016 om 9.30 uur betekend op het adres van belanghebbende. Volgens het exploot was er op dat moment niemand aanwezig en is het document in een gesloten envelop achtergelaten op het adres.

2.9.

Eveneens op 13 december 2016 om 9.30 uur is een dwangbevel betekend aan belanghebbende in verband met de naheffingsaanslag. De kosten van het dwangbevel bedragen € 11.599. Daarbij is vermeld dat de vervolgingskosten niet verschuldigd zijn als binnen twee dagen de openstaande belastingschuld wordt betaald. In het dwangbevel is ook vermeld dat het bedrag invorderbaar is op grond van artikel 10, lid 1, onderdeel b, van de Invorderingswet. Blijkens het afschrift van het dwangbevel dat zich in het dossier bevindt werd niemand aangetroffen op het adres van belanghebbende en zijn een afschrift van het betekeningsexploot en het dwangbevel in een gesloten envelop achtergelaten.

2.10.

Op 13 december 2016 om 13.30 uur heeft de belastingdeurwaarder op het adres van belanghebbende beslag gelegd op een aantal roerende zaken in verband met de invordering van de belastingschuld. Het afschrift van het proces-verbaal van afvoeren en inbewaringgeving van in beslag genomen roerende zaken en het afschrift van exploot van beslag op roerende zaken zijn op 13 december 2016 om 14.20 uur aan [C] (hierna: [C] ), bestuurder van belanghebbende, op het adres van belanghebbende overhandigd.

2.11.

Het definitieve controlerapport is gedateerd 13 februari 2017. De berekening van de naheffingsaanslag loonheffingen over 2011 wijkt daarin niet af van die in het conceptrapport en van de opgelegde aanslag.

2.12.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de in rekening gebrachte kosten van het dwangbevel. Bij uitspraak op bezwaar van 28 maart 2017 heeft de Ontvanger het bezwaar ongegrond verklaard.

2.13.

Belanghebbende heeft in kort geding bij de civiele rechter onder meer vernietiging van het dwangbevel en opheffing van de beslagen gevorderd. Bij vonnis van 20 januari 2017 heeft de voorzieningenrechter van rechtbank Midden-Nederland de Inspecteur verboden om de in executoriaal beslag genomen bedrijfsauto’s, anders dan de reeds afgevoerde bedrijfsauto, af te voeren. Het meer of anders gevorderde is afgewezen. Partijen hebben in hoger beroep tegen dit vonnis op 9 juli 2018 een schikking getroffen, waarbij is afgesproken dat de Ontvanger zijn invorderingsmaatregelen zal opschorten in afwachting van de uitspraak van de rechtbank Gelderland in de zaken 17/6340 tot en met 17/6346, dat belanghebbende uitstel zal vragen voor de loonheffingen en omzetbelasting voor de maanden november 2016 tot en met januari 2017 en dat belanghebbende haar lopende verplichtingen ten opzichte van de fiscus zal blijven voldoen.

2.14.

Belanghebbende heeft zich door middel van een procedure op grond van artikel 17 van de Invorderingswet bij de rechtbank Midden Nederland verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. Bij vonnis van 1 augustus 2018 heeft deze rechtbank het verzet ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank onder andere overwogen dat de Ontvanger bevoegd was tot versnelde invordering over te gaan, dat de Ontvanger niet verplicht was op grond van artikel 25.1.10 van de Leidraad Invordering 2008 (hierna: de Leidraad) uitstel te verlenen en dat een marginale toetsing van de aanslag en een belangenafweging niet aan de getroffen invorderingsmaatregelen in de weg staan.

2.15.

De Ontvanger heeft verzocht het faillissement van belanghebbende uit te spreken. Bij beschikking van 23 maart 2017 heeft de rechtbank Midden Nederland dit verzoek afgewezen. Op 18 mei 2017 heeft dit Hof voornoemde beschikking in hoger beroep bekrachtigd. Bij zijn oordeel dat niet is gebleken dat belanghebbende verkeert in de toestand dat zij is opgehouden haar schulden te betalen, neemt het Hof als uitgangspunt dat de naheffingsaanslagen uitsluitend zijn opgelegd ten behoud van rechten.

3 Geschil

In geschil is of de Ontvanger terecht kosten voor het betekenen van het dwangbevel in rekening heeft gebracht.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing