Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-10-2019, ECLI:NL:GHARL:2019:8495, 18/00879

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-10-2019, ECLI:NL:GHARL:2019:8495, 18/00879

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15 oktober 2019
Datum publicatie
25 oktober 2019
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2019:8495
Zaaknummer
18/00879

Inhoudsindicatie

IB/PVV. Verlies op beleggingen in durfkapitaal. Beschikking ‘Verklaring betalingsonmacht’.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummer 18/00879

uitspraakdatum:

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 september 2018, nummer AWB 17/6204, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Almelo (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 29 augustus 2017 een ‘Verklaring betalingsonmacht’ afgegeven. In deze beschikking is het verlies voor beleggingen in durfkapitaal vastgesteld op € 20.000.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar tegen deze beschikking ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft verweer gevoerd.

1.5.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingezonden.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2019.

2 Vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende heeft op 11 mei 2009 aan de heer [A] een lening met een hoofdsom van € 20.000 verstrekt, die voldoet aan de op dat moment geldende criteria voor

durfkapitaal in de zin van artikel 5.17, lid 1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Deze geldlening is bij de Belastingdienst geregistreerd op 5 juni 2009.

2.2.

Op 10 april 2012 heeft eiser een aanvullende lening verstrekt aan de heer

[A] bestaande uit een hoofdsom van € 5.000 en een bedrag van € 1.200 aan door laatstgenoemde schuldig gebleven rente over 2011. Deze schriftelijke overeenkomst van geldlening is niet bij de Belastingdienst geregistreerd.

2.3.

Belanghebbende heeft in zijn aangiften inkomstenbelasting in box 3 de volgende bedragen als verstrekt durfkapitaal vermeld, waarbij het oplopende saldo na 1 januari 2012 verband houdt met de aanvullend verstrekte geldlening van € 5.000 en schuldig gebleven rente:

Belastingjaar

Waarde op 1 januari van het belastingjaar

2011

€ 20.000

2012

€ 20.000

2013

€ 27.772

2014

€ 27.772

2015

€ 30.567

2016

€ 36.160

2.4.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 29 augustus 2017 een ‘Verklaring betalingsonmacht’ afgegeven. In deze beschikking is het verlies voor beleggingen in durfkapitaal vastgesteld op € 20.000. Tevens is daarin opgenomen dat de ondernemer aan wie het kapitaal is verstrekt, het bedrag niet kan terugbetalen. Belanghebbende heeft bij zijn aanvraag van de ‘Verklaring betalingsonmacht’ aangegeven dat de lening aan de heer [A] is kwijtgescholden.

2.5.

De persoonsgebonden aftrekpost in verband met verliezen op kwijtgescholden durfkapitaal van artikel 6.8 van de Wet IB 2001 is met ingang van 1 januari 2011 vervallen. De vrijstelling in box 3 van artikel 5.16 van de Wet IB 2001 voor verstrekkingen van durfkapitaal is met ingang van 1 januari 2013 vervallen.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of het in de beschikking ‘Verklaring betalingsonmacht’ opgenomen bedrag op het juiste bedrag is vastgesteld. Meer in het bijzonder spitst het geschil zich toe op het antwoord op de volgende vragen:

  1. Wordt het in 2012 verstrekte bedrag alsmede de schuldig gebleven rente als durfkapitaal gekwalificeerd waarvoor persoonsgebonden aftrek kan worden verkregen?

  2. Mocht belanghebbende op grond van de door de Inspecteur gevolgde aangiftes erop vertrouwen dat een bedrag van € 36.160 als persoonsgebonden aftrek in aftrek toegestaan zou worden?

3.2.

Belanghebbende meent dat het verlies uit durfkapitaal hoger is dan € 20.000 en beantwoordt de in geschil zijnde vragen bevestigend. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vaststelling van het verlies uit durfkapitaal op € 36.160.

3.3.

De Inspecteur beantwoordt deze de in geschil zijnde vragen ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank, waarin de Rechtbank heeft geoordeeld dat de beschikking op een juist bedrag is bepaald.

3.4.

Beide partijen hebben hun standpunten onderbouwd met wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken, alsmede wat daar ter zitting aan is toegevoegd.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing