Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22-12-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10812, 20/00422

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22-12-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10812, 20/00422

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22 december 2020
Datum publicatie
8 januari 2021
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2020:10812
Zaaknummer
20/00422

Inhoudsindicatie

IB/PVV. Bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Terugwijzing naar Inspecteur.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummer 20/00422

uitspraakdatum: 22 december 2020

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 januari 2020, nummer AWB 19/4720, in het geding tussen belanghebbende en

Procesverloop

Aan belanghebbende is over het jaar 2013 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Bij beschikkingen is belastingrente berekend en is een boete opgelegd.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar niet‑ontvankelijk verklaard.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft digitaal plaatsgevonden op 10 december 2020. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. [A] , als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede mr. [B] namens de Inspecteur.

Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het tegen de uitspraken op bezwaar van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,

– wijst de zaak terug naar de Inspecteur voor verdere behandeling en beslissing met inachtneming van deze uitspraak;

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.361,

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 47 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 131 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

1. Het Hof geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Tot de gedingstukken behoort een op 20 december 2018 gedagtekende navorderingsaanslag IB/PVV (hierna: de navorderingsaanslag) over het jaar 2013 die ten name van belanghebbende is gesteld en aan hem is geadresseerd.

3. Bij aan belanghebbende geadresseerde brief van 21 februari 2019 is kenbaar gemaakt op welke wijze een uit te betalen bedrag van 17 december 2018 wordt verrekend. In die brief is onder meer vermeld dat een bedrag van € 8.797,44 zal worden verrekend met de navorderingsaanslag.

4. Bij brief van 31 mei 2019, bij de Inspecteur op 4 juni 2019 ingekomen, heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag.

5. Bij uitspraak op bezwaar van 15 juli 2019 heeft de Inspecteur het bezwaar niet‑ontvankelijk verklaard omdat het niet binnen de wettelijke termijn is ontvangen.

6. Belanghebbende voert aan dat de navorderingsaanslag niet tijdig is vastgesteld. Als gevolg daarvan is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding, aldus belanghebbende. Belanghebbende betwist dat hij het aanslagbiljet binnen de aanslagtermijn heeft ontvangen en stelt dat de bewijslast over het tijdstip van de juiste bekendmaking rust op de Inspecteur. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het bezwaar terecht niet‑ontvankelijk is verklaard.

7. Ter zitting heeft het Hof als voorlopig oordeel aan partijen voorgehouden dat de Inspecteur met dat wat hij heeft aangevoerd niet het moment van bekendmaking van de navorderingsaanslag aannemelijk heeft gemaakt. Gelet daarop is niet komen vast te staan wanneer de termijn voor het instellen van bezwaar is gaan lopen. Daarnaast is niet komen vast te staan wanneer belanghebbende de navorderingsaanslag heeft ontvangen. Het voorgaande maakt dat de Inspecteur het bezwaar ten onrechte niet‑ontvankelijk heeft verklaard. Het Hof heeft vervolgens aan partijen voorgelegd dat de zaak zal moeten worden teruggewezen naar de Inspecteur. Partijen hebben daarmee ingestemd.

8. Het hoger beroep is dan ook gegrond verklaard en het Hof heeft beslist dat de zaak zal worden teruggewezen naar de Inspecteur.

9. Omdat het Hof het hoger beroep gegrond heeft verklaard, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

10. Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 261 voor de kosten in de bezwaarfase (1 punt (bezwaarschrift)  wegingsfactor 1  € 261), € 1.050 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 525) en € 1.050 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 525), ofwel in totaal op € 2.361. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.C. Pieterse, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. A.I. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2020.

De griffier, De voorzitter,

(A. Vellema) (M.J.C. Pieterse)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 5 januari 2021.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.