Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-10-2019, ECLI:NL:GHARL:2019:8497, 18/01062 en 18/01063

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-10-2019, ECLI:NL:GHARL:2019:8497, 18/01062 en 18/01063

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15 oktober 2019
Datum publicatie
25 oktober 2019
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2019:8497
Formele relaties
Zaaknummer
18/01062 en 18/01063

Inhoudsindicatie

IB/PVV. Buitenlandse banktegoeden. Standstillbepaling. Zijn strafdossier en afstemmingsstukken Belastingdienst – Openbaar Ministerie op de zaak betrekking hebbende stukken?

Uitspraak

Locatie Arnhem

nummers 18/01062 en 18/01063

uitspraakdatum: 15 oktober 2019

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland van 1 oktober 2018, nummers AWB 16/4136 en 16/4137, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende zijn over de jaren 2008 en 2009 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Daarbij is haar voorts bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht.

1.2

Deze navorderingsaanslagen en beschikkingen inzake de heffingsrente zijn, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij uitspraken op bezwaar door de Inspecteur gehandhaafd.

1.3

Tegen deze uitspraken op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 19 september 2019 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord: mr. [A] en mr. [B] als de gemachtigden van belanghebbende alsmede – namens de Inspecteur – mr. [C] en [D] .

1.6

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende heeft in de jaren 2002 tot en met 2013 bankrekeningen aangehouden in Zwitserland. Het betrof een bankrekening bij de HSBC Bank en vanaf 2007 een bankrekening bij de UBS Bank. Het saldo van de HSBC Bank ten bedrage van € 1.076.993 is in 2007 overgeboekt naar de UBS Bank. De aanvangswaarde van deze bankrekening in 2007 beliep € 695.900. Ultimo 2007 bedroeg het tegoed van belanghebbende op de bankrekening bij de UBS Bank € 1.742.326. Belanghebbende heeft ter zake van de tegoeden op deze bankrekeningen rente ontvangen.

2.2

Belanghebbende heeft haar tegoeden op de Zwitserse bankrekeningen niet verantwoord in haar aangiften IB/PVV. Medio 2014 is zij ter zake van de Zwitserse bankrekeningen ingekeerd. Belanghebbende heeft in dat verband berekeningen aan de Inspecteur verstrekt met betrekking tot de volgens haar ter zake van de Zwitserse bankrekeningen verschuldigde IB/PVV over de jaren 2002 tot en met 2013.

2.3

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 26 februari 2015 verzocht nadere informatie te verstrekken over de aanvangswaarde in 2007 van € 695.900 op de bankrekening bij de UBS Bank. Belanghebbende heeft de Inspecteur bij brief van 13 maart 2015 bericht dat zij op die vraag geen antwoord kan geven. In verband hiermee is belanghebbende door de FIOD op 30 juli 2015 verhoord. Tot het dossier behoren afschriften van drie in juli 2015 verstuurde e-mails tussen een medewerker van de Belastingdienst en een medewerker van de FIOD over de (strafvordelijke) stand van zaken ten aanzien van belanghebbende.

2.4

De Inspecteur heeft met dagtekening 11 september 2015 aan belanghebbende met betrekking tot de op te leggen belastingaanslagen IB/PVV over de jaren 2003 tot en met 2007 een informatiebeschikking gegeven. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende de informatieverplichting van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) geschonden door geen informatie te verstrekken over de herkomst van de aanvangswaarde van € 695.900 in 2007 op de bankrekening bij de UBS Bank. Die informatiebeschikking is door de Rechtbank bij uitspraak van 1 oktober 2018 vernietigd. Daartegen is geen hoger beroep ingesteld door de Inspecteur.

2.5

Het in 2.3 bedoelde FIOD-verhoor heeft geleid tot een strafrechtelijke vervolging van belanghebbende. Zij is door de strafrechter veroordeeld. Hiertegen is door belanghebbende hoger beroep aangetekend. Op dat hoger beroep is nog geen arrest gewezen.

2.6

De Inspecteur heeft met dagtekening 21 november 2015 overeenkomstig de door belanghebbende in het kader van het inkeerverzoek verstrekte berekeningen de onderhavige navorderingsaanslagen IB/PVV 2008 en 2009 aan belanghebbende opgelegd. Het daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar is door de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar afgewezen. De beroepen van belanghebbende tegen die uitspraken zijn door de Rechtbank bij uitspraak van 1 oktober 2018, nrs. AWB 16/4136 en AWB 16/4137 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is door belanghebbende op 12 november 2018 hoger beroep ingesteld.

2.7

Bij brief van 13 mei 2019 heeft een Boetefraudecoördinator van de Belastingdienst de Officier van Justitie op de voet van artikel 55 AWR verzocht toestemming te verlenen om gebruik te mogen maken van de gegevens uit het strafrechtelijke onderzoek jegens belanghebbende en de inlichtingen en gegevens voor zover deze fiscaal relevant (kunnen) zijn aan de Belastingdienst ter beschikking te stellen. Dat verzoek is op 16 mei 2019 door de Officier van Justitie ingewilligd.

2.8

Bij brief van 12 augustus 2019 zijn partijen door de griffier van het Hof uitgenodigd voor een zitting op 19 september 2019. Op 14 augustus 2019 heeft belanghebbende een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in deze zaak bij het Hof ingediend. Volgens belanghebbende dient de Inspecteur te worden gelast alle op de zaak betrekking hebbende stukken in deze belastingprocedure over te leggen, waartoe volgens belanghebbende behoren het volledige dossier van het strafrechtelijke onderzoek jegens belanghebbende en de daarmee verband houdende afstemmingsstukken tussen de Belastingdienst en de FIOD. In het verzoek heeft belanghebbende onder meer geschreven: “Zoals gezegd, [is] verzoekster onderwerp geworden van een strafrechtelijk onderzoek. De verdenking witwassen die onlosmakelijk samenhangt met deze fiscale zaak, heeft ertoe geleid dat bij haar omvangrijke beslagen zijn gelegd. Teneinde zich in deze strafzaak te kunnen verweren is het van onmiddellijk belang dat er volledige inzage wordt verleend in alle stukken die zien op de strafrechtelijke afstemming. (…).

3 Het geschil

In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur heeft voldaan aan zijn verplichting alle op de zaak betrekking hebbende stukken in deze belastingprocedure over te leggen en of de onderhavige navorderingsaanslagen door de Inspecteur voortvarend genoeg aan belanghebbende zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de Inspecteur bevestigend. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is door belanghebbende ter zitting ingetrokken. De beschikkingen heffingsrente zijn in hoger beroep niet (afzonderlijk) in geschil.

4 Beoordeling van het geschil

5 Beslissing