Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28-07-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5726, 19/00808 t/m 19/00810

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28-07-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5726, 19/00808 t/m 19/00810

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28 juli 2020
Datum publicatie
7 augustus 2020
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2020:5726
Formele relaties
Zaaknummer
19/00808 t/m 19/00810

Inhoudsindicatie

OB. Recreatieparken brengen huurders en eigenaren van een kavel een vergoeding in rekening voor waterschapslasten. Recreatieparken hanteren een andere berekeningsmethode dan waterschap. Belaste handeling voor de omzetbelasting? Uitschot van belasting? Doorlopende post?

Uitspraak

locatie Arnhem

nummers 19/00808 tot en met 19/00810

uitspraakdatum: 28 juli 2020

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Almere (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 mei 2019, nummers AWB 17/6313, 17/6314 en 17/6316, ECLI:NL:RBGEL:2019:1951, in het geding tussen de Inspecteur en

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn over de tijdvakken 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011, 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 en 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd. Bij beschikkingen is heffingsrente (tijdvak 2011) dan wel belastingrente (overige tijdvakken) berekend.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslagen en de beschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraken van de Inspecteur, de naheffingsaanslagen en de beschikkingen vernietigd. Voorts heeft de Rechtbank een proceskostenvergoeding toegekend en de Inspecteur gelast het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

1.4.

De Inspecteur heeft hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft via beeldbellen plaatsgevonden op 14 juli 2020. Het hoger beroep is met instemming van partijen gelijktijdig behandeld met de hoger beroepen die de Inspecteur heeft ingediend betreffende [A] B.V. (nummers Hof 19/00804 tot en met 19/00807) en [B] B.V. (nummer Hof 19/00811). Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is op 20 november 1998 opgericht en exploiteert verschillende bosparken, chaletparken en campings (hierna: de parken). Belanghebbende verhuurt een deel van de kavels in de parken aan parkrecreanten. Hiervoor ontvangt belanghebbende huur. Ook is een deel van de kavels eigendom van parkrecreanten. In dat geval betalen de parkrecreanten een bijdrage aan belanghebbende voor - kort gezegd - de toegang tot het park, waar zij gebruik kunnen maken van de faciliteiten zoals water en elektriciteit.

2.2.

Huurders en eigenaren van een kavel gebruiken de kavel voor het plaatsen van een chalet. Elk chalet heeft een aansluiting op het waterleidingnetwerk op het park.

2.3.

Het Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus-Tricijn (hierna: GBLT) brengt zuiveringsheffing in rekening bij belanghebbende. De hoogte hiervan wordt vastgesteld door vermenigvuldiging van het aantal vervuilingseenheden met een tarief.

2.4.

Belanghebbende berekent waterschapslasten door aan de huurders en eigenaren van de kavels. In de praktijk betreft dit de zuiveringsheffing. De hoogte van het bedrag wordt vastgesteld door vermenigvuldiging van het aantal kubieke meters afgenomen water met € 1,25. De waterafname wordt niet bij elke parkrecreant tegelijk gemeten, maar gewoonlijk eenmaal per jaar en bij beëindiging van het verblijf. Over deze waterschapslasten berekent belanghebbende geen omzetbelasting. Zij heeft hierover ook geen omzetbelasting aangegeven en voldaan.

2.5.

Tussen de totaal van [C] afgenomen hoeveelheid water en het totaal van de meterstanden van de individuele meters bestaat een verschil. Belanghebbende voert aan dat dit wordt veroorzaakt door:

• Niet gelijktijdig opnemen van meters van [C] en de individuele parkrecreanten.

• Niet precies een jaar later opnemen van meters van individuele parkrecreanten.

• Lekverliezen doordat meters niet geijkt zijn en daardoor langzamer kunnen lopen. Hierdoor wordt het waterverbruik te laag vastgesteld. Het is niet aannemelijk dat meters sneller gaan lopen. Het langzamer lopen wordt doorgaans veroorzaakt door slijtage van meters. In dit kader merkt belanghebbende op dat de parken beschikken over gedateerde meters, hetgeen eerder leidt tot lekverliezen.

• Lekverliezen doordat gebruik wordt gemaakt van koppelingen. Deze koppelingen zijn niet altijd precies goed (af)gemonteerd of zijn onderhevig aan slijtage. Hierdoor lekt water weg.

• Lekverliezen door lekkage bij leidingen in de chalets dan wel op het park.

2.6.

Tijdens de controle is geconstateerd dat volgens de financiële administratie 2013 de opbrengsten (doorberekening aan parkrecreanten) en kosten (in rekening gebrachte zuiveringsheffing) respectievelijk € 16.614 en € 9.319 bedragen. Dit resulteert in een verschil van € 7.295.

2.7.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de zuiveringsheffing een uitschot van belasting is en dat over de doorberekende lasten geen omzetbelasting is verschuldigd.

3 Geschil

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

-

Vormt het uitoefenen van het verhaalsrecht van de zuiveringsheffing op de voet van artikel 122d, derde lid, Waterschapswet een aan de omzetbelasting onderworpen prestatie;

-

Is sprake van een uitschot van belasting;

-

Is sprake van een doorlopende post;

-

Zijn het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel geschonden;

-

Heeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade.

4 Beoordeling van het geschil

5 Proceskosten

6 Beslissing