Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 07-04-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:2707, 19/00298

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 07-04-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:2707, 19/00298

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
7 april 2020
Datum publicatie
10 april 2020
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2020:2707
Formele relaties
Zaaknummer
19/00298

Inhoudsindicatie

Participaties in Filmfonds geen bron van inkomen. Niet aannemelijk dat objectief bezien redelijkerwijs te verwachten viel dat met de participaties – vóór toepassing van fiscale faciliteiten – een voordeel kon worden behaald. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel faalt.

Uitspraak

locatie Leeuwarden

nummer 19/00298

Uitspraakdatum: 7 april 2020

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 februari 2019, nummer LEE 17/4205, ECLI:NL:RBNNE:2019:378, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/MKB/Kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Bij beschikking is belastingrente berekend.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2020. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende neemt vanaf het jaar 2013 deel in het Filmfonds [A] (het Filmfonds).

2.2.

Voor dit Filmfonds is een prospectus opgesteld, genaamd “Aanbod voor particuliere belastingplichtigen in Nederland: Investeren in [A] filmfonds” van februari 2013 (de prospectus). Uit de prospectus blijkt onder meer het volgende:

2.2.1.

Het Filmfonds is een maatschap die tot doel heeft twee films te produceren en te exploiteren, te weten: [B] en [C] .

2.2.2.

Het Filmfonds heeft maximaal 171 participanten, waarvan één participant, [D] BV, de beherend vennoot is die met uitsluiting van de overige participanten belast is met het beheer en bestuur van de maatschap (de Managing Partner). De andere maximaal 170 participanten kunnen deelnemen in het kapitaal van het Filmfonds voor ten hoogste vijf participaties van € 10.000 per stuk (de andere participanten).

2.2.3.

De Managing Partner heeft de verfilmingsrechten van de beide films in economische zin in het Filmfonds ingebracht, waardoor de economische eigendom van de verfilmingsrechten toekomt aan de gezamenlijke participanten. De juridische eigendom blijft toebehoren aan de Managing Partner.

2.2.4.

De voortbrengingskosten van de films komen op basis van de maatschapsovereenkomst tot maximaal een bedrag van twee keer de inleg ten laste van de 170 participaties van de andere participanten. De resterende voortbrengingskosten komen ten laste van de Managing Partner.

2.2.5.

De totale kosten voor de productie en de exploitatie van de twee films zijn in de prospectus begroot op € 5.904.484. De Managing Partner zal een bedrag van € 3.089.484 als eigen vermogen inbrengen. De overige participanten zullen een bedrag van € 1.700.000 als eigen vermogen inbrengen. Een bedrag van € 1.115.000 zal worden gefinancierd als pre-sales van TV-opbrengsten, sponsoring en distributie.

2.3.

In het voorwoord van de prospectus is opgenomen dat het voor een participant van belang is om voldoende aftrekmogelijkheden te hebben, in bij voorkeur de 52%-schaal, en dat het rendement bestaat uit mogelijke belastingbesparing in combinatie met het belaste aandeel in de inkomsten.

2.4.

De schatting van de exploitatieopbrengsten voor het Filmfonds is in de prospectus weergegeven in de vorm van zeven rendementsscenario’s, van ‘Flop’ tot ‘Very high’. Deze rendementsscenario’s zijn vastgesteld door deskundigen uit de branche, onder andere distributeurs, op grond van hun ervaringen en aan de hand van de box-officeopbrengsten (de opbrengst van de kaartverkoop aan de kassa bij de bioscopen) van vergelijkbare (commerciële) films en opbrengsten uit DVD, VOD (video on demand), Pay-tv, Ancillary en omzet in het buitenland. In de prospectus is opgenomen dat de werkelijke opbrengsten afhangen van genre, tijdstip, marktomstandigheden en zelfs toeval. Bij de beschrijving van de risico’s die verbonden zijn aan deelname in het Filmfonds wordt vermeld dat inkomsten ontvangen uit de exploitatie van films zowel naar de aard van het product als naar de aard van de (afzet)markt onzeker zijn.

2.5.

Het rendement op een participatie wordt volgens de prospectus (p. 17) gevormd door een samenstel van twee componenten: enerzijds de opbrengsten uit exploitatie die de films zullen genereren en anderzijds de mogelijke fiscale voordelen van een participatie in het Filmfonds. Bij de rendementsberekeningen is per film rekening gehouden met belastingbesparing in box 1 van de Wet IB 2001, tegen een tarief van 52% dan wel 42%.

2.6.

De rendementsberekening van [B] bij een IB tarief van 52% is als volgt (bedragen in €):

Rendementsberekening bij IB 52%

flop

low

low medium

medium

medium high

high

very high

Inleg

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

Afschrijving ineens

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

10.000

Mkb 14% bij aftrek

1.400

1.400

1.400

1.400

1.400

1.400

1.400

Aftrek eerste jaar van productie

8.600

8.600

8.600

8.600

8.600

8.600

8.600

Belastingbesparing box 1 52% voor première

4.472

4.472

4.472

4.472

4.472

4.472

4.472

Belastingbesparing box 3 eerste jaar

60

60

60

60

60

60

60

Inkomsten per participatie na première

0

1.099

1.992

3.999

5.725

12.058

19.866

Mkb 14% af van inkomsten

0

154

279

560

802

1.688

2.781

Belasting over inkomsten (IB 52%)

0

492

891

1.788

2.560

5.392

8.884

Totaal effect belastingen en inkomsten

4.532

5.140

5.633

6.743

7.697

11.198

15.514

Rendement (IB 52%) in %

-9,36

2,79

12,66

34,85

53,94

123,95

210,28

Voor de film [C] is ook een dergelijke rendementsberekening in de prospectus opgenomen.

2.7.

In de prospectus zijn de box-officeopbrengsten van 35 willekeurige Nederlandse films opgenomen, waarvan de gegevens afkomstig zijn van de bron: www.nfcstatistiek.nl.

2.8.

De te verwachten rendementen zijn per film, zonder rekening te houden met de belastingbesparing en belastingheffing, als volgt (bedragen in €):

[B] :

Rendementsberekening

flop

low

low medium

medium

medium high

high

very high

Inleg

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

Inkomsten

0

1.099

1.992

3.999

5.725

12.058

19.866

Totaal effect

-5.000

-3.901

-3.008

-1.001

725

7.058

14.866

Rendement in %

-100,00

-78,02

-60,16

-20,02

14,50

141,16

297,32

[C] :

Rendementsberekening

flop

low

low medium

medium

medium high

high

very high

Inleg

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

Inkomsten

0

1.099

1.663

3.976

5.702

11.853

19.661

Totaal effect

-5.000

-3.901

-3.337

-1.024

702

6.853

14.661

Rendement in %

-100,00

-78,02

-66,74

-20,48

14,04

137,06

293,22

2.9.

De rendementen van de verschillende rendementsscenario’s worden behaald bij de volgende box-officeopbrengsten (in €):

flop

low

low medium

medium

medium high

high

very high

0

1.000.000

1.500.000

3.000.000

5.000.000

10.000.000

15.000.000

2.10.

De film [B] heeft afgerond een bezoekersaantal van 550.000 en een box-officeopbrengst van € 4.500.000 gerealiseerd en de film [C] heeft afgerond een bezoekersaantal van 90.000 en een box-officeopbrengst van € 625.000 gerealiseerd.

2.11.

Belanghebbende heeft met drie participaties van elk € 10.000 in het Filmfonds deelgenomen. In de jaren 2013 tot en met 2017 hebben de drie participaties van belanghebbende in het Filmfonds, volgens de aangiften in de IB/PVV tot de volgende resultaten geleid (welke zijn aangegeven als winst uit onderneming en waarbij rekening is gehouden met de MKB-winstvrijstelling):

2013

-51.600

2014

8.637

2015

4.587

2016

309

2017

nihil

2.12.

In augustus 2015 heeft een controleambtenaar van de Belastingdienst een derdenonderzoek (het onderzoek) ingesteld bij de maatschap [A] . Van de bevindingen van het onderzoek is een rapport opgesteld met dagtekening 11 maart 2016. In het rapport is – kort gezegd – geconcludeerd dat de participaties in het Filmfonds voor de participanten geen bron van inkomen vormen.

2.13.

Bij de aanslagregeling over 2013 heeft de Inspecteur, conform de bevindingen van het onderzoek, het standpunt ingenomen dat belanghebbendes participaties in het Filmfonds niet kunnen worden aangemerkt als een bron van inkomen. Als gevolg daarvan heeft de Inspecteur het aangegeven inkomen uit werk en woning met € 51.600 gecorrigeerd en het belastbare inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 71.805.

3 Geschil

In geschil is of de participaties in het Filmfonds voor belanghebbende in 2013 een bron van inkomen vormen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend. Voorts heeft belanghebbende een beroep gedaan op (verschillende varianten op) het gelijkheids- en het vertrouwensbeginsel.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing