Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25-02-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1516, 18/00573 en 18/00574

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25-02-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1516, 18/00573 en 18/00574

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25 februari 2020
Datum publicatie
6 maart 2020
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2020:1516
Zaaknummer
18/00573 en 18/00574

Inhoudsindicatie

IB/PVV. Inkomsten uit een persoonsgebonden budget. Heeft belanghebbende de zorg verleend of is hij met betrekking tot de op zijn bankrekening gestorte bedragen als tussenpersoon of kassier opgetreden? Geloofwaardigheid mondelinge verklaringen.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummers 18/00573 en 18/00574

uitspraakdatum: 25 februari 2020

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z]

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) van 30 mei 2018, nummers AWB 17/6131 en 17/6132, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) met aanslagnummer [0000.00.000] .H.46.01 opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 71.215. Tevens is bij beschikking € 1.032 belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) met aanslagnummer [0000.00.000] .W.46.01.4 opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 11.629. Tevens is bij beschikking € 16 belastingrente in rekening gebracht.

1.3.

De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 5 oktober 2017 de aanslagen en de beschikkingen belastingrente gehandhaafd.

1.4.

Belanghebbende is tegen die uitspraken op 7 november 2017 in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank). De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank op 6 juli 2018 hoger beroep ingesteld.

1.6.

De eerste zitting heeft plaatsgehad op 5 september 2019. Daar zijn verschenen en gehoord [A] als gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur [B] en [C] . Ter zitting heeft belanghebbende een formulier proceskosten overgelegd. Het hof heeft het onderzoek op de zitting gesloten. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.7.

Belanghebbende heeft op 18 september 2019 schriftelijk gereageerd naar aanleiding van hetgeen op de zitting is besproken. Deze reactie heeft het hof aanleiding gegeven om het onderzoek te heropenen en [D] (hierna: [D] ) en [E] ( [E] ) als getuigen op te roepen. Het hof heeft dit op 18 september 2019 meegedeeld aan partijen.

1.8.

Het hof heeft bij brief van 30 september 2019 belanghebbende opgeroepen om op de zitting van 31 januari 2020 in persoon te verschijnen. Tevens zijn bij brieven van 30 september 2019 [D] en [E] opgeroepen om op 31 januari 2020 als getuigen te verschijnen in de zaak van belanghebbende.

1.9.

[E] heeft op 30 januari 2020 een schriftelijke verklaring overgelegd waarin staat dat het vanwege ernstige beperkingen voor hem niet mogelijk is om te getuigen. Onderaan het bericht staat de naam van dr. [F] , huisarts. De verklaring is niet getekend.

1.10.

Partijen hebben voor de zitting ieder een brief ingediend met daarin een overzicht van vragen die zij aan de getuigen wilden stellen.

1.11.

De nadere zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2020. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde mr. [A] , en namens de inspecteur mr. [B] , mr. [G] en mr. [C] . Tevens is [D] verschenen om als getuige gehoord te worden. Partijen zijn erop gewezen, dat de samenstelling van de meervoudige belastingkamer is gewijzigd en dat de zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevond op 5 september 2019.

1.12.

Aan het einde van de zitting heeft het hof het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2014 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit woning en werk van € 37.172. In die aangifte is een bedrag van € 39.785 vermeld aan belastbare inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking. In de aangifte is geen bedrag aan belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden vermeld.

2.2.

Tot de stukken van het geding behoren drie exemplaren van een “Verantwoordingsformulier persoonsgebonden budget (PGB) AWBZ”. De formulieren zien op de periodes van respectievelijk 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2014, 1 juli 2014 tot en met 17 augustus 2014 en 18 augustus 2014 tot en met 31 december 2014. In elk van die stukken is [D] , met een relatienummer, geboortedatum en burgerservicenummer, vermeld als budgethouder. Ook is [D] vermeld als ondertekenaar van de formulieren. In de formulieren is aangegeven dat aan belanghebbende in 2014 als zorgverlener achtereenvolgens € 13.340, € 4.850 en € 15.400 bruto ofwel in totaal € 33.400 is uitbetaald vanwege individuele begeleiding. Uit een door de Belastingdienst ontvangen renseignement van PGB-betalingen blijken dezelfde aan belanghebbende in 2014 uitgekeerde bedragen in verband met zorgverlening.

2.3.

Uit de bankafschriften van belanghebbende blijkt dat hij de volgende betalingen heeft

ontvangen:

Datum

Bedrag

Omschrijving

13 januari 2014

€ 2.200

Zorg inkoop periode januari 2014

13 maart 2014

€ 2.145

Zorg inkoop periode februari 2014

3 april 2014

€ 2.145

Zorg inkoop periode maart 2014

14 mei 2014

€ 2.250

Zorg inkoop periode april 2014

27 mei 2014

€ 2.350

Zorg inkoop periode mei 2014

1 juli 2014

€ 2.250

Zorg inkoop periode juni 2014

17 juli 2014

€ 2.350

Zorg inkoop periode juli 2014

9 september 2014

€ 3.500

Zorg inkoop periode augustus 2014

9 september 2014

€ 3.500

Zorg inkoop periode september 2014

30 oktober 2014

€ 3.700

Zorg inkoop periode oktober 2014

Totaal

€ 26.390

De betalingen zijn afkomstig van bankrekeningnummer [00001] , dat op

naam van [D] staat. Belanghebbende heeft over de maanden november en december 2014 geen bankafschriften overgelegd.

2.4.

Tijdens het getuigenverhoor van [D] heeft deze onder meer een “Verklaring van Zorg” overgelegd. Deze verklaring heeft betrekking op zorgverlening in 2014 en daarin staat [D] vermeld als zorgvrager en belanghebbende als zorgverlener. De verklaring is getekend door de zorgvrager en de zorgverlener. Het aantal uren dat per week zorg wordt verleend en het uurtarief zijn niet ingevuld. Tevens heeft [D] afschriften van zijn betaalrekening van ING overgelegd. Hieruit blijken, naast een aantal andere overboekingen, overboekingen van de rekening van [D] naar de rekening van belanghebbende van resp. € 3.500 (Zorg inkoop periode november 2014) en € 3.700 (Zorg inkoop periode december 2014).

2.5.

Op de door belanghebbende overgelegde bankafschriften zijn (onder meer) de volgende contante opnames van bedragen vermeld:

Datum

Bedrag

14 januari 2014

€ 2.000

15 maart 2014

€ 2.000

3 april 2014

€ 1.500

26 april 2014

€ 2.000

15 mei 2014

€ 2.000

27 mei 2014

€ 2.000

27 mei 2014

€ 1.000

28 mei 2014

€ 1.600

25 juni 2014

€ 500

25 juni 2014

€ 2.000

1 juli 2014

€ 2.550

17 juli 2014

€ 2.000

1 juli 2014

€ 2.000

9 september 2014

€ 2.000

9 september 2014

€ 500

10 september 2014

€ 2.500

10 september 2014

€ 2.000

31 oktober 2014

€ 3.500

Totaal

€ 33.650

2.6.

Bij het opleggen van de aanslagen heeft de inspecteur het inkomen verhoogd met een bedrag van € 33.650 aan resultaat uit overige werkzaamheden vanwege de verlening van zorg aan [D] . Door de verhoging van dit inkomen is de giftenaftrek van € 453 komen te vervallen. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 71.215.

2.7.

De rechtbank heeft het verzoek van belanghebbende om [D] als getuige op te roepen afgewezen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de inspecteur het hoorrecht en het inzagerecht niet heeft geschonden, dat de uitspraak op bezwaar voldoende is gemotiveerd en dat de inspecteur terecht een resultaat uit overige werkzaamheden van € 33.650 in het belastbaar inkomen en het bijdrage-inkomen heeft begrepen. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

2.8.

Ter nadere zitting van het hof heeft belanghebbende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende verklaard:

“Ik was lange tijd heel goed bevriend met [E] en ik kende dus ook [D] . In 2015 heeft [E] mij nog financieel geholpen toen mijn vader en moeder overleden. Op een bepaald moment is [E] naar mij toegekomen met de vraag of ik hem kon helpen. Hij was bang dat er problemen zouden komen met zijn uitkering. Hij zei dat, omdat hij was afgekeurd, hij geen extra geld mocht krijgen. Bij iemand die werkt was dat geen probleem. Hij vroeg of hij mijn bankrekening mocht gebruiken. Dat heb ik toegestaan. We kenden elkaar al zo lang en we waren heel hecht. Ik wist verder niet precies waarover het ging. Als het geld binnenkwam dan nam ik het op en dan bracht ik het naar hem toe; soms kwam hij het halen. Soms mocht ik wat houden als onkosten, zo’n € 200 per keer; we hebben elkaar altijd gesteund. Toen ik problemen kreeg met de belastingdienst ben ik naar hem toegegaan om dat te bespreken. Eerst zei hij dat hij het op zou lossen en dat het niet de bedoeling was dat ik belasting moest betalen. Maar toen er niets gebeurde heb ik gevraagd of hij mee wilde gaan naar de belastingdienst. Dat wilde hij niet en toen heeft hij het contact verbroken. Ik vind het heel erg dat hij dit zo gedaan heeft.

Ik weet niet of [D] zorg nodig had. Hij heeft wel 10-12 jaar geleden een zwaar ongeluk gehad, maar in of rond 2014 zag ik niet dat hij ziek was. Hij trainde en sportte veel. Ik heb nooit zorg verleend aan [D] .”

2.9.

Tijdens het getuigenverhoor van [D] heeft deze, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende verklaard:

“Ik ben 26 jaar en heb in 2006 een ernstig ongeluk gehad. Toen moest ik ongeveer een jaar revalideren en ik heb er hersenletsel aan overgehouden. Ik ben tijdens de revalidatie en ook daarna naar school gegaan. Eerst naar de gewone middelbare school, maar dat ging niet zo goed. Daarna naar het speciaal onderwijs, waar ik niveau 1 gehaald heb. Daarna heb ik tot mijn 18e of 19e jaar nog wel allerlei opleidingen gevolgd, maar door concentratieproblemen is dat uiteindelijk niets geworden. Vanaf toen krijg ik een Wajong-uitkering. Ik heb ook een hartoperatie gehad. Ik heb altijd veel aan sport gedaan, voetbal en fitness. Zo bleef ik op het goede pad. Ik heb nooit alcohol gedronken of drugs gebruikt. In 2014 heb ik mijn meniscus en mijn kruisband gescheurd. Toen moest ik stoppen met voetbal. Fitness doe ik nu nog steeds. Toen ik mijn kruisband gescheurd had, had ik veel zorg nodig. Dat herstel heeft wel een jaar geduurd. Ik woonde toen bij mijn vader. Ik weet niet vanaf wanneer ik zorg heb gekregen. Ik heb verschillende zorgverleners gehad, onder wie [X] (hierna: [X] ). Ik ging in die tijd ook wel naar een zorginstelling, waar je samen dingen kon doen, zoals spelen en koken. Dat was meer voor het sociale aspect. Ik ken [X] al lang, via mijn vader. Ik zag hem bijna elke week bij mij thuis toen ik bij mijn vader woonde. [X] verleende zorg. Hij heeft mij hier en daar naar toe gebracht. Tijdens mijn revalidatie kwam hij me regelmatig met de auto ophalen en wegbrengen naar het revalidatiecentrum. Dat was na mijn ongeluk in 2006 en ook nadat ik mijn kruisband had gescheurd. Ik weet niet hoe lang [X] zorg aan mij heeft verleend, ik weet niet of er afspraken gemaakt waren over het ophalen en wegbrengen naar het revalidatiecentrum. Ik weet niet of [X] op een bepaalde dag in de week kwam, ik weet niet of hij overdag of 's avonds kwam en ik weet ook niet hoeveel uren hij kwam. Ik onthoud niet makkelijk. De zorg bestond uit meerdere dingen. Andere zorgverleners hebben mij geholpen met koken. Ik weet niet wat voor beroep [X] uitoefent. Mijn vader regelde altijd de zorgverleners en het administratieve gedeelte. Mijn vader heeft mij af en toe ook verzorgd. Dat hoort een vader te doen. Hij kreeg daarvoor niet betaald.

In 2015/2016 ben ik op mezelf gaan wonen en ik ben daarna ook 1 ½ jaar getrouwd geweest. Nu ben ik gescheiden. Vanaf de tijd dat ik op mezelf ging wonen heb ik geen zorg meer gehad.”

3 Geschil

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

  1. Heeft de inspecteur in de bezwaarfase terecht afgezien van het horen en het verlenen van inzage in de stukken?

  2. Heeft belanghebbende naast zijn werkzaamheden in loondienst zorgwerkzaamheden verricht waarmee hij een bedrag van € 33.650 heeft verdiend?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2014 tot

een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.172, vermindering van de aanslag Zvw tot nihil en dienovereenkomstige vermindering van de beschikkingen belastingrente.

De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

5 Ten aanzien van het griffierecht

6 Ten aanzien van de kosten van het bezwaar

7 Ten aanzien van de proceskosten

8 Beslissing