Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 01-12-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10021, 19/00639

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 01-12-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10021, 19/00639

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
1 december 2020
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2020:10021
Zaaknummer
19/00639

Inhoudsindicatie

Waterschapsbelastingen. Beslissing op verzoek om kwijtschelding. Beslissing op verzoek dwangsom wegens niet tijdig beslissen. Bevoegdheid Rechtbank.

Uitspraak

locatie Leeuwarden

nummer 19/00639

uitspraakdatum: 1 december 2020

Uitspraak van de zeventiende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 8 mei 2019, nummer AWB 18/1438, in het geding tussen belanghebbende en

de invorderingsambtenaar van het Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus-

Tricijn (GBLT) (hierna: de invorderingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft op 12 mei 2017 een verzoek tot kwijtschelding van de aanslag in de waterschapsbelastingen voor het jaar 2017 gedaan. Bij besluit van 10 augustus 2017 is het verzoek afgewezen. Bij brief van 4 mei 2018 heeft belanghebbende een verzoek gedaan tot herziening van het besluit van 10 augustus 2017.

1.2.

Belanghebbende heeft op 6 augustus 2018 tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek van 4 mei 2018 beroep ingesteld bij de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank).

1.3.

Bij besluit van 30 augustus 2018 heeft de invorderingsambtenaar het verzoek van 4 mei 2018 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat geen dwangsom wordt toegekend.

1.4.

De Rechtbank heeft zich bij uitspraak van 8 mei 2019 onbevoegd verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De invorderingsambtenaar heeft verweer gevoerd.

1.6.

Het Hof heeft ambtshalve bij de invorderingsambtenaar om informatie gevraagd omtrent de bevoegdheid van de bij de procedure betrokken ambtenaar. De invorderingsambtenaar heeft hierop gereageerd. Deze correspondentie is ter kennisneming naar belanghebbende gezonden. Tevens heeft het Hof ambtshalve bij de invorderingsambtenaar het door belanghebbende hierna onder 2.5 bedoelde bezwaarschrift opgevraagd, welk stuk bij ontvangst door het Hof ter kennisneming is doorgestuurd naar belanghebbende.

1.7.

Het Hof heeft partijen gevraagd of zij ter zitting willen worden gehoord. Partijen hebben binnen de gestelde termijn van twee weken daarop niet gereageerd. Het Hof heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 12 mei 2017 een verzoek om kwijtschelding gedaan van de door de heffingsambtenaar van GBLT aan haar opgelegde aanslag in de waterschapsbelastingen voor het jaar 2017. Bij besluit van 10 augustus 2017 heeft de invorderingsambtenaar dit verzoek afgewezen omdat te weinig gegevens zijn overgelegd.

2.2.

Belanghebbende heeft bij brief van 4 mei 2018 een verzoek gedaan tot herziening van het besluit van 10 augustus 2017, daarbij verwijzend naar het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.3.

Belanghebbende heeft op 24 juni 2018 naar de invorderingsambtenaar een ingebrekestelling gestuurd wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek van 4 mei 2018.

2.4.

Bij besluit van 30 augustus 2018 heeft de invorderingsambtenaar het verzoek van 4 mei 2018 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat geen dwangsom wordt toegekend.

2.5.

Belanghebbende heeft bij brief van 17 september 2018 bezwaar gemaakt tegen het besluit van de 30 augustus 2018 om geen dwangsom toe te kennen. De invorderingsambtenaar heeft dit bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 15 oktober 2018 niet-ontvankelijk verklaard.

3 Geschil

In hoger beroep is in geschil of de Rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing