Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18-02-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1318, 19/00415 en 19/00416

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18-02-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1318, 19/00415 en 19/00416

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18 februari 2020
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2020:1318
Zaaknummer
19/00415 en 19/00416

Inhoudsindicatie

IB/PVV. Ten onrechte negatieve inkomsten uit eigen woning opgenomen in voorlopige aanslagen. Mocht belanghebbende erop vertrouwen dat ook bij de vaststelling van de aanslagen negatieve inkomsten uit eigen woning in aanmerking genomen zouden worden?

Uitspraak

locatie Arnhem

nummer 19/00415 en 19/00416

uitspraakdatum: 18 februari 2020

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 maart 2019, nummers AWB 18/4194 en 18/4197, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn over de jaren 2013 en 2014 de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Bij beschikkingen is belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar die aanslagen en beschikkingen verminderd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2020. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende woonde in 2010 met zijn toenmalige partner in een koopwoning ter zake waarvan hypotheekrente werd betaald. Sinds 1 april 2011 is belanghebbende geen eigenaar meer van een woning. In 2013 en 2014 woonde belanghebbende in een huurwoning. Hij had in die jaren geen fiscale partner.

2.2.

In de over de jaren 2010 en 2011 opgelegde aanslagen IB/PVV zijn negatieve belastbare inkomsten uit eigen woning (hierna: negatieve woninginkomsten) in aanmerking genomen.

2.3.

Met dagtekening 15 januari 2013 is een voorlopige aanslag IB/PVV over het jaar 2013 opgelegd. Met dagtekening 15 januari 2014 is een voorlopige aanslag IB/PVV over het jaar 2014 opgelegd. Bij beide voorlopige aanslagen is rekening gehouden met negatieve woninginkomsten. Beide voorlopige aanslagen leidden tot teruggaven aan belanghebbende van, onderscheidenlijk, € 6.169 en € 6.149.

2.4.

Op 7 november 2014 heeft belanghebbende de aangifte IB/PVV voor het jaar 2013 ingediend. In die aangifte zijn negatieve woninginkomsten van € 45.687 vermeld.

2.5.

Met dagtekening 12 december 2004 heeft belanghebbende een tweede voorlopige aanslag IB/PVV over het jaar 2013 ontvangen, overeenkomstig de ingediende aangifte. Deze belastingaanslag leidde tot een aanvullende teruggave van € 1.986.

2.6.

Op 16 oktober 2015 heeft belanghebbende de aangifte IB/PVV voor het jaar 2014 ingediend. In die aangifte zijn negatieve woninginkomsten van € 49.024 vermeld.

2.7.

Met dagtekening 4 december 2015 heeft belanghebbende een tweede voorlopige aanslag IB/PVV over het jaar 2014 ontvangen, overeenkomstig de ingediende aangifte. Deze belastingaanslag leidde tot een door belanghebbende te betalen bedrag van € 3.451.

2.8.

Tot de gedingstukken behoort een brief met dagtekening 18 januari 2016, waarin belanghebbende (kort en zakelijk samengevat) de Inspecteur informeert over de onjuistheid van de voorlopige aanslagen.

2.9.

Met dagtekening 22 april 2016 heeft belanghebbende een derde voorlopige aanslag IB/PVV over het jaar 2014 ontvangen. Deze belastingaanslag leidde tot een door belanghebbende te betalen bedrag van € 2.721.

2.10.

Bij de aanslagen over de jaren 2013 en 2014, zoals die luiden na de uitspraken op bezwaar, zijn geen negatieve woninginkomsten in aanmerking genomen. Door de verrekening van de voornoemde voorlopige aanslagen met die definitieve aanslagen moest belanghebbende bedragen op die (definitieve) aanslagen betalen.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de belastbare inkomens uit werk en woning moeten worden verminderd met de bij de voorlopige aanslagen over de jaren 2013 en 2014 in aanmerking genomen negatieve woninginkomsten.

3.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en concludeert, naar het Hof verstaat, tot vermindering van de aanslagen.

3.3.

De Inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing