Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13-04-2021, ECLI:NL:GHARL:2021:3447, 18/00891 en 18/00892

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13-04-2021, ECLI:NL:GHARL:2021:3447, 18/00891 en 18/00892

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13 april 2021
Datum publicatie
16 april 2021
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2021:3447
Formele relaties
Zaaknummer
18/00891 en 18/00892

Inhoudsindicatie

Het Hof acht de termijnoverschrijding van het te laat ingediende beroepschrift niet verschoonbaar.

Uitspraak

locatie Leeuwarden

nummers 18/00891 en 18/00892

uitspraakdatum: 13 april 2021

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 11 september 2018, in de zaken met nummers LEE 17/2005 en 17/2006, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is over het jaar 2008 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.928. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 2.519.

1.2

Aan belanghebbende is over het jaar 2010 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.421. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 76.

1.3

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur in één geschrift bij uitspraken op bezwaar de bestreden belastingaanslagen en beschikkingen gehandhaafd.

1.4

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen bij uitspraak van 11 september 2018, verzonden op 21 september 2018, niet-ontvankelijk verklaard.

1.5

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, de van de Rechtbank ontvangen dossiers die op deze zaken betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.7

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2021 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede mr. [A] namens de Inspecteur.

1.8

Belanghebbende heeft met toestemming van de Inspecteur een pleitnota met bijlagen overgelegd en de pleitnota voorgedragen.

1.9

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Op 15 juli 2014 heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaarschrift tegen de hiervoor - onder 1.1 en 1.2 - vermelde navorderingsaanslagen ontvangen.

2.2

De Inspecteur heeft in het kader van de bezwaarprocedure op 14 november 2014 een brief van belanghebbende ontvangen waarin deze te kennen geeft dat het correspondentieadres gewijzigd dient te worden in: Postbus [000] , [B] . De Inspecteur heeft dit postadres in verband met een fout in de postcode aangepast in: Postbus [000] , [B-1] .

2.3

Uit de gegevens van het systeem Beheer van Relaties (BvR) blijkt dat voor belanghebbende in de periode tussen 20 januari 2015 en 17 juni 2015 het adres Postbus [000] , [B-1] als verplicht toezendadres is geregistreerd.

2.4

De Inspecteur heeft op 23 februari 2015 per aangetekende post de vooraankondigingen van de uitspraken op bezwaar voor de jaren 2008 en 2010 met dagtekening respectievelijk 20 en 22 februari 2015 verstuurd naar het hiervoor bedoelde verplichte toezendadres.

2.5

Belanghebbende heeft gedagtekend 18 juli 2015 een brief gestuurd aan de Inspecteur waarin hij in het kader van de bezwaren tegen de hiervoor – onder 1.1 en 1.2 – bedoelde navorderingsaanslagen en beschikkingen heffingsrente onder meer laat weten nog geen uitspraak op bezwaar te hebben ontvangen en te persisteren in zijn bezwaren. De Inspecteur heeft deze brief op 21 juli 2015 ontvangen.

2.6

De Rechtbank heeft de hiervoor – onder 2.5 – bedoelde brief als beroepschrift aangemerkt.

2.7

Het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank luidt onder meer als volgt (waarin met “eiser” belanghebbende wordt bedoeld en met “ verweerder” de Inspecteur):

Rechter:

Ik heb in ieder geval gezien dat postbus [000] als uw toezendadres staat vermeld van 20 januari 2015 en dat die is vervallen per 15 juni 2015.

Eiser :

Er zal vast veel post naar toe zijn gegaan, maar ik heb dat nooit opgehaald. Het moet dus retour zijn gegaan. Ik heb het niet opgehaald omdat ik niet altijd een auto ter beschikking had en ik had ook niet voldoende geld om daarheen te gaan.

Gemachtigde van verweerder :

Eiser heeft zelf die postbus geopend en ook zelf het verplichte toezendadres doorgegeven aan de belastingdienst. Dat moet een belanghebbende zelf doen, dat kan de belastingdienst niet doen. Uiteindelijk is het zo dat eiser verantwoordelijk is voor de juiste gegevens. Aan de hand van de gegevens die eiser doorgeeft wordt de post toegestuurd. Er zijn vooraankondigingen van de uitspraak op bezwaar en een uitspraak op bezwaar naar de postbus toegestuurd. Precies in die tijd was de postbus het verplichte toezendadres. Ik heb geen aantekening in mijn dossier dat de post terug is gekomen. Niet van de vooraankondigingen maar ook niet van de uitspraak op bezwaar. Ik vraag mij ook wel af of het wordt teruggestuurd. Het is de verantwoordelijkheid van eiser om zijn post bij te houden. De belastingdienst heeft de adressen gehanteerd zoals deze waren doorgegeven. De verantwoordelijkheid lag bij eiser.

Eiser :

Ik was toen niet bij machte om het te doen, ik ging drinken want ik had een groot probleem.

Rechter :

De inspecteur heeft nadere stukken gestuurd, die heeft u ook van de rechtbank ontvangen?

Eiser :

Dat klopt, die heb ik gehad.

Rechter :

Daar schrijft de inspecteur dat de vooraankondigingen aangetekend naar de postbus zijn verstuurd. Die zijn ook niet terug gekomen.

Eiser :

Ik heb ze niet ontvangen.

Rechter :

Op een gegeven moment heeft u ze toch gekregen.

Eiser :

Er zal wel wat zijn verzonden toen ik weer een inschrijfadres had.

Gemachtigde van verweerder :

Ik ben van mening dat de uitspraak op bezwaar naar het juiste adres is verstuurd. In de brief van 18 juli 2015 staat het nieuwe adres. Eiser is per 5 mei 2015 in [Z] gaan wonen.

Rechter :

In die periode van begin 2015, toen heeft u een moeilijke periode gehad.

Eiser :

Dat klopt, ik was aan de alcohol. Ik zag het niet meer zitten. Ik kreeg geen uitkering en mijn € 25.000 stond bij het OM. Ik wist ook niet dat er een beslag van de belastingdienst op de rekening bij het OM lag. Dus toen heb ik met de ontvanger in Groningen gebeld. Die heeft mij de helft overgemaakt. Wij hebben afgesproken dat die andere helft in afwachting is van deze zaken. Als het teruggedraaid wordt dan krijg ik het geld terug.

(…)

Rechter :

(…) U heeft het een periode moeilijk gehad en daarom heeft u dus uw zaken laten versloffen.

Eiser :

Ik wist ook niet dat ik moest reageren. Ik heb nergens meer op gelet vanwege de omstandigheden.

Gemachtigde van verweerder :

Ik vind het heel vervelend dat eiser in die omstandigheden terecht is gekomen. Dit laat echter onverlet dat hij verantwoordelijk was voor het afhandelen van zijn post. Uit jurisprudentie blijkt ook dat alleen in hele uitzonderlijke situaties sprake is van verschoonbaarheid. Hoe vervelend de situatie ook is.

Eiser :

Ik ben daar het niet mee eens. Ik vind dat de aanslagen onterecht zijn opgelegd en daar blijf ik ook bij. Ik wil het graag opgelost hebben met de belastingdienst zodat ik daarna gerust naar Duitsland kan vertrekken. Anders krijg ik ook geen AOW.

(…)

Rechter :

U stelt dus dat u geestelijk niet in orde was en dat u de brieven niet heeft gezien. U was aan lager wal geraakt.

(…)

Rechter :

Dit wordt een spannend verhaal voor u eiser. Wij hebben hier het feit dat u zelf heeft gezegd dat u een postbus heeft en dat daar de post naar toe moet. Vervolgens doet u er niets mee en laat u ook niks meer van u horen.

Eiser :

Ziekte kan je niet voorkomen. Als je psychisch in de war bent en aan de alcohol raakt. De huisarts kan hier wel een briefje over schrijven.

(…)

Rechter :

Heb ik het goed begrepen, dat u geen vastlegging heeft dat die vooraankondigingen zijn terug gestuurd? Dat betekend dan dus dat ze zijn afgehaald. Maar u heeft daarvan geen stukken? U heeft niet nagekeken of er een handtekening voor akkoord is gezet?

Gemachtigde van verweerder :

Ze zijn niet terug gekomen, ik heb niet gecontroleerd of er daadwerkelijk een handtekening is gezet.

Rechter :

Alleen de vooraankondigingen zijn aangetekend verzonden? Als die worden verzonden en ze komen niet meer terug dan moet eiser ze dus hebben gekregen. Anders komen ze namelijk terug. De uitspraak op bezwaar is zelf niet aangetekend verstuurd?

Gemachtigde van verweerder :

Nee, ik zal het zelf andersom hebben gedaan. Maar het is wel gebruikelijk dat uitspraken op bezwaar niet aangetekend worden verzonden.

Rechter :

Eiser ik moet u aangeven dat dit een probleem voor u wordt. Postbus [000] was ook al een bestaande postbus, want de stichting had deze postbus al sinds 2011. U heeft aangegeven bij de belastingdienst dat ze daar uw stukken naartoe moesten sturen en dat hebben ze ook gedaan. U heeft dit verplichte toezendadres in dezelfde periode doorgegeven aan de belastingdienst, ook in januari 2015. U heeft die postbus niet meer geleegd. U had daar zo uw redenen voor. Maar dat daardoor de termijnen zijn verlopen, komt voor uw rekening en risico.

Eiser :

Ik zag het niet meer zitten, het werd mij allemaal te veel.

Rechter :

Ik heb geen reden om te zeggen dat dit niet zo is. Maar u heeft ook gezegd dat uw advocaat u er op heeft gewezen dat er een uitspraak op bezwaar lag. Uit uw brief van 18 juli 2015 blijkt dit niet.

Eiser :

Hij heeft ook tegen mij gezegd dat ik het in de gaten moest houden en dat er wel eens iets kon komen.

Rechter :

Ik zie in uw verhaal geen reden voor verschoning. U blijft zelf verantwoordelijk voor het bijhouden van uw post, ook in de periode dat u de postbus had doorgegeven. De conclusie is dat u niet ontvankelijk bent in beroep en dat daarom de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld. Er is ook al een keer ambtshalve inhoudelijk naar de aanslagen gekeken. Het verzoek is afgewezen en u heeft daar geen bezwaar tegen gemaakt. Als u kunt bewijzen dat het allemaal anders is gegaan, kunt u nog een keer naar de belastingdienst gaan. Als u uw kansen wilt blijven benutten, naar het Hof wilt dan doe ik mondeling uitspraak. Daar kunt u dan tegen in hoger beroep. Binnen 14 dagen krijgt u de uitspraak dan op schrift en binnen zes weken kunt u dan hoger beroep instellen bij het Hof Arnhem-Leeuwarden.

Eiser :

Ik stop er niet mee, ik ga door tot het einde. (…)”.

2.8

De Rechtbank heeft de beroepen vervolgens niet-ontvankelijk verklaard wegens onverschoonbare termijnoverschrijding. Daarbij heeft de Rechtbank onder meer overwogen (waarbij met “eiser” belanghebbende en met “verweerder” de Inspecteur wordt bedoeld):

Tussen partijen is niet in geschil dat de uitspraak op bezwaar met dagtekening 7 april 2015 is verzonden aan het adres Postbus [000] , [Z] . (…) Ten aanzien van de eventuele verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft ter zitting gesteld dat de termijnoverschrijding niet aan hem kan worden toegerekend omdat hij begin 2015 aan lager wal was geraakt en hij daarom geen acht meer heeft geslagen op onder meer zijn post. Naar het oordeel van de rechtbank vormt de door eiser aangevoerde reden geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser in de periode waarin hij volgens hem aan lager wal was geraakt, wel in staat is geweest om aan verweerder het hierboven vermelde postbusnummer door te geven. Dat eiser vervolgens door zijn persoonlijke omstandigheden geen acht heeft geslagen op zijn post komt naar het oordeel van de rechtbank voor zijn eigen rekening en risico. Daarnaast betrekt de rechtbank in haar oordeel dat verweerder de vooraankondigingen van de uitspraken op bezwaar aangetekend heeft verzonden en dat verweerder op zitting onweersproken heeft gesteld dat deze niet retour zijn gekomen. Bovendien heeft verweerder inmiddels ook de aanslagen ambtshalve beoordeeld en is het verzoek om ambtshalve vermindering bij voor bezwaar vatbare beschikking (2010) afgewezen. Belanghebbende heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.”.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de Rechtbank de beroepen van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en, zo dat niet het geval is, of de bestreden navorderingsaanslagen en beschikkingen heffingsrente terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

3.2

Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de bestreden navorderingsaanslagen en beschikkingen heffingsrente.

3.3

De Inspecteur beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vragen bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

5 Proceskosten en griffierecht

6 Beslissing