Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29-12-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10814, 19/01076

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29-12-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10814, 19/01076

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29 december 2020
Datum publicatie
8 januari 2021
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2020:10814
Zaaknummer
19/01076

Inhoudsindicatie

LH. Schildersbedrijf. Mondelinge arbeidsovereenkomsten. Hoge of lage sectorpremiepercentage voor de WW?

Uitspraak

locatie Arnhem

nummer 19/01076

uitspraakdatum: 29 december 2020.

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] V.O.F. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 juli 2019, nummer AWB 18/3640, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Enschede (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2016 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd (hierna: de naheffingsaanslag). Bij beschikkingen is belastingrente berekend en is een boete opgelegd.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de hiertegen gerichte bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur over de boetebeschikking vernietigd en de boete verminderd.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2020 via videobellen (een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid). Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende exploiteert een schildersbedrijf. In 2013 tot en met 2016 heeft zij vier werknemers (hierna: de werknemers) in dienst gehad. Met de werknemers is belanghebbende mondelinge arbeidsovereenkomsten aangegaan. Geen van deze overeenkomsten is toen schriftelijk vastgelegd.

2.2.

Twee van de werknemers waren in 2019 nog in dienst bij belanghebbende. Belanghebbende heeft de mondelinge arbeidsovereenkomsten die zij met die werknemers was aangegaan vastgelegd in schriftelijke arbeidsovereenkomsten met datum 30 september 2019.

2.3.

De Inspecteur heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over de jaren 2013 tot en met 2016 verricht. Volgens het rapport van dat onderzoek heeft belanghebbende het hoge sectorpremiepercentage voor de berekening van de premies inzake de werknemersverzekering tegen werkloosheid (hierna: de WW) toegepast, maar heeft zij dit percentage over een te laag loonbedrag toegepast. Daarnaast heeft belanghebbende de premiekorting oudere werknemers tot te hoge bedragen in aanmerking genomen. Voor de jaren 2013 tot en met 2016 heeft de Inspecteur daarom respectievelijk € 3.852, € 12.446, € 14.986 en € 16.522 nageheven en een vergrijpboete van € 11.760 opgelegd.

2.4.

De Rechtbank heeft de vergrijpboete verminderd tot € 5.000, rekening houdend met de hoogte van de boete in relatie tot de omvang van de onderneming van belanghebbende en vervolgens tot € 4.750 wegens overschrijding van de redelijke termijn met een half jaar.

3 Geschil

In geschil is of de Inspecteur voor de jaren 2015 en 2016 terecht het hoge in plaats van het lage sectorpremiepercentage voor de WW heeft toegepast. Niet meer in geschil is dat de boete moet worden vernietigd.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing