Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27-08-2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6894, 18/00693 en 18/00694

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27-08-2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6894, 18/00693 en 18/00694

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27 augustus 2019
Datum publicatie
30 augustus 2019
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2019:6894
Formele relaties
Zaaknummer
18/00693 en 18/00694

Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Dividenduitkeringen. Redelijke schatting, interne compensatie, vertrouwensbeginsel, fair play.

Uitspraak

locatie Leeuwarden

nummers 18/00693 en 18/00694

uitspraakdatum: 27 augustus 2019

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Zwolle (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 5 juli 2018, nummers LEE 16/4799 en 16/4800, ECLI:NL:RBNNE:2018:2576, in het geding tussen de Inspecteur en

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 153.680 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.722. Bij beschikkingen is heffingsrente berekend en is een verzuimboete opgelegd.

1.2.

Aan belanghebbende is over het jaar 2009 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 103.680, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 800.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.722. Bij beschikking is heffingsrente berekend.

1.3.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren tegen de onder 1.1. genoemde aanslag en beschikkingen ongegrond verklaard.

1.4.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren tegen de onder 1.2. genoemde navorderingsaanslag en beschikking gegrond verklaard, de navorderingsaanslag verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 92.572 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 800.000 en de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd.

1.5.

Belanghebbende is tegen de onder 1.3. en 1.4. genoemde uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft een deel van de beroepen gericht tegen de onder 1.3. genoemde uitspraken gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 92.572 en de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd. Tevens heeft de Rechtbank de verzuimboete verminderd tot € 180 en de Inspecteur veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 3.250. De Rechtbank heeft tevens de beroepen gericht tegen de onder 1.4. genoemde uitspraken gegrond verklaard, de navorderingsaanslag verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 92.572 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 112.500 en de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd.

1.6.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft verweer gevoerd.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2019. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende was in 2009 gehuwd met [A] .

2.2.

Belanghebbende hield in 2009 alle aandelen in [B] B.V. (vanaf 16 december 2010 genaamd en in deze uitspraak ook genoemd [C] B.V.). Deze vennootschap hield alle aandelen in [D] B.V. (vanaf 16 december 2010 genaamd en in deze uitspraak ook genoemd [E] B.V.) en 95% van de aandelen in [F] B.V. (vanaf 16 december 2010 genaamd en hierna in deze uitspraak ook genoemd [G] B.V.). De overige 5% van de aandelen in [F] B.V. werd tot 21 juli 2009 gehouden door [H] B.V. Vanaf 21 juli 2009 werd deze overige 5% van de aandelen gehouden door [I] U.A.

2.3.

Bij brief van 27 februari 2010 is belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangifte in de IB/PVV voor het jaar 2009. Bij brief van 8 juli 2010 heeft de Inspecteur belanghebbende een herinnering voor het doen van aangifte gestuurd en bij brief van 14 september 2010 heeft de Inspecteur belanghebbende aangemaand tot het doen van aangifte.

2.4.

Omdat belanghebbende niet binnen de bij de aanmaning gestelde termijn aangifte in de IB/PVV voor het jaar 2009 heeft gedaan, heeft de Inspecteur ambtshalve met dagtekening 28 december 2012 de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2009 opgelegd. De Inspecteur heeft de aanslag vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 153.680 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.722.

2.5.

In het kader van een onderzoek bij belanghebbendes financieel en fiscaal adviseur, heeft de FIOD documenten in beslag genomen. Tot die documenten behoorden bescheiden met onderdelen van de administratie van de hiervoor in 2.2 genoemde vennootschappen.

2.6.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 12 november 2014 verzocht informatie te verstrekken over onder andere een door [J] in 2009 aan belanghebbende verstrekte lening voor een bedrag van € 965.000, alle vorderingen en schulden van belanghebbende op en aan [C] B.V., [G] B.V. en [E] B.V. vanaf 1 januari 2009, en door belanghebbende vanaf 2009 ontvangen dividenden van [C] B.V. en [G] B.V. De Inspecteur heeft in zijn brief van 12 november 2014 daarnaast – voor zover hier van belang – het volgende geschreven:

Navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2009

Binnenkort verstrijkt de termijn voor het opleggen van een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over het jaar 2009. Wij leggen u daarom nu deze aanslag op.

Uit ons ter beschikking staande documenten kan de conclusie worden getrokken dat aan u een dividenduitkering heeft plaatsgevonden in het jaar 2009. De hoogte van de uitkering is ons niet precies bekend. Uit documenten blijkt wel dat deze uitkering zo hoog is, dat u daardoor een vordering hebt verkregen op [C] B.V./ [G] van € 1.000.000. U had schulden aan [C] B.V. en de dochtervennootschappen daarvan. De dividenduitkering is dus de hoogte van deze schulden vermeerderd met € 1.000.000. In deze brief is al vermeld dat er met betrekking tot de aankoop van de loods in het jaar 2009 ook al sprake is van een uitdeling van € 275.000. De hoogte van het dividend kan nu als volgt worden berekend:

Loods € 275.000

Rekening courant [C] B. V. ultimo 2009 € 200.782

Verkregen vordering € 1.000.000

Rekening courant [E] B.V. € 76.760

Totaal € 1.552.542

Afgerond op € 1.600.000

Van dit bedrag wordt 50% tot uw inkomen gerekend en 50% tot het inkomen van uw echtgenote.”

2.7.

Met dagtekening 13 december 2014 heeft de Inspecteur een navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2009 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 103.680, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 800.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.722.

2.8.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag. In de uitspraak op bezwaar van 2 november 2016 heeft de Inspecteur - voor zover hier van belang – het volgende geschreven:

Dividend uitkering [G] BV

4.12.

Op 12 april 2011 heeft de heer [J] een overeenkomst overgelegd aan de FIOD. Dit betreft een overeenkomst van geldlening/investering van 27 maart 2010 tussen de heer [J] (geldgever), [G] B.V. (geldnemer) en de heer [X] . In deze overeenkomst staat onder andere dat:

 Geldgever [J] een lening heeft verstrekt aan de heer [X] van een hoofdsom van € 965.000, en dat het verschuldigde bedrag verhoogd met rente en kosten is aangezwollen tot € 1.100.000.

 Geldnemer ( [G] B.V.) ten titel van een dividenduitkering een schuld heeft aan de heer [X] ten bedrage van minimaal genoemde hoofdsom verhoogd met rente en kosten.

 [G] B.V. wil de schuld die de heer [X] heeft aan geldgever, [J] , overnemen. De vordering die de heer [X] zou hebben op [G] B.V. wordt weggestreept tegen, dan wel verrekend met de schuld die de heer [X] heeft aan [J] .

 Geldnemer ( [G] B.V.) heeft dan geen schuld meer aan [X] maar aan geldgever, [J] .

4.13.

De laatste aangifte VPB van de fiscale eenheid VPB [C] BV betrof het belastingjaar 2008. Daarin stond geen dividenduitkering van € 1.100.000 vermeld. Er zijn sindsdien ook geen aangiften dividendbelasting ingediend. Er zijn vanaf 2008 ook geen aangiften inkomstenbelasting door dhr [X] en zijn echtgenote ingediend, waarin inkomsten uit aanmerkelijk belang zijn vermeld. Tijdens het hoorgesprek van 27 september 2016 heeft de heer [K] namens de heer [X] bevestigd dat de genoemde dividenduitkering van minimaal € 1.100.000 heeft plaatsgevonden. Dit heeft volgens de heer [K] waarschijnlijk plaatsgevonden in het jaar 2010.

(…)

5.0.

Beoordeling van het bezwaar

(…)

Dividenduitkering [G] BV

5.13.

Uit de feiten zoals beschreven in de paragrafen 4.12. en 4.13. blijkt, dat de heer [X] tussen l januari 2009 en 27 maart 2010 van [G] BV, die was opgenomen in de fiscale eenheid VPB [C] BV, een dividenduitkering heeft ontvangen van minimaal € 1.100.000. Zoals beschreven in paragraaf 4.8., beschikte de fiscale eenheid over genoeg winstreserves, winsten en te verwachten winsten om een dividenduitkering van minimaal € 1.100.000 te doen. Van deze uitkering is geen aangifte dividendbelasting ingediend. Ook is deze uitkering niet vermeld in een aangifte inkomstenbelasting van de heer [X] en/of zijn echtgenote. Tijdens het hoorgesprek heeft u bevestigd dat deze dividenduitkering heeft plaatsgevonden, en wel waarschijnlijk in 2010. Ik heb echter geen bewijzen van u ontvangen die dat bevestigen. Ik kan daarom niet met zekerheid stellen of dit dividend in 2009, danwel in 2010, danwel gedeeltelijk in beide jaren als regulier inkomen uit aanmerkelijk belang belast moet worden.

5.14.

Ik heb daarom besloten om ter behoud van rechten dit regulier inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.100.000 voor beide jaren geheel in stand te houden. Mocht op een later moment onherroepelijk en zonder twijfel vast komen staan dat de betreffende uitdeling ten onrechte meermalen bij de heer [X] als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang is belast, dan ben ik bereid deze dubbele belasting ambtshalve te verminderen.

(…)

Inkomen box-2

5.15

Samenvattend kom ik over het jaar 2010 voor de heer [X] en zijn partner tot de volgende gezamenlijke voordelen uit aanmerkelijk belang:

R-c schuld [C] BV

€ 590.231

Schulden [E]

BV

€ 76.760

Dividenduitkering [G]

€ 1.100.000

Botenloods

€ 225.000

Totaal

€ 1.991.991

Aangezien de heer [X] en zijn partner dit voordeel niet hebben aangegeven, dient dit voor 50% aan elk van de partners te worden toegewezen, oftewel elk € 995.995. De heer [X] en zijn partner hebben echter navorderingsaanslagen opgelegd gekregen, waarin een gezamenlijk voordeel uit aanmerkelijk belang is berekend van € 1.600.000. Hiervan is voor € 800.000 aan de heer [X] toegerekend. Dit inkomen is mogelijk eerder te laag, dan te hoog vastgesteld. Ik handhaaf daarom het vastgestelde inkomen uit aanmerkelijk belang van € 800.000.”.

2.9.

Tot de stukken van het geding behoort een nota van een notaris met aanhef “NOTA VAN AFREKENING” ten name van [F] B.V. Op deze afrekening is onder andere het volgende vermeld:

“Betreft : [B] te [Z]

Koper : [L] B.V.

Overdracht : 3 september 2010

(…)

Te betalen Te ontvangen

(…)

Schuldovername dividenduitkering

aan aandeelhouder en [H]

€ 1.770.000,00”.

2.10.

Tot de stukken van geding behoren tevens twee overeenkomsten gedagtekend 29 juli 2009 en 27 maart 2010. De overeenkomst met dagtekening 29 juli 2009, heeft als opschrift “Leningovereenkomst van korte duur” en betreft een overeenkomst tussen [J] aangeduid als “Geldgever” en belanghebbende aangeduid als “Geldnemer”. In deze overeenkomst is – voor zover hier van belang – het volgende bepaald:

Artikel 1 lening

Geldgever verstrekt een lening aan Geldnemer en deze neemt de lening aan. De leningovereenkomst wordt aangegaan op 1 augustus 2009 en de gelden zullen op eerste verzoek van Geldnemer worden uit betaald aan een door Geldnemer op te geven rekeningnummer.

Artikel 2 Hoofdsom en vergoeding

De lening heeft een hoofdsom van EUR 1.000.000 en een disconto van EUR 35.000. Het saldo wordt in één bedrag uitbetaald. De hoofdsom dient in één bedrag te worden terug betaald.

(…)

Artikel 4 Zekerheden

Geldnemer heeft een vordering op zijn holding uit hoofde van aan hem toegekende dividenden en een saldo in rekening courant. Geldnemer is enig aandeelhouder en enig bestuurder van de holding. Deze vordering dient als zekerheid voor onderhavige lening. (…)”

De overeenkomst met dagtekening 27 maart 2010, heeft als opschrift “OVEREENKOMST VAN GELDLENING / INVESTERING” en betreft een overeenkomst tussen [J] aangeduid als “Geldgever”, [F] B.V. aangeduid als “Geldnemer” en belanghebbende aangeduid als “ [X] ”. In deze lening is – voor zover hier van belang – het volgende bepaald:

“IN AANMERKING NEMENDE DAT:

a) Geldgever een lening heeft verstrekt aan [X] van een hoofdsom van € 965.000, = (zegge negenhonderd vijfenzestig duizend euro). Tot op heden is het verschuldigde bedrag verhoogd met rente en kosten aangezwollen tot € 1.100.000,= (zegge een miljoen een honderd duizend euro).

b) Geldnemer heeft ten titel van dividend uitkering een schuld aan [X] ten bedrage van minimaal genoemde hoofdsom verhoogd met rente en kosten en wenst de schuld van [X] aan Geldnemer over te nemen als zijnde haar eigen schuld.

c) Geldnemer heeft dan voor dat deel geen schuld meer aan [X] maar aan Geldgever.

(…)

Artikel 1 : Geldlening en vergoeding

1.1

Geldgever heeft een bedrag van € 1.100.000,-- (zegge een miljoen een honderdduizend euro), hierna de ‘Hoofdsom’, verstrekt ten titel van geldlening aan Geldnemer en Geldnemer verklaart voornoemd bedrag schuldig te zijn aan Geldgever.

(…)”.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de Inspecteur de navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2009 – zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar – te hoog heeft vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het daarbij in aanmerking genomen belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang te hoog is. Ter zitting heeft de Inspecteur geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze de beslissingen betreft omtrent de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2009 en de bijbehorende beschikkingen.

3.2.

De Inspecteur stelt dat het in aanmerking genomen belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang niet te hoog is. Volgens de Inspecteur heeft de Rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de correcties met betrekking tot de dividenduitkering ontvangen van [G] B.V. en de schulden aan [C] B.V. en [E] B.V., gelet op de door de Inspecteur in zijn uitspraak op bezwaar gedane toezegging, op grond van het vertrouwensbeginsel volledig moeten vervallen. Daarnaast doet de Inspecteur een beroep op interne compensatie.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en stelt dat de Inspecteur geen geslaagd beroep kan doen op interne compensatie.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing