Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-02-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1086, 21/00043

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-02-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1086, 21/00043

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15 februari 2022
Datum publicatie
25 februari 2022
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2022:1086
Formele relaties
Zaaknummer
21/00043

Inhoudsindicatie

IB/PVV. Proceskostenvergoeding. Immateriëleschadevergoeding.

Uitspraak

locatie Leeuwarden

nummer 21/00043

uitspraakdatum: 15 februari 2022

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 11 december 2020, nummer LEE 19/3408, ECLI:NL:RBNNE:2020:4414, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2015 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Bij beschikkingen is belastingrente berekend en is een verzuimboete opgelegd.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur betreffende de boetebeschikking vernietigd, de verzuimboete verminderd tot een bedrag van € 350 en het verzoek om een vergoeding van immateriële schade afgewezen.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft verweer gevoerd.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2022. Daarbij zijn verschenen en gehoord drs. C.D. Bartelds, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede mr. [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.6.

Na het onderzoek ter zitting heeft belanghebbende op 25 januari 2022 en op 30 januari 2022 stukken naar het Hof gestuurd. Het Hof zal aan de inhoud van deze stukken voorbij gaan omdat het onderzoek ter zitting op 11 januari 2022 reeds was gesloten en het Hof in de inhoud van deze stukken geen aanleiding vindt het onderzoek op de voet van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht te heropenen. De stukken behoren derhalve niet tot de stukken van het geding.

2 Vaststaande feiten

2.1.

De Inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2015. Op haar verzoek heeft belanghebbende hiervoor uitstel gekregen tot 1 mei 2017. De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 29 mei 2017 herinnerd aan het doen van aangifte. Hierbij heeft de Inspecteur meegedeeld dat de aangifte uiterlijk 13 juni 2017 moet zijn gedaan. Bij brief van 30 juni 2017 heeft de Inspecteur belanghebbende aangemaand om haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2015 uiterlijk 14 juli 2017 bij hem in te dienen.

2.2.

Belanghebbende heeft haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2015 op 26 november 2017 ingediend. Op 23 juli 2018 heeft belanghebbende een herziene aangifte IB/PVV voor het jaar 2015 ingediend, waarin een belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, is aangegeven van nihil. Deze aangifte leidt tot een te betalen bedrag aan IB/PVV van € 1.175, zijnde de (ten onrechte) eerder verleende teruggave(n).

2.3.

De Inspecteur heeft met dagtekening 12 september 2018 aan belanghebbende een aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2015 opgelegd, overeenkomstig de herziene aangifte van belanghebbende, van nihil. De Inspecteur heeft hierbij € 108 aan belastingrente in rekening gebracht. Daarnaast heeft de Inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete van € 369 opgelegd wegens het niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn doen van aangifte.

2.4.

Op het onderhavige aanslagbiljet is vermeld:

“U heeft over 2015 geen aangifte ingediend. De Belastingdienst heeft uw belastbare inkomen(s) geschat.”

2.5.

Op het bezwaar van belanghebbende, door de Inspecteur ontvangen op 17 september 2018, heeft de Inspecteur in zijn brief van 10 mei 2019 betreffende de vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar meegedeeld:

“De aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2015 is ingevolge artikel 11 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Hierna: AWR) ambtshalve vastgesteld. De reden hiervoor is dat ondanks dat aan uw cliënte een uitnodiging, een herinnering en een aanmaning is verstuurd, de aangifte niet tijdig is ingediend. Hierdoor is niet de vereiste aangifte gedaan. Het gevolg hiervan is dat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard (zie artikel 25, derde lid, AWR). Dit betekent dat u overtuigend dient aan te tonen dat, en zo ja in hoeverre, de aanslag van uw cliënt tot een te hoog bedrag is vastgesteld.”

2.6.

Na een schriftelijke reactie van de gemachtigde van belanghebbende op voormelde vooraankondiging en een hoorgesprek op 1 augustus 2019, heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 9 september 2019 de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. In deze uitspraken heeft de Inspecteur de onder 2.5 geciteerde passage, behoudens de drie laatste volzinnen van die passage, herhaald en verder geschreven dat gelet op het feit dat de aangifte niet tijdig is ingediend een verzuimboete is opgelegd.

2.7.

De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur betreffende de boetebeschikking vernietigd, de verzuimboete ambtshalve wegens overschrijding van de redelijke termijn verminderd tot een bedrag van € 350 en het verzoek om een vergoeding van immateriële schade afgewezen. Bij de afwijzing van voormeld verzoek heeft de Rechtbank overwogen dat de redelijke termijn met drie maanden dient te worden verlengd in verband met de vertraging die de procedure heeft opgelopen door de in verband met de uitbraak van het coronavirus van overheidswege ingestelde maatregelen, zoals de sluiting van de Rechtbank in het voorjaar van 2020.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of belanghebbende wegens schending van het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel voor de bezwaar- en beroepsfase recht heeft op vergoeding van proceskosten, en of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Inspecteur ontkennend. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende voorts gesteld dat de Inspecteur vanwege de dubbele nationaliteit van belanghebbende misschien wel scherpere controleprotocollen en selectienormen hanteert, zodat de zaak, gelet op het arrest HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1748, moet worden aangehouden voor nader onderzoek. In dat verband verzoekt belanghebbende de Inspecteur het volledige dossier en de controleprotocollen over te leggen.

3.2.

Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof desgevraagd verklaard dat de belastingrente en de boetebeschikking niet (meer) in geschil zijn, evenmin als de hoogte van de aanslag.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing