Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-12-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10405, 18/01004

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-12-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10405, 18/01004

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15 december 2020
Datum publicatie
18 december 2020
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2020:10405
Formele relaties
Zaaknummer
18/01004

Inhoudsindicatie

Beschikking aansprakelijkstelling, artikel 36 lid 3 IW. Geen kennelijk onbehoorlijk bestuur.

Uitspraak

locatie Leeuwarden

nummer 18/01004

uitspraakdatum: 15 december 2020

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de ontvanger van de Belastingdienst/kantoor Groningen (hierna: de Ontvanger)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 11 september 2018, nummer LEE 17/2134, ECLI:NL:RBNNE:2018:3631, in het geding tussen de Ontvanger en

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Ontvanger heeft belanghebbende bij beschikking van 9 december 2016 op grond van artikel 36 van de Invorderingswet 1990 (IW) aansprakelijk gesteld tot een bedrag van € 153.418 voor niet betaalde naheffingsaanslagen in de loonheffingen en in de omzetbelasting, die zijn opgelegd aan [A] B.V. (hierna: [A] ).

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Ontvanger het daartegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar en de beschikking vernietigd, de Ontvanger opgedragen het betaalde griffierecht van € 46 aan belanghebbende te vergoeden en de Ontvanger veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.302.

1.4.

De Ontvanger heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft verweer gevoerd.

1.5.

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2019. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is gezonden.

1.6.

Het Hof heeft het onderzoek heropend teneinde de Ontvanger in staat te stellen nader onderzoek te verrichten naar de administratie van [A] . De Ontvanger heeft bij brief van 4 december 2019 een „rapport van een heronderzoek invordering” betreffende [A] ingezonden, waarop belanghebbende bij brief van 10 maart 2020 heeft gereageerd. Vervolgens zijn bij het Hof brieven ingekomen van 18 mei 2020 en 16 september 2020 van de Ontvanger, van 1 oktober 2020 van belanghebbende, van 28 oktober 2020 van de Ontvanger en van 29 oktober 2020 van belanghebbende.

1.7.

Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2020. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is vanaf 3 juni 2005 bestuurder van [A] .

2.2.

Belanghebbende is enig aandeelhouder van [B] B.V. en van [C] B.V. (hierna: [C] ), die op haar beurt enig aandeelhouder is van [A] en van [D] B.V. Laatstgenoemde is op 2 juli 2014 opgericht en op 1 augustus 2015 ontbonden. [C] bracht aan [A] een managementvergoeding in rekening.

2.3.

[A] leende arbeidskrachten uit aan onder andere [E] B.V. ( [E] ) en [F] B.V. ( [F] ).

2.4.

Ultimo 2014 had [A] een vordering op [F] van € 109.866,75 en een vordering op [E] van € 84.297,05. De vordering op [F] is in de periode van 26 maart 2013 tot 4 juni 2013 ontstaan door uitlening van 10 à 15 personen. Er werden wekelijks facturen verstuurd, waarvan de laatste op 4 juni 2013.

2.5.

Uit grootboekkaarten en mutatieoverzichten van [A] blijkt dat [E] tot 17 oktober 2014 openstaande facturen is blijven betalen. De door [E] gedane betalingen werden steeds afgeboekt op de oudste openstaande facturen. Dit waren facturen die tussen 60 en 90 dagen openstonden.

2.6.

[F] en [E] zijn op 9 april 2014 respectievelijk op 21 oktober 2014 in staat van faillissement verklaard. [G] B.V. heeft [E] en [F] in afgeslankte vorm voortgezet.

2.7.

Uit grootboekkaarten en mutatieoverzichten van [A] blijkt dat belanghebbende in 2014 € 5.585 in rekening-courant heeft onttrokken aan [A] . Deze onttrekkingen betreffen privékosten, bestaande uit onder andere premies voor een overlijdensrisicoverzekering en premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering.

2.8.

Op 14 februari 2014 en op 27 augustus 2014 heeft [A] betalingsonmacht gemeld.

2.9.

Op 27 februari 2015 is op verzoek van de Ontvanger een invorderingsonderzoek bij [A] aangekondigd. Het onderzoek is aangevangen op 16 maart 2015. Het rapport van het onderzoek is gedagtekend 9 juni 2015.

2.10.

Op 15 april 2016 is aan belanghebbende een concept van de aansprakelijkstelling toegezonden. Belanghebbendes gemachtigde heeft hierop zijn zienswijze ingediend, waarop de Ontvanger heeft gereageerd.

2.11.

Bij beschikking van 9 december 2016 is belanghebbende aansprakelijk gesteld voor door [A] niet betaalde belastingen ten bedrage van € 153.418. In de beschikking is onder andere opgenomen:

„Ik stel u hierbij aansprakelijk voor de niet betaalde belastingschulden van [A] B.V.. Deze aansprakelijkstelling baseer ik op artikel 36 lid 3 IW, kennelijk onbehoorlijk bestuur.

De gronden voor het kennelijke onbestuur zal ik hieronder noemen en kort toelichten.

Gronden voor het kennelijk onbehoorlijk bestuur 1. Niet verstrekken van de volledige administratie / niet voldoen aan de administratieplicht (…) 2. Geen VPB-aangifte meer sinds 2014 (…) 3. Continuering van de onderneming na het faillissement van een grote opdrachtgever (…) 4. Overheveling van de activiteiten naar [D] B.V. met achterlating van schulden (…)”.

De bedragen van de aansprakelijkstelling zijn in de bijlage bij de beschikking gespecificeerd.

2.12.

Bij uitspraak op bezwaar van 9 mei 2017 is de beschikking gehandhaafd. Daarbij is vermeld dat grond 2 van de beschikking, „Geen VPB-aangifte meer sinds 2014”, is komen te vervallen. In zijn bij de Rechtbank ingediende verweerschrift heeft de Ontvanger ook de vierde grond van de beschikking laten vallen.

2.13.

[H] , bestuurder van [G] B.V., heeft op 12 juni 2018 per e‑mail aan belanghebbende uitleg gegeven over de zakelijke relatie tussen belanghebbende en hemzelf, en over de gang van zaken met betrekking tot [E] en [F] :

Beste [X] ,

In onze jarenlange relatie, welke al in 1999 is begonnen bij start [E] , hebben wij pieken en dalen gekend. Zo hebben wij in de eerste jaren veelvuldig gebruik gemaakt van, enerzijds jouw expertise en anderzijds het inlenen van mensen. De werkzaamheden in de haven floreerden toen nog. Vrij frequent leenden wij voor langere termijn 10 tot wel 20 mensen bij jou in. Dit naar beide tevredenheid, betalingen verliepen in de periode conform afspraak. Wel was het zo dat er eens later betaald werd om reden dat ook onze klanten, welke veelal buitenlands waren, dan wel aannemers, het nodig vonden om na 90 dagen te claimen dat de factuur toch iets anders moest, dit ondanks meerdere aanmaningen van onze zijde. Hoe dan ook, betaald werd er altijd en we hebben dit samen doorstaan.

Met de kennis van boven vernoemde gingen wij ook in gezamenlijkheid het project voor [I] in onder auspiciën van de Duitse hoofdaannemer de firma [J] . In eerste aanleg met [F] en later met [E] . Door de betalingsmoraal van [J] hebben, ondanks meerdere gesprekken hierover tussen [J] , jou en ondergetekende, er toch toe geleidt dat beide bedrijven op dit project stuk zijn gelopen.

Dat [J] beide bedrijven willens en wetens, zo bleek achteraf, er in heeft willen luizen bleek wel uit de wijze van handelen van de toenmalige inkoper van [J] , deze is derhalve daarvoor, op aangeven van ons, dan ook op staande voet ontslagen. Daarnaast hebben zowel de curator van [F] als wel de curator van [E] nog na faillissement een substantieel bedrag kunnen incasseren. Waren deze bedragen bij beide bedrijven binnen gekomen dan had het plaatje er wat mij betreft heel anders uitgezien.

Helaas mocht dit niet baten voor zowel jou als mijzelf, hetgeen wij nu af en toe nog de wrange vruchten van plukken. Ondanks dat ben ik verheugd dat onze relatie daardoor niet is beëindigd en we richting toekomst in gezamenlijkheid een stukje terug kunnen verdienen en de nare gebeurtenissen met [J] achter ons laten en vergeten. Hoewel met de [I] zo pontificaal aanwezig in de Eemshaven blijft dit moeilijk.

Met vriendelijke groet, With kind regards, Mit freundlichen Grüssen, Meilleures Salutations,

[H] ”.

2.14.

De Ontvanger is door het Hof in de gelegenheid gesteld onderzoek te doen naar de boekhouding van [A] , waaronder het gebruikte boekhoudsysteem Freepack. Dat onderzoek heeft uiteindelijk geleid tot een rapport van 5 december 2019, waarvan de samenvatting als volgt luidt:

„Uit de overlegde kolommenbalansen en aansluitingsberekeningen naar jaarrekeningen blijkt dat jaarlijks correcties worden gemaakt.

Dit heeft met name te maken met toerekening van bedragen aan andere grootboekrekeningen dan waarop oorspronkelijk is geboekt en niet door fouten in het gebruikte softwarepakket.

Tot en met 2013 zijn de correcties te volgen, voor 2014 is dit niet te volgen omdat van 2014 geen voorafgaande journaalposten zijn verstrekt en alleen aansluitingsberekeningen. Hieruit blijkt dat er op 31-12-2014 een schuld aanwezig is van € 55.567. De juistheid daarvan heb ik niet kunnen controleren evenals het verloop in 2015 naar een nihil saldo. De administratie van 2015 zou te raadplegen zijn via een snelkoppeling, echter deze werkt niet.”

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de Ontvanger belanghebbende terecht wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur aansprakelijk heeft gesteld voor de onbetaalde belastingschulden van [A] , welke vraag de Ontvanger bevestigend en belanghebbende ontkennend beantwoordt.

De Ontvanger voert aan:

-

dat de administratie van [A] een aantal ernstige gebreken vertoont en voorts dat [A] hem niet, zoals vereist in artikel 58 van de IW, de gegevens en inlichtingen heeft verstrekt welke voor de invordering te haren aanzien van belang kunnen zijn;

-

dat [A] een vordering in rekening-courant had op [C] van € 213.421, bij opeising van welk bedrag zij haar belastingschulden had kunnen voldoen; indien er met belanghebbende van zou moeten worden uitgegaan dat [C] geen schuld aan [A] had, doch een vordering op haar van € 55.567, heeft [A] die schuld afgelost in plaats van de belastingschulden te betalen;

-

dat belanghebbende als bestuurder van [A] van de schulden van [F] en [E] aan [A] zo lang en tot zulke hoge bedragen heeft laten oplopen, dat [A] daardoor niet meer in staat was de belastingschulden te voldoen;

-

dat [C] hoge bedragen aan managementvergoeding aan [A] in rekening bracht, die [A] is blijven betalen;

-

dat belanghebbende bedragen aan [A] heeft onttrokken;

-

dat belanghebbende een schuld aan [A] in rekening-courant had, die hij, in zijn hoedanigheid van bestuurder van [A] , had kunnen en moeten invorderen om de belastingschulden te betalen;

-

dat [A] concurrente crediteuren is blijven betalen, terwijl de preferente vordering van de Belastingdienst onbetaald bleef.

3.2.

Belanghebbende heeft het standpunt van de Ontvanger gemotiveerd betwist.

4 Beoordeling van het geschil

5 Proceskosten

6 Beslissing