Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 08-06-2021, ECLI:NL:GHARL:2021:5705, 19/00429 t/m 19/00437

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 08-06-2021, ECLI:NL:GHARL:2021:5705, 19/00429 t/m 19/00437

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
8 juni 2021
Datum publicatie
18 juni 2021
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2021:5705
Formele relaties
Zaaknummer
19/00429 t/m 19/00437

Inhoudsindicatie

BPM. Vermindering (afschrijving).

Uitspraak

locatie Leeuwarden

nummers 19/00429 tot en met 19/00437

uitspraakdatum: 8 juni 2021

Uitspraak van de tweeëntwintigste enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 maart 2019, nummers AWB 17/5733, AWB 17/5827, AWB 17/5830 tot en met 17/5836, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Doetinchem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft aangiften in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) ingediend. De volgens deze aangiften verschuldigde bpm is voldaan.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoeningen op aangifte.

1.3.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar het bezwaar in de zaak met hogerberoepsnummer 19/00429 gegrond verklaard en het bezwaar in de zaken met de hogerberoepsnummers 19/00430 tot en met 19/00437 ongegrond.

1.4.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft via beeldbellen plaatsgevonden op 18 mei 2021. Namens belanghebbende is [A] verschenen, bijgestaan door [B] . Van de zijde van de Inspecteur is [C] verschenen, bijgestaan door [D] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

Hoger beroep met nummer 19/00429

2.1.

Belanghebbende heeft de aangifte bpm, met dagtekening 20 februari 2017, ingediend ter zake van de registratie van een VW Polo (auto 1). De verschuldigde bpm is met behulp van de afschrijvingstabel van artikel 8, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna de Uitvoeringsregeling) berekend op € 555. De bpm is op 22 februari 2017 voldaan. De tenaamstelling en de registratie met kenteken NL334J heeft plaatsgevonden op 30 mei 2017.

2.2.

Met dagtekening 12 oktober 2017 heeft de Inspecteur het bezwaar wegens leeftijdskorting gegrond verklaard en een teruggaaf van € 27 verleend. Een rente- en een proceskostenvergoeding zijn niet toegekend.

Hoger beroep met de nummers 19/00430 tot en met 19/00437

2.3.

Belanghebbende heeft acht gebruikte schadeauto’s gekocht en overgebracht naar Nederland. Het gaat om een:

-

Ford Fiësta (1209) Auto 2 19/00430

-

Fiat 500 (2060) Auto 3 19/00431

-

VW Golf (2284) Auto 4 19/00432

-

Nissan Micra 1.2 (1244) Auto 5 19/00433

-

BMW 1-serie 116i (2547) Auto 6 19/00434

-

Peugeot 208 (8655) Auto 7 19/00435

-

Citroen DS3to (9341) Auto 8 19/00436

-

Nissan Micra 1.2 (2201) Auto 9 19/00437

De verschuldigde bpm is voor deze acht auto’s met behulp van een taxatie berekend. Bij elke aangifte is een taxatierapport gevoegd. De auto’s zijn getaxeerd naar de staat waarin deze verkeerde bij de opname van de taxateur. In de taxatierapporten is vermeld dat de betreffende auto schade heeft. De taxateur heeft de kosten van herstel van die schade gecalculeerd en als schade in de rapporten opgenomen. De handelsinkoopwaarde is berekend door aan de hand van de vraagprijzen van drie referentievoertuigen de handelsinkoopwaarde van een soortgelijke, in Nederland geregistreerde gebruikte personenauto in onbeschadigde staat vast te stellen. De handelsinkoopwaarde zonder schade is daarmee berekend op 80% van de gemiddelde vraagprijs van de drie referentieauto’s. Door deze waarde te verminderen met het bedrag van 100% van de gecalculeerde schade is de handelsinkoopwaarde van auto 2, een Ford Fiësta, vastgesteld. Dit geldt ook voor auto 9, een Nissan Micra. Voor auto 3, een Fiat 500, is 97,7% van de gecalculeerde schadeherstelkosten afgetrokken. Voor de auto’s 4 tot en met 8 leidt een aftrek van 100% van de gecalculeerde schadeherstelkosten tot een zeer lage of zelfs negatieve waarde, zodat de taxateur aanleiding heeft gezien de waarde van deze auto’s te taxeren op ronde bedragen uiteenlopend van € 500 tot € 1.500.

2.4.

Auto 9 heeft een datum eerste toelating van 22 januari 2016. Voor auto 9 is aangifte gedaan op 21 februari 2017 en de volgende dag is € 366 aan bpm voldaan. Belanghebbende heeft de verschuldigde bpm als volgt bepaald: 80% van de gemiddelde van de handelsinkoopwaarden van drie referentievoertuigen (€ 11.945, € 13.995 en € 11.900) = 80% van € 12.613 = € 10.090. Waardevermindering volgens referentievoertuigen € 7.270 plus 100% schade (€ 8.336), tezamen € 15.606. Dit leidt tot een berekende handelsinkoopwaarde van (€ 17.360 minus € 15.606) € 1.754 en een bpm-verschuldigdheid van € 366 (€ 3.628 * € 1.754/€ 17.360).

2.5.

Op 7 juli 2017 is belanghebbende ter zake van auto 2, auto 3, auto 4, auto 5, auto 7, auto 8 en auto 9 gehoord. Op 30 mei 2019 is belanghebbende ter zake van auto 6 gehoord. Met dagtekening 12 oktober 2017 heeft de Inspecteur het bezwaar ter zake van auto 2 tot en met 9 ongegrond verklaard.

2.6.

Op het beroep van belanghebbende heeft de Rechtbank bij uitspraak van 7 maart 2019 beslist. Een afschrift van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak is op 12 maart 2019 naar partijen gestuurd. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.

2.7.

Op 8 april 2019 heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of:

-

de hoogte van het geheven griffierecht in strijd is met het Unierecht,

-

de Inspecteur verplicht is de kentekens in het geding te brengen,

-

sprake is van een in strijd met het Unierecht vermeend verschil in heffingsmodaliteiten ten aanzien van binnenlandse en uit het buitenland afkomstige auto’s en belanghebbende in verband daarmee aanspraak kan maken op een rentevergoeding wegens de vooruitbetalingsverplichting van de bpm,

-

de Rechtbank (en het Hof) bevoegd zijn uitleg te geven aan de bepalingen van het Unierecht,

-

voor auto 9 recht bestaat op vermindering van bpm wegens toepassing van het tarief van het jaar voorafgaand aan het jaar van eerste toelating,

-

de Inspecteur bij vermindering van de verschuldigde bpm van rechtswege en zonder een daartoe ingediend verzoek verplicht is aan belanghebbende een passende rentevergoeding toe te kennen,

-

de Inspecteur bij de gegrondverklaring van het bezwaar ter zake van auto 1 een proceskosten- en rentevergoeding had moeten toekennen, en

-

belanghebbende recht heeft op (integrale) vergoeding van de kosten gemaakt in verband met de behandeling van de bezwaren, het beroep en het hoger beroep.

3.2.

Belanghebbende stelt voorts dat zij in aanmerking komt voor een vergoeding voor immateriële schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in beroep en in hoger beroep en dat de coronamaatregelen niet een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen.

4 Beoordeling van het geschil

6 Beslissing