Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 09-06-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4440, 18/01217

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 09-06-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4440, 18/01217

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
9 juni 2020
Datum publicatie
19 juni 2020
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2020:4440
Zaaknummer
18/01217

Inhoudsindicatie

Wet Woz. Waardevaststelling woonzorgcentrum.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummer 18/01217

uitspraakdatum: 9 juni 2020

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 november 2018, nummer UTR 18/575, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] te [A] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2016 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2017 vastgesteld op € 5.135.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag onroerendezaakbelasting eigenarenheffing (OZBE) voor het jaar 2017 vastgesteld op € 9.124,90 en is de aanslag watersysteemheffing gebouwd (WSH) voor het jaar 2017 vastgesteld op € 1.345,37.

1.2.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslagen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2019. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak is een in het jaar 1855 gebouwde villa, een rijksmonument, welke in het jaar 2005 is verbouwd tot een woonzorgcentrum. De onroerende zaak heeft een bruto vloeroppervlakte (BVO) van 1.775 m2. De kadastrale oppervlakte bedraagt 7.420 m2. De villa biedt woonzorgruimte aan ouderen. Er zijn 16 appartementen, verdeeld over vier woonlagen. Hiervan zijn er 13 voor permanent verblijf bestemd en drie voor tijdelijke bewoning. Alle appartementen beschikken over eigen sanitaire voorzieningen.

2.2.

De heffingsambtenaar heeft de vastgestelde waarde onderbouwd met een door [B] , WOZ-taxateur, op 22 maart 2018 uitgebracht taxatierapport waarin de waarde per de waardepeildatum is bepaald op € 5.135.000. In het rapport is vermeld dat belanghebbende eigenaar is van de onroerende zaak en dat [C] B.V. gebruiker is. Volgens het rapport zijn uitstraling/type, bouwkundige kwaliteit en onderhoudstoestand van de onroerende zaak ‘goed’. De waarde van de onroerende zaak is bepaald door vergelijking met verkoopgegevens van drie referentieobjecten, allemaal woonzorgcentra, aan de [b-straat] 31 te [A] (hierna: [b-straat] ), [c-straat] 26 te [D] (hierna: [c-straat] ) en [d-straat] 30 te [E] (hierna: [d-straat] ). Als onderbouwing van de waardering van de onroerende zaak zijn in een matrix de volgende gegevens vermeld:

Onroerende zaak

[b-straat]

[c-straat]

[d-straat]

Datum verkoop

27-03-2014

25-02-2014

21-12-2016

Verkoopprijs €

4.150.000

9.660.000

6.766.917

Bouw/renovatie

1855/2005

1878/2012

1989/2014

1959/2016

BVO m2

1.775

1.078

3.021

2.500

Kavel totaal m2

7.420

5.186

6.070

4.655

Onderhoud

Goed

Goed

Goed

Goed

Uitstraling

Goed

Goed

Goed

Voldoende

Verkoopprijs per m2 BVO €

3.850

3.198

2.707

Gehanteerde prijs per m2 €

2.893

De waarde van de onroerende zaak is bepaald door vermenigvuldiging van de BVO (1.775 m2) met een waarde van € 2.893 per m2.

2.3.

Belanghebbende heeft de door haar verdedigde waarde onderbouwd met een door [F] RT op 24 november 2017 uitgebracht taxatierapport, waarin de waarde per de waardepeildatum is bepaald op € 1.900.000. Volgens dit rapport zijn de bouwaard, materialen en constructie van de onroerende zaak ‘matig’. De bouwkundige staat is ‘matig’ en overeenkomstig de bouwperiode. De onderhoudstoestand en uitstraling van de onroerende zaak zijn ‘uitstekend’. In het rapport is vermeld dat bepaling van de waarde in het economische verkeer heeft plaatsgevonden door toepassing van de vergelijkingsmethode en de huurwaarde kapitalisatiemethode (hierna: hwk-methode). Bij de toepassing van die laatste methode is een aantal omstandigheden in aanmerking genomen:

– Beperkte exploitatiemogelijkheden van de onroerende zaak.

– Hoge beheerskosten.

– Hoge onderhoudskosten (mede door de monumentale status).

– Het algehele risico dat investeren in het onderhavige object met zich brengt.

Volgens het rapport is met deze aspecten rekening gehouden bij het vaststellen van de kapitalisatiefactor (o.a. verhoging beheers- en onderhoudskosten, inschatting opslag-risico). De berekening op basis van de hwk-methode is vervolgens, aldus het rapport, vergeleken met een berekening op basis van de vergelijkingsmethode, waarin verkooptransacties zijn betrokken van soortgelijke objecten in [A] (met een afwijkende bestemming) en marktinformatie van objecten die wat betreft bestemming wel vergelijkbaar zijn. De conclusie luidt dat de berekening volgens de hwk-methode hoger uitkomt.

2.4.

In het rapport van belanghebbende is de door vergelijking bepaalde waarde gesteld op € 1.788.000, zijnde 1.431 m2 (verhuurbare vloeroppervlakte = VVO) x € 1.250 per m2. Dit laatste bedrag is bepaald door vergelijking met twee gerealiseerde verkoopprijzen en één vraagprijs (koopsom/vraagprijs gedeeld door VVO). De met toepassing van de hwk-methode bepaalde waarde bedraagt volgens het rapport van belanghebbende € 1.889.109 (afgerond € 1.900.000). De huurwaarde per jaar is bepaald door 1.431 m2 VVO te vermenigvuldigen met huurwaarde van € 175 per m2, wat neerkomt op een huurwaarde van € 250.425. De kapitalisatiefactor is volgens de zogenaamde bottom-up methode berekend. Hierbij zijn de onderhoudskosten en vaste lasten gesteld op 4% respectievelijk 3% van de herbouwwaarde en de beheerskosten en het leegstandsrisico op 4% respectievelijk 20% (12 maanden per 5 jaar) van de bruto-huur, waardoor de netto-huur 69% bedraagt van de bruto-huur. Het basisrendement is gesteld op 0,79%-punt en het opslagrisico op 8,50%-punt. Rekening houdend met een correctie wegens kosten koper van 6% komt de kapitalisatiefactor uit op 7,0. Vervolgens is de waarde bepaald op: € 250.425 huurwaarde x 7,0 kapitalisatiefactor = € 1.754.709. Dit bedrag is verhoogd met € 134.400, zijnde de als extra grond (park) aangemerkte oppervlakte van het perceel van 3.840 m2 x € 35/m2.

2.5.

Belanghebbende heeft de onroerende zaak op 12 december 2018 in verhuurde staat verkocht voor € 4.285.000. De koper heeft de onroerende zaak op diezelfde dag doorverkocht aan een derde voor circa € 4.900.000.

3 Geschil

3.1.

In geschil is de waarde van de onroerende zaak per de waardepeildatum.

3.2.

Belanghebbende verdedigt een waarde van € 1.900.000 (primair) dan wel € 2.948.423 (subsidiair), terwijl de heffingsambtenaar de bij beschikking vastgestelde waarde van € 5.135.000 verdedigt.

3.3.

Ter zitting heeft belanghebbende haar grief over het bij het opleggen van de aanslag OZBE te hanteren tarief (woning dan wel niet-woning) laten varen.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing